Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:804

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
10-02-2021
Zaaknummer
C/15/309588 / KG ZA 20-623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executie van de verbeurde dwangsommen en het leggen van executoriaal beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/309588 / KG ZA 20-623

Vonnis in kort geding van 29 januari 2021

in de door:

A.F. Damen (gerechtsdeurwaarder bij De Best & Partners)

gevestigd te Hoofddorp

op grond van artikel 438 lid 5 Rv aanhangig gemaakte zaak tussen

[eiser/verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

verweerder in reconventie,

tegen

[gedaagde/eiseres] ,

wonende in de gemeente [woonplaats],

gedaagde,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T.A. Bruins te Aerdenhout.

Partijen zullen hierna [eiser/verweerder] en [gedaagde/eiseres] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal ex artikel 438 lid 5 Rv en de daarbij door de deurwaarder gevoegde stukken,

  • -

    de door [eiser/verweerder] ingestuurde stukken bij zijn e-mails van 12 januari 2021 en 13 januari 2021;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde/eiseres],

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser/verweerder] heeft op 26 augustus 2020 per e-mail contact opgenomen met het gerechtsdeurwaarderskantoor De Best & Partners, van welk kantoor deurwaarder [A.] (hierna: de deurwaarder) op 14 september 2020 de opdracht kreeg van [eiser/verweerder] om tot executie over te gaan van het eerder op 26 april 2018 aan [gedaagde/eiseres] betekende grosse van een proces-verbaal van uitspraak, als bedoeld in artikel 30 P Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), van 22 maart 2018 van het Gerechtshof Amsterdam.

2.2.

In voornoemd proces-verbaal van het Gerechtshof Amsterdam is voor zover relevant opgenomen (waarbij [gedaagde/eiseres] is aangeduid als ‘de moeder’ en [eiser/verweerder] als ‘de vader’ en [B.] de minderjarige zoon van partijen is):

7. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder haar standpunt in zoverre gewijzigd dat zij bereid is aan de vader foto’s van het dagelijks leven van de kinderen te verstrekken, alsmede een screenshot van het computersysteem Magister met betrekking tot [B.] waaruit zijn schoolresultaten zijn af te lezen. Op dit screenshot zal echter niet de naam van de school van [B.] zijn te zien. Hoewel de man ter zitting uitdrukkelijk de wens te kennen heeft gegeven op de hoogte te willen raken van de school die [B.] bezoekt, is het hof van oordeel dat het belang van [B.] zich daartegen verzet. Daartoe acht het hof redengevend dat [B.] in eerste aanleg tegenover de rechter – samengevat – te kennen heeft gegeven niet te willen dat zijn vader met zijn school bekend raakt. Die wens is naar het oordeel van het hof te billijken nu deze niet zonder grond is, gelet op de gebeurtenissen die zich in het verleden op de basisschool van [B.] met de vader hebben voorgedaan. Het voorgaande brengt mee dat de moeder in het kader van haar informatieplicht de vader per kwartaal een verslag over de kinderen zal moeten doen toekomen, alsmede één of meerdere foto’s uit het dagelijks leven van de kinderen en een screenshot van het computersysteem Magister met betrekking tot [B.] (zonder dat daarop de naam van de school is te zien).

(…)

De beslissing

(…)

veroordeelt de moeder om de informatieverplichting jegens de vader na te komen, aldus dat zij eenmaal per kwartaal aan de vader doet toekomen een verslag waaruit blijkt hoe het met de kinderen gaat, één of meer foto’s van de kinderen in hun dagelijks leven en een screenshot van het computersysteem Magister met betrekking tot [B.] zoals hiervoor weergegeven, met dien verstande dat het verstrekken van de betreffende informatie voor de eerste keer uiterlijk op 1 juli 2018 dient te geschieden:

veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 100,- per dag of dagdeel dat zij – na betekening van deze uitspraak – niet aan haar informatieverplichting zoals hiervoor opgenomen, voldoet, met een maximum van € 2.500,-.

