Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:8088

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
9102423 \ CV EXPL 21-1838
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Auteursrecht. De (copywriter van) gedaagde heeft teksten van de website van eiser overgenomen (met enkele wijzigingen). De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een inbreuk op auteursrechtelijk beschermde werken en dat de gedaagde schade moet vergoeden als gevolg van deze onrechtmatige daad en de schending van de persoonlijkheidsrechten van de eiser. De gevorderde schade wordt gedeeltelijk toegewezen omdat de eiser niet alle schade voldoende onderbouwd en aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9102423 \ CV EXPL 21-1838

Uitspraakdatum: 25 augustus 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam 1]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. F.J.G. Hulsbergen

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam 2]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

de zaak in het kort

(de copywriter van) gedaagde heeft teksten van de website eiser overgenomen (met enkele wijzigingen). Eiser vindt dat sprake is van een inbreuk op Auteursrechtelijk beschermde werken en dat gedaagde schade moet vergoeden als gevolg van deze onrechtmatige daad en de schending van de persoonlijkheidsrechten van eiser. De kantonrechter volgt de stelling van eiser, maar eiser heeft niet alle gevorderde schade voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De gevorderde schade wordt gedeeltelijk toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 11 maart 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. Op 16 maart 2021 heeft [eiser] aanvullende producties ingediend. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd en haar eis gewijzigd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

[eiser] handelt onder de naam [handelsnaam 1] en richt zich op de reparatie van inboedel en opstal. [gedaagde] handelt onder de naam [handelsnaam 2] en richt zich onder andere op de verkoop, montage en renovatie van keukens, sanitair en meubelen. [gedaagde] is domeinhouder van de website [website] .

2.2.

Bij brief van 20 januari 2021 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] onder andere verzocht om inbreuken op intellectuele eigendomsrechten van [eiser] te staken en om het gebruik van de handelsnaam [handelsnaam 3] en de domeinnaam [website] te staken, de inbreuk op het auteursrecht te erkennen en een schadevergoeding van € 2.000,- te betalen.

2.3.

Daarop is door [gedaagde] gereageerd dat hij producten van [eiser] van zijn website kan verwijderen. Daarop heeft [eiser] de sommatie van 20 januari 2021 gehandhaafd. [gedaagde] heeft daarna geschreven: ‘De website is geannuleerd. Ik heb geen inbreuk gemaakt’. Bij e-mails van 25 januari, 4 februari en 3 maart 2021 heeft [eiser] [gedaagde] gevraagd om aan de sommatie te voldoen. Daarop is door [gedaagde] niet gereageerd.

2.4.

Bij schriftelijke verklaring van 19 februari 2021 heeft [dochter van eiser] (dochter van [eiser] ) verklaard dat zij samen met [eiser] Search Engine Optimalization technieken heeft gebruikt bij het creëren van de teksten voor zijn website. Verder verklaart zij: ‘Bij het creëren van de websiteteksten hebben wij talloze creatieve keuzes gemaakt, waaronder keuzes over het gebruik van signaal/zoekwoorden, toegankelijke en leesbare zinnen, het vormgeven en indelen van teksten, het gebruiken van tussenkopjes etc. Het doel hiervan was om unieke en originele content te creëren. Ik schat in dat [eiser] en ik in totaal gezamenlijk 31.5 uur hebben ge-investeerd in het creëren van de websiteteksten. Hij heeft mij voor mijn werkzaamheden een uurtarief van € 35,-, totaalbedrag van € 1.102,50 (excl. BTW) betaald. […]’

2.5.

[dochter van eiser] heeft bij factuur van 2 maart 2021 het ‘herschrijven SEO content voor 16 webpagina’s’ gefactureerd. Het totaalbedrag van de factuur is € 1.008,- inclusief BTW.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten en de persoonlijkheidsrechten van [eiser] en dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden. Daarnaast vordert [eiser] dat de kantonrechter [gedaagde] gebiedt om zich te onthouden van iedere inbreuk op de auteurs- en/of persoonlijkheidsrechten van [eiser] op de teksten die afkomstig zijn van een aan [eiser] toebehorende website, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag. Ook vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade ter hoogte van een bedrag van € 3.045 excl. BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de volledige proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de teksten op zijn website auteursrechtelijk beschermde werken zijn in de zin van de Auteurswet. [gedaagde] heeft die teksten verveelvoudigd althans zijn eigen teksten daaraan ontleend en slechts op detailniveau gewijzigd. Dat volgt uit productie 9 bij de dagvaarding. Daarmee heeft [gedaagde] de auteursrechten van [eiser] geschonden, zodat sprake is van een onrechtmatige daad. [gedaagde] moet de schade daarvan vergoeden. Het persoonlijkheidsrecht van [eiser] is geschonden doordat [gedaagde] de naam van [eiser] (en de Copywriter) niet op de website heeft vermeld. Ook daardoor leidt [eiser] schade.

3.3.

De schade bestaat uit gederfde licentie inkomsten (€ 1.102,50 exclusief BTW), de schending van de persoonlijkheidsrechten (ook € 1.102,50 exclusief BTW), de kosten van het herschrijven van de websiteteksten (€ 840,- exclusief BTW), en juridische kosten. De advocaatkosten bedragen € 7.036,84 exclusief BTW.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] betwist dat sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken in de zin van artikel 10 Auteurswet. Voor zover daar wel sprake van is, is geen sprake van opzet en geen sprake van een inbreuk. De copywriter van [gedaagde] heeft teksten overgenomen, maar niet één op één. Daarom is geen sprake van een inbreuk. Alle teksten die te herleiden zijn tot die van [eiser] zijn verwijderd.

4.2.

Voor zover sprake is van een inbreuk betwist [gedaagde] de schade. De website van [eiser] bestaat nog steeds en [gedaagde] betwist dat [eiser] exposure en/of klanten is misgelopen. Daarnaast was het niet nodig om de teksten aan te laten passen omdat [gedaagde] zijn teksten had verwijderd. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat de kwestie (sneller) opgelost had kunnen worden door een DMCA-klacht in te dienen bij Google, waarmee een deel van de gevorderde schade had kunnen worden voorkomen. [eiser] heeft te snel een advocaat ingeschakeld en [gedaagde] heeft niet voldoende de kans gekregen om het geschil buitengerechtelijk op te lossen. Bovendien zijn de advocaatkosten te hoog.

4.3.

Bij wijze van tegenvordering verzoekt [gedaagde] om veroordeling van [eiser] tot het vergoeden van zijn schade. Hij heeft een dag niet kunnen werken in verband met de zitting waar hij mondeling heeft geantwoord, hij heeft ook reiskosten gemaakt en juridische hulp gezocht. De kosten voor de juridische hulp waren € 1.175,00.

5 De beoordeling

de vordering

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] een inbreuk heeft gemaakt op teksten van [eiser] die voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Als dat het geval is moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] daarvoor een schadevergoeding moet betalen.

zijn de teksten aan te merken als auteursrechtelijk beschermde werken?

5.2.

De kantonrechter vindt dat de teksten van de website van [eiser] zijn aan te merken als auteursrechtelijk beschermde werken zoals bedoeld in artikel 1 jo. 10 Auteurswet. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.

5.3.

[eiser] stelt en onderbouwt dat sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken. [gedaagde] vindt dat geen sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken.

5.4.

Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen moet sprake zijn van teksten die voldoende oorspronkelijk zijn, een eigen karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen. Als onweersproken staat vast dat [eiser] (een van) de maker(s) is van de teksten. [eiser] stelt dat het werk niet ontleend is aan een ander en dat is door [gedaagde] niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. De kantonrechter stelt daarom vast dat de teksten een voldoende oorspronkelijk en eigen karakter hebben. [eiser] stelt ook dat de teksten het gevolg zijn van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes van (o.a.) [eiser] ten aanzien van onder meer de tekst, zinsopbouw, vormgeving en het gebruik van zoek(machinevriendelijke)-woorden. [gedaagde] brengt daartegenin dat zulke teksten veelvuldig voorkomen op internet en allemaal op elkaar lijken. [gedaagde] betwist dat creatieve keuzes worden gemaakt bij de totstandkoming van zoekmachine-geoptimaliseerde teksten. [gedaagde] wordt niet gevolgd in zijn verweer. Dat (veel) aandacht is besteed aan zoekwoorden om een positieve invloed op de zoekmachinevriendelijkheid van de teksten te bewerkstelligen, doet niet af aan de stelling dat creatieve keuzes zijn gemaakt. Dat betekent dan ook dat de teksten het persoonlijk stempel van (o.a.) [eiser] dragen. Er kan niet worden gesteld dat de teksten zo voor de hand liggend zijn dat iemand (onafhankelijk van [eiser] ) tot precies hetzelfde werk had kunnen komen.

5.5.

De conclusie is dat de teksten zijn aan te merken als auteursrechtelijk beschermde werken. Daarmee heeft de maker het uitsluitend recht om deze openbaar te maken en te verveelvoudigen (artikel 1 Auteurswet).

Inbreuk

5.6.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is de vraag of [gedaagde] een inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechtelijke bescherming van de teksten. De kantonrechter vindt van wel. [gedaagde] heeft erkend dat zijn copywriter teksten heeft overgenomen en aangevoerd dat eraan is gesleuteld om de teksten voldoende te laten afwijken zodat het geen inbreuk is. Daarin is hij niet geslaagd. De teksten zijn in een zodanige mate gelijk, met slechts enkele (kleine) aanpassingen, dat dat in combinatie met de erkenning van het overnemen van de teksten leidt tot de conclusie dat sprake is van een inbreuk, namelijk de openbaarmaking van een verveelvoudiging van het geheel of een gedeelte van het werk (artikel 12 lid 1 onderdeel 1 Auteurswet). Dat volgt uit de 15 voorbeelden die [eiser] bij productie 9 heeft overgelegd. Dat geen sprake zou zijn van opzet aan de kant van [gedaagde] of dat niet hij maar zijn copywriter de inbreuk heeft gemaakt, doet aan het voorgaande niet af.

verklaringen voor recht

5.7.

De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen worden toegewezen, met inachtneming van wat hieronder met betrekking tot de schade wordt overwogen. Hetzelfde geldt voor het door [eiser] gevorderde gebod met dien verstande dat aan het gebod een dwangsom van € 250,- per dag wordt verbonden.

Schade

5.8.

Hiervoor is vastgesteld dat sprake is van een inbreuk op de auteursrechtelijke bescherming van de teksten van [eiser] . [eiser] stelt dat daarmee sprake is van een onrechtmatige daad op grond waarvan een recht op schadevergoeding bestaat. Dat is door [gedaagde] niet betwist. Er zal dan ook worden beoordeeld of [eiser] aanspraak maakt op vergoeding van schade.

5.9.

[eiser] vordert schade bestaande uit gederfde licentie inkomsten en de kosten van het herschrijven van de websiteteksten en schade als gevolg van de schending van persoonlijkheidsrechten. Een schadevergoeding dient in beginsel om de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien het schadeveroorzakende feit zou zijn uitgebleven. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (zie ook: ECLI:NL:HR:2013:BX9830).

5.10.

Tegen de gevorderde misgelopen licentie inkomsten heeft [gedaagde] aanvankelijk aangevoerd dat geen sprake is van gederfde licentie inkomsten omdat [eiser] nog steeds over de website beschikt en het niet redelijk is om de oorspronkelijke prijs te betalen. Bij dupliek heeft hij aangevoerd dat de vordering niet overeenkomt met een marktconforme licentievergoeding. De kantonrechter overweegt dat [eiser] kosten heeft betaald voor de teksten en dat het niet aannemelijk is dat de (misgelopen) licentie inkomsten dezelfde waarde vertegenwoordigen. De kantonrechter vindt het redelijk om aan te nemen dat de misgelopen licentie inkomsten de helft van de oorspronkelijk prijs bedragen. Dit deel van de vordering wordt dus toegewezen tot een bedrag van € 551,13.

5.11.

Ten aanzien van de kosten voor het herschrijven van de teksten wordt overwogen dat de teksten zijn aangepast nadat [gedaagde] die van zijn website heeft verwijderd. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat het nodig was om de teksten aan te passen nadat [gedaagde] de pagina’s op zijn website had verwijderd. Volgens hem is de ‘ranking’ op Google bovendien afhankelijk van meerdere factoren. [eiser] heeft zijn stelling gelet op deze betwisting niet voldoende aannemelijk gemaakt. Nu [eiser] de stelplicht en bewijslast heeft ten aanzien van het causale verband tussen de gedraging van [gedaagde] en de gevorderde schade(vergoeding), is de conclusie dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat dat causaal verband er is. Het bewijsaanbod dat [eiser] hiertoe heeft gedaan (om de stelling ‘als gevolg van het publiceren van de Inbreukmakende Teksten is het unieke karakter van de Teksten aangetast en is het goed mogelijk dat de Website minder zoekmachine vriendelijk is geworden’ te bewijzen) is onvoldoende concreet om [eiser] toe te laten tot het leveren van bewijs van het causaal verband. De vordering tot vergoeding van de kosten voor het herschrijven van de teksten wordt dan ook afgewezen.

5.12.

Verder heeft [eiser] een toeslag gevorderd in verband met geschonden persoonlijkheidsrechten. Volgens hem is hij als gevolg van het handelen van [gedaagde] potentiële klanten misgelopen omdat er minder exposure heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft erkend dat de website van [eiser] in de periode voordat [gedaagde] de teksten van zijn website heeft verwijderd, minder uniek was en daardoor minder goed gescoord heeft bij Google. Deze schade is niet te begroten of te schatten zodat deze met inachtneming van artikel 27 lid 2 Auteurswet op een forfaitair bedrag wordt vastgesteld. Het door [eiser] gevorderde percentage (100% van de misgelopen licentie inkomsten) komt de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat dat bedrag zal worden toegewezen met dien verstande dat het gaat om 100% van de toe te wijzen vergoeding voor misgelopen licentie inkomsten zoals onder 5.10. overwogen.

5.13.

Ten overvloede wordt overwogen dat een DMCA-klacht niet, zoals [gedaagde] stelt, had geleid tot voorkoming van de schade, zodat dit niet leidt tot matiging van de schadevergoeding.

5.14.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] , als de meest in het ongelijk gestelde partij, een significant en passend deel van de redelijke kosten van [eiser] moet betalen. Nu [eiser] ook op punten (gedeeltelijk) in het ongelijk is gesteld, vindt de kantonrechter 75% van de gevorderde advocaatkosten (75% van € 7.036,84) een significant en passend deel. Daarnaast moet [gedaagde] het griffierecht, de dagvaardingskosten en de eventuele nakosten betalen.

de tegenvordering

5.15.

Bij wijze van tegenvordering vordert [gedaagde] kosten die vallen onder de proceskostenveroordeling. Hiervoor is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van (een deel van) de proceskosten van [eiser] , omdat [gedaagde] de meest in het ongelijk gestelde partij is. De kantonrechter ziet op grond daarvan geen aanleiding om [eiser] te veroordelen tot betaling van proceskosten van [gedaagde] . De tegenvordering wordt afgewezen en [gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] in de zaak van de tegenvordering betalen. Die proceskosten in de zaak van de tegenvordering worden begroot op nihil.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [eiser] en dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden ten gevolge van dit onrechtmatig handelen;

6.2.

gebiedt [gedaagde] zich te onthouden van iedere inbreuk op de auteurs- en/of persoonlijkheidsrechten van [eiser] op de teksten die afkomstig zijn van een aan [eiser] toebehorende website, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een dergelijke overtreding voortduurt, waarbij [gedaagde] voor iedere individuele inbreuk een aparte dwangsom verbeurt;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 1.102,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 januari 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 85,81

griffierecht € 240,00

salaris gemachtigde € 5.277,36 ;

6.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten van maximaal € 62,- voor zover deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis;

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

6.8.

wijst de vordering af;

6.9.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter