Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7811

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
15.132602.21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt een zestal feiten ten laste gelegd. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met onder meer een bewijsoverweging over het voorwaardelijk opzet bij een poging tot zware mishandeling en over het medeplegen bij een winkeldiefstal in verening. De rechtbank komt tot oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren aan verdachte, met strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.132602.21 (P)

Uitspraakdatum: 7 september 2021

Tegenspraak (ex art. 279 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2021 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum/ plaats]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 12 mei 2021 te Krommenie, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen tegen de ruit trappen en/of een haspel door de ruit te gooien, terwijl die [slachtoffer 1] op korte afstand van het raam stond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op of omstreeks 12 mei 2021 te Krommenie, gemeente Zaanstad opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt door tegen die ruit te trappen en/of een haspel door de ruit te gooien;

Feit 3:

hij op of omstreeks 19 mei 2021 te Zaandijk, gemeente Zaanstad opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Politie Noord-Holland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt door die telefoon tegen de grond te gooien;

Feit 4:

hij op of omstreeks 30 augustus 2020 te Wormer, gemeente Wormerland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 5:

hij op of omstreeks 11 september 2020 te Wormer, gemeente Wormerland een fles drank (merk Bacardi), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 6:

hij op of omstreeks 19 mei 2021 te Zaandijk, gemeente Zaanstad opzettelijk een ambtenaar,te weten [slachtoffer 3] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "sukkel", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat verdachte voor het bij feit 4 ten laste gelegde “medeplegen” dient te worden vrijgesproken.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 tenlastegelegde en daartoe – samengevat – aangevoerd dat op grond van de feiten en omstandigheden die blijken uit het dossier niet kan worden aangenomen dat er een aanmerkelijke kans is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster.

Ten aanzien van het onder feit 6 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat “sukkel” een relatief onschuldige belediging is en dit binnen de context waarin verdachte dit heeft geuit jegens de verbalisanten niet als beledigend kan worden aangemerkt, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging voor dit feit.

Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze kunnen worden bewezen, met dien verstande dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor het bij feit 4 ten laste gelegde “medeplegen”.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverweging feit 1

De beantwoording van de vraag of een gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft vanuit de achtertuin van de woning van aangeefster een grote tuinslanghaspel door het raam van haar woonkamer gegooid, waardoor de ruit die een afmeting van 1,5 meter bij 1,5 meter had en van dubbelglas was, brak waardoor de woonkamer en de gang bezaaid werden met (grote scherpe) glasscherven en -splinters.

Gelet op deze situatie gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte de haspel met behoorlijke kracht door de ruit heeft gegooid.

In weerwil van hetgeen door de verdachte zelf daarover is verklaard, gaat de rechtbank er op basis van de gebezigde bewijsmiddelen van uit dat aangeefster ten tijde van bovengenoemde handeling van verdachte in de woonkamer op ongeveer één meter afstand van het ingegooide raam stond en dat verdachte haar zag staan. Aangeefster heeft verklaard dat zij voelde dat de scherven tegen haar lichaam en gezicht aankwamen.

De rechtbank overweegt dat met name in het gezicht zich onbeschermde delen (ogen, neus, mond) bevinden, waarvan de functies door middel van de vrijgekomen glasscherven en -splinters ernstig verstoord kunnen geraken en er blijvende prominent aanwezige littekens in het aangezicht aan overgehouden kunnen worden, welk alles als zwaar lichamelijk letsel te kwalificeren is.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de combinatie van de kracht waarmee de haspel moet zijn gegooid en de grote scherven die daardoor de woonkamer in vlogen waar aangeefster toen stond, de kans dat aangeefster ten gevolge van dit handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen aanmerkelijk is. Door aldus te handelen, heeft verdachte niet alleen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard, maar deze kans ook bewust aanvaard. De rechtbank acht de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverweging feit 4

Anders dan de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte de onder feit 4 ten laste gelegde diefstal tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan.

Verdachte en medeverdachte -zijn vriendin - komen samen de winkel binnen, maken samen gebruik van één winkelwagen en zijn ook samen in de winkel op het moment dat verdachte goederen in de boodschappentas begint te stoppen. Vervolgens komt verdachte op enig moment met de boodschappentas met goederen het gangpad uitgelopen en begeeft hij zich naar de uitgang. Twee seconden later komt medeverdachte hetzelfde gangpad uitgelopen, om de in de winkelwagen achtergebleven goederen af te rekenen en ook de winkel te verlaten.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachte hebben nauw en bewust samengewerkt om de zich in de boodschappentas bevindende goederen toe te eigenen, zonder hiervoor te betalen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 12 mei 2021 te Krommenie, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een haspel door de ruit heeft gegooid, terwijl die [slachtoffer 1] op korte afstand van het raam stond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op 12 mei 2021 te Krommenie, gemeente Zaanstad opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan [slachtoffer 1], heeft vernield, door tegen die ruit te trappen en een haspel door de ruit te gooien;

Feit 3:

hij op 19 mei 2021 te Zaandijk, gemeente Zaanstad opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon , toebehorende aan Politie Noord-Holland, heeft vernield, door die telefoon tegen de grond te gooien;

Feit 4:

hij op 30 augustus 2020 te Wormer, gemeente Wormerland tezamen en in vereniging met een ander, diverse levensmiddelen, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 5:

hij op 11 september 2020 te Wormer een fles drank, merk Bacardi, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 6:

hij op 19 mei 2021 te Zaandijk, gemeente Zaanstad opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] (hoofdagent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "sukkel".

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Anders dan door de raadsman is aangevoerd, is de rechtbank, in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623, van oordeel dat “sukkel” een uitlating betreft die op zichzelf een beledigend karakter heeft en derhalve kan worden aangemerkt als een strafbare belediging in de zin van artikel 266 jo 267 Wetboek van Strafrecht.

De door de raadsman aangevoerde omstandigheden waaronder verdachte dit feit heeft begaan, maken dit oordeel geenszins anders.

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

Feit 1: poging tot zware mishandeling.

Feit 2 en 3, telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 5: diefstal.

Feit 6: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de maatregel

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: maatregel ISD) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat, indien de rechtbank komt tot oplegging van een gevangenisstraf, er een contactverbod jegens de moeder van verdachte, tevens aangeefster van feit 1, aan verdachte zal worden opgelegd.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om het onderzoek te heropenen en de reclassering onderzoek te laten doen naar een alternatief voor de maatregel ISD. De raadsman noemt daarbij de mogelijkheid van bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bij oplegging van de maatregel ISD in de uitspraak op te nemen dat de behandeling zal worden gericht op het middelengebruik, de financiën, huisvesting en het vinden van een baan.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gepoogd zijn moeder zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een grote tuinslanghaspel het raam aan de achterzijde van haar woning in te gooien terwijl zij zich in de woning op korte afstand van dat raam bevond. Zij voelde de glassplinters over haar gezicht en lichaam en het is een geluk dat zij niet ernstig gewond is geraakt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, waarvan één in vereniging gepleegd. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander en gezorgd voor overlast in de winkel.

Voorts heeft verdachte tweemaal een vernieling gepleegd. Hij heeft, nadat hij werd aangesproken door een verbalisant, de telefoon die verdachte van deze verbalisant gekregen had om zijn vriendin te bellen, met kracht op de grond gegooid.

Ook heeft verdachte, zoals hierboven al omschreven, nadat hij van zijn moeder haar huis niet binnen mocht gaan, het raam van de woning vernield, met een enorme ravage in de woning als gevolg. Bij beide feiten reageert verdachte met buitenproportionele agressie op een voor hem onwelgevallige situatie, hetgeen de rechtbank zorgelijk acht.

Tot slot heeft verdachte een ambtenaar gedurende de uitoefening van zijn beroep beledigd door “sukkel” naar hem te roepen.

Voorgaande feiten zijn kwalijke feiten, waarbij verdachte steeds de rechten en/of grenzen van een ander overschrijdt.

Het strafblad van verdachte beslaat negentien pagina’s en toont een verscheidenheid aan delicten, waaronder vermogensdelicten en delicten met een geweldselement (tegen personen en/of goederen). Er zijn reeds vele (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraffen aan hem opgelegd, maar dit heeft hem tot op heden er niet van weerhouden om weer strafbare feiten te plegen.

Het advies van de reclassering d.d. 19 augustus 2021 houdt onder meer in dat er reeds meerdere kansen zijn geboden aan verdachte om via toezicht en bijzondere voorwaarden te werken aan het voorkomen van recidive, maar dat alle pogingen tot op heden zijn gestrand, omdat verdachte recidiveert, andere impulsieve keuzes maakt of geen bestendige samenwerking aangaat met de behandelaren. Dit maakt dat zowel de behandelaren als de persoonlijke begeleider thans geen andere optie meer zien dan de oplegging van de maatregel ISD. Binnen de maatregel biedt dit een langere periode voor diagnose en het afstemmen van de voor verdachte benodigde behandeling. De kans op onttrekking aan voorwaarden schat de reclassering op dit moment in als hoog.

De rechtbank stelt vast dat het merendeel van de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte in de afgelopen vijf jaren driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging hiervan en er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Verdachte komt al op jonge leeftijd in aanraking met politie en justitie en heeft de afgelopen jaren een patroon aan delicten opgebouwd. Ondanks verschillende sancties en behandelingen blijft verdachte strafbare feiten plegen. Een voorwaardelijk kader is daarom naar het oordeel van de rechtbank thans een gepasseerd station.

De rechtbank is – overeenkomstig het advies van de reclassering – van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren dient te worden opgelegd. De maatregel ISD biedt verdachte de kans om een bestendige behandelrelatie op te bouwen en zijn leven een goede wending te geven.

Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen acht de rechtbank een heropening van het onderzoek teneinde de reclassering onderzoek te laten doen naar alternatieven voor de maatregel ISD niet aan de orde en wordt het verzoek van de raadsman daartoe afgewezen.

De rechtbank ziet geen noodzaak om, zoals gesuggereerd door de raadsman, aan te geven waarop de behandeling binnen de maatregel zou moeten worden gericht.

Teneinde de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de Politie Noord-Holland heeft de gemachtigde, [naam], een vordering tot schadevergoeding van € 257,80 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade betreft de aanschafwaarde van een Samsung A8 telefoon.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat niet kan worden vastgesteld of de overgelegde factuur ziet op het telefoontoestel uit de aangifte van dit feit.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de vordering is ingediend door politie Noord-Holland en de factuur is geadresseerd aan politie Rotterdam.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde rechtstreeks voortvloeit uit de onder 3 bewezen verklaarde vernieling van de telefoon. Uit de aangifte blijkt dat de vernielde telefoon een Samsung A8 betreft en de factuur ziet op de aanschafwaarde van hetzelfde type toestel. Voorts acht de rechtbank het goed mogelijk dat dergelijke producten voor de politie worden aangeschaft via een centraal punt in de organisatie en ziet de rechtbank ook voor het overige geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de ingediende vordering, welk bedrag evenmin onbillijk voorkomt.

De vordering zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: vernieling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 38m, 38n, 45, 57, 266, 267, 302, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Politie Noord-Holland geleden schade tot een bedrag van € 257,80 (tweehonderdzevenvijftig euro en tachtig cent), bestaande uit vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Politie Noord-Holland, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer Politie Noord-Holland de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 257,80 (tweehonderdzevenvijftig euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.D.M. Hazeu, voorzitter,

mr. M.E. Allegro en mr. A.M.A. Beckers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A.K. Ramdjan,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 september 2021.

Mr. Beckers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.