(…)”

2.3.

Op een foto van een aangetekend poststuk, bewijs van verzending en bewijs van bezorging van PostNl is te zien dat het poststuk op 26 juni 2020 is verzonden naar het woonadres van [eiser/verweerder]. Het handschrift op de enveloppe is van [gedaagde/eiseres]. Op het verzendbewijs en de door PostNl geplaatste tekst op de brief, staat dat het poststuk 28 gram weegt. Volgens het bezorgbewijs is het poststuk op het woonadres van [eiser/verweerder] op 30 juni 2020 om 13:08 uur bezorgd. De handtekening voor ontvangst op het bezorgbewijs is niet van [eiser/verweerder] en zijn naam is verkeerd gespeld onder het vak waar de handtekening is gezet.

2.4.

Op 24 juli 2020 mailt [eiser/verweerder] naar de advocaat van [gedaagde/eiseres], dat [gedaagde/eiseres] verzuimd heeft de drie maanden-update over [B.] te sturen. Hij vraagt per omgaande de update over [B.] te sturen met opgaaf van reden voor het verzuim. In de periode erna is er e-mailcorrespondentie tussen (onder meer) de advocaat van [gedaagde/eiseres] en [eiser/verweerder].

2.5.

Op 25 september 2020 is wederom een aangetekend poststuk afkomstig van [gedaagde/eiseres] naar het woonadres van [eiser/verweerder] verzonden. Volgens het bezorgbewijs is het poststuk op 28 september 2020 om 12:16 uur aldaar bezorgd. Het poststuk weegt volgens de vermelding van PostNl 60 gram. Het poststuk bestaat uit twee kwartaal verslagen gedateerd 25 juni 2020 en 26 september 2020. Tevens is een overzicht van de cijfers uit het computersysteem Magister van periode ED04, een rapport van schooljaar 2019-2020 en een tweetal foto’s van [B.] bijgevoegd.

2.6.

Op 29 september 2020 heeft de deurwaarder een exploot aan [gedaagde/eiseres] betekend waarin is vermeld dat zij niet tijdig aan de informatieverplichting heeft voldaan waardoor er met ingang van 2 juli 2020 dwangsommen zijn verbeurd ad € 100,00 per dag en wel tot het maximum van € 2.500,00.

2.7.

Op 30 september 2020 heeft [eiser/verweerder] (de advocaat van) [gedaagde/eiseres] per e-mail erop gewezen dat de deadline van een nieuwe kwartaalupdate de volgende dag zou verstrijken.

2.8.

De advocaat van [gedaagde/eiseres] heeft de deurwaarder per e-mail van 1 oktober 2020 bericht dat [gedaagde/eiseres] zowel eind juni als eind september 2020 heeft zorggedragen voor een kwartaalupdate aan [eiser/verweerder] en dat uit de bijgevoegde ontvangstbewijzen blijkt dat de updates tijdig bij [eiser/verweerder] zijn bezorgd.

2.9.

Op 23 december 2020 is een aangetekend poststuk afkomstig van Bruins advocatuur naar het woonadres van [eiser/verweerder] gestuurd. Volgens het bezorgbewijs is het poststuk op 24 december om 14:17 uur aldaar bezorgd. Het poststuk bestaat uit een kwartaal verslag van 23 december 2020, een foto van [B.] en een overzicht van de cijfers uit het computersysteem Magister van periode ED04.

2.10.

Op 4 januari 2021 schrijft [eiser/verweerder] aan de advocaat van [gedaagde/eiseres] onder meer:

Van de week is een aangetekend brief in mijn postbus gedumpt, wederom niet in ontvangst mogen nemen. De brief heb ik niet geopend aangezien ik niet kan vertrouwen wat voor claim u daaraan wil verbinden. Vandaar mijn vraag aan u. Wat voor brief hebt u naar mij hebt gestuurd en wat is de reden daarvan?”

3 Het verzoek

3.1.

De deurwaarder heeft zich tot de voorzieningenrechter gewend. De deurwaarder geeft aan dat er dient te worden overgegaan tot de executie van de verbeurde dwangsommen en het leggen van executoriaal beslag, maar dat er een bezwaar is gerezen, waardoor onverwijld een voorziening nodig is. Het bezwaar ligt volgens de deurwaarder in de onduidelijkheid die er ligt of er door [gedaagde/eiseres] is voldaan aan haar informatieverplichting ten aanzien van [eiser/verweerder] door verzending van de informatie per aangetekende brief en waarbij PostNl heeft aangegeven dat het betreffende poststuk is bezorgd.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beantwoording van die vraag dient uitgangspunt te zijn dat bij de tenuitvoerlegging van executoriale titels geen twijfel mag bestaan dat de titel deze in voldoende mate legitimeert. In de onderhavige procedure ziet de beoogde executie op de incasso van dwangsommen die [gedaagde/eiseres] op grond van het proces-verbaal van uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam verbeurt op het moment dat zij niet tijdig aan de aan haar opgelegde informatieverplichting voldoet.

4.2.

[gedaagde/eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij geen dwangsommen heeft verbeurd. Zij voert aan dat zij de kwartaalupdates met vervaldata 1 juli 2020, 1 oktober 2020 en 1 januari 2021 per aangetekende post naar [eiser/verweerder] heeft gestuurd. Volgens de bezorgbewijzen van PostNl zijn de aangetekende poststukken op tijd (voor de vervaldata) bij [eiser/verweerder] bezorgd, aldus [gedaagde/eiseres].

4.3.

[eiser/verweerder] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde/eiseres] niet aan haar verplichtingen die volgen uit de uitspraak van het Gerechtshof heeft voldaan. [eiser/verweerder] betwist dat hij de kwartaalupdates op tijd heeft ontvangen nu de postbezorger de brieven niet aan hem heeft overhandigd en hij bovendien niet voor ontvangst van de brieven heeft getekend. Daarbij meent [eiser/verweerder] dat de updates niet per post naar hem gestuurd moeten worden, omdat dit zo bij het Gerechtshof is afgesproken. Om die reden werden de updates voorheen altijd per e-mail via de advocaten van partijen naar hem werden verzonden. Op die manier kunnen discussies over de inhoud van de stukken en het ontvangst daarvan worden voorkomen, zo stelt [eiser/verweerder]. Omdat niet aan de buitenkant van de enveloppen te zien is wat erin zit, meent [eiser/verweerder] dat [gedaagde/eiseres] de mogelijkheid heeft om met de stukken te sjoemelen door bijvoorbeeld een verslag van één regel of een foto van slechte kwaliteit bij te voegen. Om dat te ondervangen wenst [eiser/verweerder] de kwartaalupdates niet per post maar bijvoorbeeld per e-mail te krijgen. Bovendien interpreteert [eiser/verweerder] overweging 7 van het arrest van het Gerechtshof op die manier dat een screenshot uit het computersysteem Magister waaruit de schoolresultaten van [B.] blijken meer zou moeten omvatten dan enkel de cijfers. [eiser/verweerder] meent dat hij ook inzicht zou moeten krijgen in de absenties, gespreksnotities van evaluatiegesprekken met de mentor en overige afspraken die uit Magister zouden blijken.

4.4.

Anders dan [eiser/verweerder] is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de uitspraak van het Gerechtshof niet volgt dat een screenshot van het computersysteem Magister

meer moet omvatten dan een overzicht van de door [B.] behaalde cijfers. Evenmin volgt uit de uitspraak van het Gerechtshof dat de updates niet per post naar [eiser/verweerder] mogen worden verstuurd. Hoewel de updates in het verleden per e-mail (via de advocaten van partijen) naar [eiser/verweerder] zijn verstuurd, betekent dit niet dat een verplichting bestaat om [eiser/verweerder] per e-mail de gewenste informatie te verstrekken of dat het niet per post mag. Uit het arrest van het Gerechtshof is in ieder geval niet af te leiden dat de dwangsommen ook worden verbeurd indien de informatievoorziening per aangetekende post worden verstuurd in plaats van per e-mail, zodat [gedaagde/eiseres] ook aan de informatievoorziening kan voldoen door de gewenste informatie via de aangetekende post naar [eiser/verweerder] te sturen.

4.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde/eiseres] tijdig aan haar informatieverplichting voldaan, zodat geen dwangsommen zijn verbeurd. Het volgende acht de voorzieningenrechter daartoe redengevend. [gedaagde/eiseres] heeft aangevoerd dat zij de kwartaalupdates per aangetekende post heeft verstuurd en daarbij heeft zij de ontvangstbewijzen van PostNl overgelegd. Aan de hand daarvan mocht zij erop vertrouwen dat de brieven op tijd door [eiser/verweerder] zijn ontvangen. Weliswaar heeft [eiser/verweerder] terecht opgemerkt dat hij voor ontvangst van de brieven had moeten tekenen waarna de postbezorger de brieven aan hem had moeten overhandigen, maar in deze Coronatijd wijkt de uitreiking van aangetekende post af van hoe PostNl dit normaal doet. Het kan goed zijn dat de brief van [gedaagde/eiseres] die zij op 26 juni 2020 heeft verstuurd, niet is ontvangen door [eiser/verweerder]. Zijn naam is immers onjuist gespeld op het ontvangstbewijs en de handtekening is niet van hem. Dit wist [gedaagde/eiseres] toen zij het ontvangstbewijs zag, zo heeft zij op de zitting verklaard. Toch mocht [gedaagde/eiseres] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat het poststuk was ontvangen door [eiser/verweerder]. [gedaagde/eiseres] heeft er namelijk op gewezen dat het bezorgbeleid van PostNl op dit punt is aangepast vanwege de huidige omstandigheden rondom de Corona pandemie. De ontvanger dient nu de laatste 3 tekens van zijn ID-kaart aan de postbezorger door te geven waarna de postbezorger zelf tekent voor ontvangst en de brieven op veilige afstand bezorgd. Omdat het ontvangstbewijs van het poststuk “S34” vermeldt, was [gedaagde/eiseres] in de gerechtvaardigde veronderstelling dat [eiser/verweerder] de laatste 3 tekens van zijn ID-kaart had doorgegeven en het poststuk in ontvangst had genomen.

4.6.

De vraag is vervolgens of [gedaagde/eiseres] voldoende heeft aangetoond of zij met de inhoud van deze brief heeft voldaan aan haar informatieverplichting. Het verstuurde poststuk zelf is er niet om te controleren wat de inhoud ervan is. Maar [gedaagde/eiseres] heeft verklaard dat zij de inhoud ervan nogmaals heeft verstuurd bij de derde kwartaalupdate. De voorzieningenrechter acht het voldoende waarschijnlijk dat dit ook echt is gebeurd, gelet op het gewicht van beide poststukken (respectievelijk 28 en 60 gram) en de door [gedaagde/eiseres] overgelegde foto’s van de stukken die zij in het poststuk heeft gestopt. Bovendien heeft [eiser/verweerder] het poststuk dat op 25 september 2020 is verstuurd, naar de zitting meegenomen. Dit is door de rechter met zijn instemming geopend en daarin zat de update over zowel het tweede als het derde kwartaal. De voorzieningenrechter neemt daarom aan dat het poststuk van 26 juni 2020 een update over het tweede kwartaal bevatte.

4.7.

Uit de uitspraak van het Gerechtshof volgt dat de kwartaalupdates een verslag moet bevatten waaruit blijkt hoe het met de kinderen gaat, één of meer foto’s uit het dagelijks leven van de kinderen en een screenshot van het computersysteem Magister waaruit de schoolresultaten blijken. De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat de door [eiser/verweerder] meegenomen poststukken de kwartaalupdates, zoals hiervoor omschreven, met vervaldata 1 juli 2020, 1 oktober 2020 en 1 januari 2021 bevatten. De voorzieningenrechter volgt [eiser/verweerder] niet dat de verstrekte informatie te summier is. De foto’s van [B.] zijn van voldoende kwaliteit en grootte en het verslag over [B.] is eveneens voldoende. Hiervoor is al geoordeeld dat dit ook geldt voor de informatie uit Magister.

4.8.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de deurwaarder de procedure nodeloos is gestart, zodat hij in de proceskosten veroordeeld zou moeten worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de deurwaarder de onderhavige procedure niet nodeloos is gestart. De deurwaarder heeft weliswaar getwijfeld over zijn aanpak en nadat hij overleg heeft gehad met een andere deurwaarder, heeft hij aanvankelijk de executie willen doorzetten. Nadat (de advocaat van) [gedaagde/eiseres] als reactie op het betekende exploot de deurwaarder heeft geïnformeerd dat zij aan de informatievoorziening heeft voldaan door de kwartaalupdates per aangetekende post naar [eiser/verweerder] te versturen en daarbij een foto van het poststuk en een afschrift van het verzend- en ontvangstbewijs te overleggen, is de deurwaarder (terecht) van de aangevangen executiemaatregelen teruggekomen. Gelet op de discussie van partijen over de vraag of [gedaagde/eiseres] aan haar informatieverplichting ten aanzien van [eiser/verweerder] heeft voldaan, was een uitspraak van de voorzieningenrechter daaromtrent noodzakelijk omdat [eiser/verweerder] wilde dat de deurwaarder verdere executiemaatregelen zou nemen.

4.9.

De deurwaarder heeft ter zitting verklaard dat hij kosten heeft gemaakt voor het exploot, het opstellen van het proces-verbaal en voor het feit dat hij bij de zitting aanwezig is geweest en dat hij die kosten graag vergoed wil zien. Omdat de deurwaarder de kosten voor het opstellen van het proces-verbaal en de kosten die hij in rekening had willen brengen voor het aanwezig zijn bij de zitting niet heeft onderbouwd, komen deze posten in ieder geval niet voor toewijzing in aanmerking. Bovendien heeft [eiser/verweerder] ter zitting opgemerkt dat hij door de deurwaarder niet op de verschuldigdheid van eventuele deurwaarderskosten met betrekking tot de onderhavige procedure is gewezen.

4.10.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De eis en beoordeling in reconventie

4.11.

[gedaagde/eiseres] heeft een eis in reconventie ingesteld, die inhoudt dat de rechtbank [eiser/verweerder] verbiedt nogmaals tot betekening en bevel over te laten gaan van het proces-verbaal van 22 maart 2018 terzake de daarin opgenomen dwangsommen, indien [gedaagde/eiseres] aantoont via het track-and-trace systeem van PostNl het via aangetekende post tijdig te hebben verstuurd. De voorzieningenrechter wijst deze eis af, omdat niet beslissend is of de informatie tijdig is verstuurd, maar of deze tijdig is ontvangen. Verder is ook de inhoud van het poststuk relevant voor de beoordeling of er al dan niet een dwangsom wordt verbeurd en daar houdt het gevraagde verbod geen rekening mee.

4.12.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

bepaalt dat [gedaagde/eiseres] heeft voldaan aan haar informatieverplichting en geen dwangsommen zijn verbeurd;

in reconventie

5.2.

wijst de eis in reconventie af;

in conventie en in reconventie

5.3.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J.C. Oltmans op 29 januari 2021.1

1 Conc.: