Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:775

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-02-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
15/201188-20 (A) en 15/053026-20 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terbeschikkingstelling met dwangverpleging na bewezenverklaring van veelvuldige ernstige bedreigingen en stelselmatige, intensieve belaging in een periode van enkele maanden.

De verdachte lijdt aan schizofrenie. Als gevolg daarvan was het realiteitsbesef van de verdachte zeer ernstig verstoord. Het handelen tegen de slachtoffers vloeide in zijn geheel voort uit en werd volledig aangestuurd door de paranoïde wanen van de verdachte en de daaruit voortvloeiende verstoorde realiteitstoetsing, samenhangend met zijn schizofrene stoornis. De feiten kunnen de verdachte daarom niet worden toegerekend. Hij is niet strafbaar en krijgt een maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15-201188-20 (A) en 15-053026-20 (B) (P)

Uitspraakdatum: 2 februari 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 januari 2021 in de zaken tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum en -plaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

op dit moment gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum, in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.M. van der Most, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. A.J.J. van der Heiden, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij

ten aanzien van zaak A

feit 1

in of omstreeks de periode van 10 februari 2020 tot en met 18 juli 2020 te Den Helder en/of Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door op zijn openbare Facebookpagina te plaatsen:

- foto’s van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of hun dochter ( [xx] ) en/of

- een grote hoeveelheid filmpjes en berichten waarin hij, verdachte, zich bedreigend, intimiderend en beledigend uit jegens die [slachtoffer 1] en/of de familieleden van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , onder meer door te zeggen (p. 45-64):

“Kleine mededeling voor [slachtoffer 1] . Ik ben ook familie van je in Frankrijk tegengekomen. Ik zou de waarheid maar vertellen de tijd dringt." en/of

“Luister heel goed wat ik te zeggen hebben, voor de zomer ben ik herenigd met mijn gezin ( [slachtoffer 2] en [xx] )” en/of

“Als jij ons kind met [slachtoffer 1] en zijn ouders meegeeft ... ken je dat nummer van Iron Maiden? Bring your daughter to the slaughter .. want dat is wat je doet dan” en/of

“Vrijdag voor 6en heeft mijn dochtertje ( [xx] ) mij een knuffel gegeven die ze heel graag wil geven. Daar word maar aan gehouden of het word de grootste bloedbad van de geschiedenis” en/of

“De kleine ( [xx] ) krijgt haar knuffel, wie het nou leuk vind of niet. Want ik laat haar gewoon weghalen” en/of

“Ik zal je 1 ding zeggen: Als je bij die kanker [slachtoffer 1] blijft word die klein afgepakt. Dat is je keuze die je moet maken.” en/of

“En dan plaats ik weer die foto's want [slachtoffer 1] ik maak je hele kanker familie af met je geouwehoer.” en/of

- via Facebook Messenger directe berichten van gelijke aard naar die [slachtoffer 2] te sturen

met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

feit 2

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 mei 2020 tot en met 18 juli 2020 te Haarlem en/of Den Helder, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, door op Facebook (onder de naam [MB] ) filmpjes te plaatsen waarin hij, verdachte, onder meer zegt:

- “ Kleine mededeling voor [slachtoffer 1] . Ik ben ook familie van je in Frankrijk tegen gekomen. Ik zou de waarheid maar vertellen de tijd dringt. Kijk maar wat er in Mexico gebeurd is met leugenaars .. Dan word je in de fik gestoken, je hebt niet lang meer” en/of

- “ He [slachtoffer 1] hoe ziek ben jij en je kanker ouders. En ik ga een bloedbad van jullie kankerlijers maken .. en ik meen echt wat ik zeg” en/of

- “ Want ze kwamen erachter he [slachtoffer 1] met je kanker familie (..) ik ga jullie afslachten” en/of

- “ Hun wil ik verbrand hebben! [slachtoffer 1] en je kanker ouders” en/of

- “ [slachtoffer 1] , je hebt een bullseye op je familie gezet. Maar van [slachtoffer 2] blijf je af en die kleine. nou ga ik op killing spree” en/of

- “ [slachtoffer 1] dead man walking, his parents also” en/of

- “ [slachtoffer 1] ik maak je hele kanker familie af” en/of

- “ [slachtoffer 1] je gaat eraan, viezerik. Samen met die kanker ouders van je”

- “ Speciaal voor jou [slachtoffer 1] . Omdat je ging tegenhouden dat ik het prive kom uitleggen moet ik het openbaar doen. Maar maak je niet druk, je hele stamboom wordt uitgeroeid over de hele wereld”

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 3

op of omstreeks 1 augustus 2020 te Heiloo zijn regiebehandelaar, werkzaam bij GGZ Noord-Holland-Noord, locatie [yy] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door (tegen een verpleegkundige, eveneens werkzaam bij GGZ Noord-Holland-Noord) over die regiebehandelaar te zeggen dat het legioen en hij haar hele stamboom gaan uitzoeken en uitroeien, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


ten aanzien van zaak B

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 februari 2020 tot en met 17 februari 2020 te Den Helder en/of Haarlem, althans in Nederland, telkens [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op facebook (van verdachte onder naam [MB] ) filmpjes te plaatsen waarin hij, verdachte, zegt:

- ( op 10 februari 2020:) 'Je weet wat dit is he. Een sateprikkertje. Ik ga hier wat mee doen. Vieze vetklep, deze krijg je in je pisbuis en ik ga er weerhaakjes aan maken. Zo'n smeerlap ben jij dat ik dit bij je wil doen. Gewoon met een satéprikker en die druk ik dan helemaal je pisbuis in.' en/of

- ( op 16 februari 2020:) 'En [slachtoffer 1] toen zij je door had, toen vertelde je iemand. Of toen zei je iets. Dan vind ik een andere blonde die er wel intrapt. Ik en nog iemand gaan je slachten' en/of

- ( op 17 februari 2020:) 'En [slachtoffer 1] , ik ga je kop in de grond stampen net zoals m’n vader'.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feiten 1, 2 en 3 in zaak A en het feit in zaak B.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak feit 3 in zaak A

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte onder feit 3 in zaak A wordt verweten. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden feiten 1 en 2 in zaak A en het feit in zaak B

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van feiten 1 en 2 in zaak A en het feit in zaak B. Omdat sprake is van een bekennende verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:

[…]

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2 in zaak A en het feit in zaak B heeft begaan, met dien verstande dat hij

ten aanzien van zaak A

feit 1

in de periode van 10 februari 2020 tot en met 18 juli 2020 te Den Helder en/of elders in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door op zijn openbare Facebookpagina te plaatsen:

- foto’s van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of hun dochter ( [xx] ) en

- een grote hoeveelheid filmpjes en berichten waarin hij, verdachte, zich bedreigend, intimiderend en beledigend uit jegens die [slachtoffer 1] en/of de familieleden van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , onder meer door te zeggen (p. 45-64):

“Kleine mededeling voor [slachtoffer 1] . Ik ben ook familie van je in Frankrijk tegengekomen. Ik zou de waarheid maar vertellen de tijd dringt." en

“Luister heel goed wat ik te zeggen hebben, voor de zomer ben ik herenigd met mijn gezin ( [slachtoffer 2] en [xx] )” en

“Als jij ons kind met [slachtoffer 1] en zijn ouders meegeeft ... ken je dat nummer van Iron Maiden? Bring your daughter to the slaughter .. want dat is wat je doet dan” en

“Vrijdag voor 6en heeft mijn dochtertje ( [xx] ) mij een knuffel gegeven die ze heel graag wil geven. Daar word maar aan gehouden of het word de grootste bloedbad van de geschiedenis” en

“De kleine ( [xx] ) krijgt haar knuffel, wie het nou leuk vind of niet. Want ik laat haar gewoon weghalen” en

“Ik zal je 1 ding zeggen: Als je bij die kanker [slachtoffer 1] blijft word die klein afgepakt. Dat is je keuze die je moet maken.” en

“En dan plaats ik weer die foto's want [slachtoffer 1] ik maak je hele kanker familie af met je geouwehoer.” en

- via Facebook Messenger directe berichten van gelijke aard naar die [slachtoffer 2] te sturen met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

feit 2

op tijdstippen in de periode van 25 mei 2020 tot en met 18 juli 2020 te Den Helder en/of elders in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, door op Facebook onder de naam [MB] filmpjes te plaatsen waarin hij, verdachte, onder meer zegt:

- “ Kleine mededeling voor [slachtoffer 1] . Ik ben ook familie van je in Frankrijk tegen gekomen. Ik zou de waarheid maar vertellen de tijd dringt. Kijk maar wat er in Mexico gebeurd is met leugenaars .. Dan word je in de fik gestoken, je hebt niet lang meer” en

- “ He [slachtoffer 1] hoe ziek ben jij en je kanker ouders. En ik ga een bloedbad van jullie kankerlijers maken .. en ik meen echt wat ik zeg” en

- “ Want ze kwamen erachter he [slachtoffer 1] met je kanker familie (..) ik ga jullie afslachten” en

- “ Hun wil ik verbrand hebben! [slachtoffer 1] en je kanker ouders” en

- “ [slachtoffer 1] , je hebt een bullseye op je familie gezet. Maar van [slachtoffer 2] blijf je af en die kleine. nou ga ik op killing spree” en

- “ [slachtoffer 1] dead man walking, his parents also” en

- “ [slachtoffer 1] ik maak je hele kanker familie af” en

- “ [slachtoffer 1] je gaat eraan, viezerik. Samen met die kanker ouders van je” en

- “ Speciaal voor jou [slachtoffer 1] . Omdat je ging tegenhouden dat ik het prive kom uitleggen moet ik het openbaar doen. Maar maak je niet druk, je hele stamboom wordt uitgeroeid over de hele wereld”;

ten aanzien van zaak B

op tijdstippen in de periode van 10 februari 2020 tot en met 17 februari 2020 te Den Helder [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door op Facebook onder naam [MB] filmpjes te plaatsen waarin hij, verdachte, zegt:

- op 10 februari 2020: 'Je weet wat dit is he. Een sateprikkertje. Ik ga hier wat mee doen. Vieze vetklep, deze krijg je in je pisbuis en ik ga er weerhaakjes aan maken. Zo'n smeerlap ben jij dat ik dit bij je wil doen. Gewoon met een satéprikker en die druk ik dan helemaal je pisbuis in.' en

- op 16 februari 2020: 'En [slachtoffer 1] toen zij je door had, toen vertelde je iemand. Of toen zei je iets. Dan vind ik een andere blonde die er wel intrapt. Ik en nog iemand gaan je slachten' en

- op 17 februari 2020: 'En [slachtoffer 1] , ik ga je kop in de grond stampen net zoals m’n vader'.

Wat aan de verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 in zaak A:

belaging;

ten aanzien van feit 2 in zaak A en het feit in zaak B

telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het psychiatrisch onderzoeksrapport van 27 oktober 2020 van psychiater V. en het psychologisch onderzoeksrapport van 28 oktober 2020 van psycholoog Y., beide opgemaakt ten aanzien van zaak A. De conclusies van de deskundigen luiden, kort samengevat, dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie. Deze stoornis was ten tijde van de gepleegde feiten in zaak A bij de verdachte aanwezig. Als gevolg daarvan was het realiteitsbesef van de verdachte zeer ernstig verstoord. Het handelen tegen [slachtoffer 1] en zijn vrouw vloeide in zijn geheel voort uit en werd volledig aangestuurd door de paranoïde wanen van de verdachte en de daaruit voortvloeiende verstoorde realiteitstoetsing, samenhangend met zijn schizofrene stoornis. Beide deskundigen adviseren daarom de feiten in zaak A in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 in zaak A volledig ontoerekeningsvatbaar. Gelet op de overlappende pleegperiodes van feit 1 in zaak A en het feit in zaak B wordt het advies van de deskundigen ook geacht betrekking te hebben op het gepleegde feit in zaak B. De rechtbank acht de verdachte daarom ook ten aanzien van dit feit volledig ontoerekeningsvatbaar. De door de verdachte gepleegde feiten kunnen hem niet worden toegerekend wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Dat betekent dat de verdachte niet strafbaar is, zodat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 Motivering van de maatregel

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, nu hij volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en gelet op het hoge recidivegevaar, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, maar om over te gaan tot verlening van een machtiging voor een gedwongen zorgtraject als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet Forensische Zorg. Volgens de verdediging blijkt uit de bevindingen van de psychiater dat de verdachte niet agressief is en dat de eerdere agressie van de verdachte tegen zijn vader een exces was. Verder voert de verdediging aan dat het advies van de psycholoog tot oplegging van terbeschikkingstelling niet ter zake doet, omdat dat advies lijkt te zijn ingegeven door financiële motieven (in het kader van de afweging tussen terbeschikkingstelling en een civiele zorgmachtiging) en niet inhoudelijk verband houdt met de mogelijke problematiek.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Strafoplegging is uitgesloten, omdat, zoals hiervoor onder 5. is overwogen, de rechtbank de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar acht. Wel biedt de wet de mogelijkheid tot oplegging van een maatregel. Bij de beslissing hierover heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer een half jaar schuldig gemaakt aan veelvuldige ernstige bedreigingen van slachtoffer [slachtoffer 1] en stelselmatige, intensieve belaging van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door middel van berichten op zijn publiek toegankelijke Facebookpagina en rechtstreekse Messenger berichten aan [slachtoffer 2] . Door aldus te handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hen veel angst aangejaagd. Daarnaast veroorzaken dergelijke misdrijven, in het bijzonder ook door de intensiteit en de stelselmatigheid van de bedreigingen en de belaging via een publieke Facebookaccount, in de samenleving onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.

Uit het hiervoor genoemde psychiatrisch onderzoeksrapport van 27 oktober 2020 van psychiater V. en het psychologisch onderzoeksrapport van 28 oktober 2020 van psycholoog Y. blijkt dat beide deskundigen adviseren tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het rapport van de psychiater houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van schizofrenie. Er was in het kader van deze schizofrene stoornis sprake van een floride psychotisch toestandsbeeld ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Dat toestandsbeeld beïnvloedde de gedragskeuzes van betrokkene en zijn gedragingen ten tijde van het plegen van de feiten. Bij betrokkene is sprake van een uitgebreid waansysteem betreffende aangevers. Rapporteur is van mening dat de psychotische klachten van betrokkene (specifiek de floride wanen en de hieruit voortvloeiende gestoorde realiteitstoetsing) in dusdanig sterke mate hebben doorgewerkt in de feiten dat zij betrokkenes zicht op zijn handelen volledig ontnomen hebben.

De kans op recidive op vergelijkbare feiten wordt zowel vanuit het gewogen klinische oordeel als de gestructureerde risicotaxatie als hoog ingeschat. Beschermende factoren zijn haast niet te noemen, behoudens dat betrokkene een eigen woning heeft en de schatting is dat er nog mogelijkheden onbenut zijn voor eventuele toekomstige behandelinterventies. Er is in sterke mate sprake van risicofactoren, waaronder een eerdere geweldpleging, overig antisociaal gedrag, gebrek aan intieme relaties, de aanwezigheid van een ernstige psychiatrische stoornis met thans actieve symptomen, het ontbreken van ziektebesef en –inzicht, en de overwegend afwijzende houding ten opzichte van hulpverlenende instanties. Deze risicofactoren zullen onderling negatief op elkaar ingrijpen en het extra ingewikkeld maken voor betrokkene te accepteren dat hij hulp nodig heeft, alsmede dat niet aannemelijk geacht wordt dat betrokkene, vanuit al deze factoren en zonder behandelkader, in staat zal zijn zelfstandig zijn gedrag aan te passen.

Op basis van de ernst en chroniciteit van de problematiek, alsmede eerdere niet geslaagde behandeltrajecten, wordt een intensief behandel- en begeleidingstraject van jaren nodig geacht met een klinische start en een voldoende mate van beveiliging, om het recidiverisico op soortgelijke feiten te reduceren. Binnen een dergelijke behandeling zal aandacht moeten zijn voor medicamenteuze behandelinterventies (mogelijk via een dwangtraject), aanvullende diagnostiek naar bijvoorbeeld betrokkenes cognitieve functioneren en het reduceren van andere risicofactoren, zoals het gebrek aan zingevende dagbesteding en beperkte sociale inbedding.
Gezien de ernst van de ten laste gelegde feiten (indien bewezen), de mate van doorwerking, het hoog geschatte recidiverisico, de geschatte benodigde behandelduur en de mate van beveiliging, is rapporteur van mening dat behandeling in het kader van een tbs-maatregel noodzakelijk is ter beperking van het recidivegevaar. Hoewel rapporteur de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden overwogen heeft, bestaat als gevolg van betrokkenes ontbrekende ziektebesef en –inzicht, alsmede zijn afwerende houding ten opzichte van hulpverlenende instanties, onvoldoende vertrouwens in het slagen van een behandeltraject in een dergelijk kader.
Voor de volledigheid van het advies kan rapporteur nog vermelden dat overwogen is of middels art. 2.3 Wet Forensische Zorg, via een civiele machtiging, een gedwongen zorgtraject te adviseren zou zijn. Zij heeft echter op basis van de beperkte behandelduur van een dergelijke zorgmachtiging, alsmede het feit dat niet te onderbouwen is dat de GGZ in eerdere (forensische) behandeltrajecten voldoende geëquipeerd is geweest tot een voldoende bestendige stabilisatie van betrokkenes psychische klachten, evenmin vertrouwen dat binnen een dergelijk kader het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd kan worden.


Rapporteur adviseert aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Het rapport van de psycholoog houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Betrokkene komt in het onderhavige onderzoek naar voren als een man met een belast verleden en schizofrenie, waarbij voornamelijk paranoïde waanbeelden en agitatie op de voorgrond staan. De uit schizofrenie voortkomende psychotische symptomen waren ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes van betrokkene en zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.

Het is voor onderzoeker onmogelijk om contact met betrokkene te krijgen. Wegens zijn gebrek aan ziektebesef kan hij er niet tegen dat er hem wordt verteld dat hij schizofrenie heeft. Betrokkene is achterdochtig en vertrouwt geen mensen. Vanuit de schizofrenie denkt hij in complottheorieën. Zijn waansysteem is het afgelopen jaar zodanig uitgebreid dat hij zijn belagende en bedreigende gedrag verklaart vanuit deze waanachtige ideeën.

Dit alles overziend en wegend, wordt ingeschat dat de schizofrenie en het daaruit voortvloeiende psychotische toestandsbeeld ten tijde van de hem tenlastegelegde feiten het denken en het handelen van betrokkene volledig hebben bepaald.

Bij een afweging van risico en beschermende factoren wordt het risico bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij als hoog geduid. Er is in enige mate sprake van vaste inkomsten en goed financieel beheer (betrokkene ontvangt een Wajong uitkering) en professionele hulpverlening is in enige mate aanwezig, wat beschermende functies zijn. Als risicofactoren komen naar voren dat er sprake is van een geschiedenis van geweld, overig antisociaal gedrag, werk, middelengebruik, ernstige psychische stoornis, traumatische ervaringen, respons op behandeling of toezicht. Op de klinische items komen als risicofactoren naar voren dat betrokkene recente problemen heeft met: inzicht in stoornis, inzicht in de noodzaak van behandeling, symptomen van ernstige psychische stoornis, instabiliteit en respons op behandeling of toezicht. Uit de risico hanteringsitems komen als risicofactoren naar voren dat er toekomstige problemen worden verwacht met: professionele ondersteuning en plannen, leefomstandigheden, persoonlijke steun, respons op behandeling of toezicht, responsiviteit en stress/coping.

Gelet op het feit dat er bij betrokkene sprake is van een psychotische stoornis in combinatie met volledige doorwerking in de hem ten laste gelegde feiten en het hoge recidiverisico, kan er van een behandelnoodzaak worden gesproken. Betrokkene kreeg in 2009 zijn eerste psychose en ontregelt sindsdien veelvuldig. Cruciaal bij betrokkene is het stabiliseren en behouden van een psychiatrisch stabiel toestandsbeeld en het voorkomen van psychotische ontregelingen in de toekomst. Een eerste belangrijk punt waar behandeling zich op dient te focussen is het verkrijgen en behouden van dit stabiele toestandsbeeld middels medicatie. Een intensieve klinische behandeling wordt noodzakelijk geacht om betrokkene goed op medicatie in te stellen en voldoende ziektebesef bij hem te ontwikkelen om aan medicatietrouw te werken. Daarnaast is er bij betrokkene wegens zijn problematiek sprake van een wantrouwige en achterdochtige houding, waardoor een behandelrelatie met wederzijds vertrouwen van extra groot belang is. Voorts dient de behandeling zich (zoals voornoemd) te richten op het aanleren van adequate copingstrategieën en het creëren van zelf- en ziekte-inzicht. Daarnaast dient bij een stabieler toestandsbeeld meer inzicht te worden verkregen in de mogelijk doorgemaakte traumata van betrokkene waarna deze zo nodig kunnen worden behandeld.

Gezien de ernstige psychische stoornis van betrokkene (schizofrenie) en de volledige doorwerking hiervan in het tenlastegelegde en in combinatie met het hoge recidiverisico, is het van belang dat betrokkens behandeling in een stevig kader wordt vormgegeven. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en -besef en weigert medicatie te nemen. Daarnaast is de GGZ ook in zijn waansysteem betrokken geraakt en heeft hij daarover allerlei complottheorieën wat zijn motivatie voor behandeling nog meer verminderd. Onderzoeker is van mening dat, afgaande op de lange hulpverleningsgeschiedenis en betrokkene’s beperkte medewerking hieraan het weinig kans van slagen heeft om een behandeling in een voorwaardelijk kader op te leggen. Dit wordt onvoldoende geacht om de stabiliteit en behandeltrouw bij betrokkene te bewerkstelligen die noodzakelijk is voor het verminderen van het recidiverisico. Voorts wordt het kader van een zorgmachtiging via art. 2.3 van de Wet Forensische Zorg (WFZ) krachtens de Wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg (WVGZZ) als te beperkt gezien. Betrokkene zou in dit kader wel gedwongen opgenomen kunnen worden maar voor kortere periode (zes maanden). Na zes maanden zou deze periode wel weer verlengd kunnen worden maar voor wat de behandeling van betrokkene betreft, is bij aanvang al duidelijk dat dit langer dan zes maanden in beslag zal nemen. Voorts is het lastig om met een zorgmachtiging een plaatsing in een Forensische kliniek gefinancierd te krijgen waardoor hij mogelijk in de reguliere GGZ geplaatst zou kunnen worden, hetgeen zeer onwenselijk c.q. gecontra-indiceerd is. Het advies is daarom de genoemde behandeling binnen het kader van een TBS met dwangverpleging te laten plaatsvinden.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. Gelet op de overlappende pleegperiodes van feit 1 in zaak A en het feit in zaak B hecht de rechtbank ook betekenis aan het advies voor de op te leggen maatregel in verband met het gepleegde feit in zaak B.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de terbeschikkingstelling van de verdachte moet worden gelast en dat zijn verpleging van overheidswege moet worden bevolen, omdat bij hem tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, de door de verdachte begane feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de veiligheid van anderen het opleggen van deze maatregel eist.

De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat in dit geval de periode van vier jaar niet te boven, omdat de maatregel niet wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft tegen de verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 541,14 schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, wegens materiële schade (€ 41,14) en immateriële schade (€ 500,-) die hij als gevolg van het feit in zaak B zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, bestaande uit inkomstenderving door het opnemen van onbetaalde verlofuren, rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde. Anders dan de verdediging stelt, is die schade ook voldoende onderbouwd door de als bijlage 2 en 3 bij het schadevergoedingsformulier overgelegde urenverantwoording en salarisstrook. De gevorderde kosten in verband met het opnemen van drie onbetaalde verlofuren ten behoeve van een bezoek aan Slachtofferhulp Nederland acht de rechtbank ook niet onredelijk.

Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde op de zitting. Daarbij overweegt de rechtbank dat de bewezen verklaarde bedreigingen en belaging door de verdachte gedurende een langere periode van vele maanden een zeer ernstige inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij. De aard en de ernst van die normschending en de gevolgen daarvan, zoals onderbouwd in de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, zijn zodanig geweest dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een "aantasting in zijn persoon op andere wijze" in de zin van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

De vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade zal dan ook volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening ten aanzien van de materiële schade en vanaf 10 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening ten aanzien van de immateriële schade.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan de verdachte op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De wetsartikelen die van toepassing zijn, zijn de artikelen 36f, 37a, 37b, 285 en 285b Sr.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 in zaak A is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2 in zaak A en het feit in zaak B heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 in zaak A en het bewezen verklaarde feit in zaak B de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten niet strafbaar en ontslaat hem daarvoor van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van elk van de feiten:

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 541,14, bestaande uit € 41,14 voor vergoeding van materiële en € 500,- voor vergoeding van immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over € 41,14 vanaf 22 maart 2020 en over € 500,- vanaf 10 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte op als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 541,14, vermeerderd met de wettelijke rente over € 41,14 vanaf 22 maart 2020 en over € 500,- vanaf 10 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en omgekeerd dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,

mr. R.M. Steinhaus en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 februari 2021.