Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7674

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
27-09-2021
Zaaknummer
20/3463
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW; strafontslag wegens onbevoegd raadplegen GBA-V; beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond met dwangsom; beroep tegen bestreden besluit gegrond verklaard en vernietigd; aan eiseres de straf van een berisping opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3463


uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Sesver),

en

het bestuur van de Werkorganisatie BUCH, verweerder

(gemachtigde: mr. Tevette).

Procesverloop

In het besluit van 4 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres bij wijze van disciplinaire straf met ingang van 5 december 2019 ongevraagd en onvoorwaardelijk ontslag verleend.

Bij brief van 25 mei 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar en een dwangsom bij niet tijdig beslissen gevorderd. Eiseres heeft vervolgens op 14 juli 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.

Bij brief van 15 juli 2020 heeft verweerder eiseres bericht van het voornemen het bezwaar tegen het strafontslag ongegrond te verklaren en eiseres subsidiair ontslag te verlenen op andere gronden. Eiseres is in de gelegenheid gesteld op dit voornemen haar zienswijze te geven.

Bij besluit van 31 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, respectievelijk eiseres – subsidiair – met ingang van 5 december 2019 ontslag verleend vanwege de onherstelbare vertrouwensbreuk die is ontstaan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij mondelinge uitspraak van 17 september 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen het bestreden besluit toegewezen, het primaire besluit geschorst en onder meer bepaald dat verweerder de loondoorbetaling met ingang van 11 augustus 2020 hervat en doorbetaalt tot de bekendmaking van de uitspraak in de bodemprocedure.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn aanwezig: [naam 1] ( [functie 1] bij BUCH) en [naam 2] (afdeling HRM van BUCH).

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres is sedert 1 juli 1992 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) verweerder in de functie van medewerker [functie 2] .

Het team waartoe eiseres behoorde, bestond ten tijde in geding uit acht medewerkers. Medio 2017 is [functie 1] (hierna: [functie 1] ) in dienst getreden bij de gemeente Bergen. Per 4 mei 2019 is [functie 1] de [functie 3] van het team geworden.

De direct leidinggevende is [naam 3] , teammanager, (hierna: [naam 3] ) en de verantwoordelijk manager is de hiervoor genoemde [naam 1] , [functie 1] (hierna: [naam 1] ).

1.2.

Verweerder heeft eiseres in het kader van de uitoefening van haar functie

autorisatie toegekend voor de toegang tot de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA-V). Zij heeft daartoe een beveiligings- en geheimhoudingsverklaring ondertekend.

1.3.

Op 17 september 2019 en 25 september 2019 hebben enkele leden van het team het

GBA-V (de centrale component van de Basisregistratie Personen) geraadpleegd ten aanzien van [functie 3] [functie 1] , omdat – naar zij later hebben verklaard – binnen het team ernstige twijfel bestond over het waarheidsgehalte van hetgeen zij over een aantal zeer ingrijpende gebeurtenissen in haar leven had verteld. Ook hebben (een aantal) leden van het team contact gezocht met de externe vertrouwenspersoon en hiermee op 25 september 2019 gesproken. De vertrouwenspersoon heeft geadviseerd hiervan intern werk te maken. Daarop hebben ze op 26 september 2019 contact opgenomen met de gemeentesecretaris van Bergen, [naam 4] .

Op 26 september 2019 hebben een tweetal leden van het team een gesprek gehad met de heer [naam 5] , gemeentesecretaris van Uitgeest en portefeuillehouder P&O en hem gemeld dat [functie 1] eerder door de gemeente [plaats] op non-actief was gesteld wegens fraude en het daar ook niet zo nauw met de waarheid had genomen. Die middag heeft [functie 1] [naam 1] toegezegd een nader onderzoek in te stellen naar deze melding.

Op 30 september 2019 hebben [naam 1] en HRM-medewerker [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een gesprek gehad met [functie 1] maar niet over de vermeende life-events. Na contact door leden van het team met [naam 1] is dat alsnog gebeurd.

Op 1 oktober 2019 heeft een teamoverleg plaatsgevonden in aanwezigheid van

[naam 1] en [naam 2] . In dat gesprek is gemeld dat het GBA-V was geraadpleegd omdat vanuit de leiding niets was gedaan met de noodsignalen vanuit het team over [functie 1] .

Op 3 oktober 2019 heeft opnieuw een teamoverleg plaatsgevonden waarbij is besproken om het team te laten bijstaan door een psycholoog.

Op 10 oktober 2019 hebben een drietal leden van het team, waaronder eiseres, een gesprek gehad met [functie 1] .

Op 14 en 21 oktober 2019 heeft het team gesprekken gevoerd met drs. [naam 6] van [bedrijf] . [naam 6] heeft vervolgens een advies gegeven over het oplossen van de ontstane problematiek.

1.4.

Op 17 oktober 2019 en 22 oktober 2019 zijn de acht medewerkers van het team, waaronder eiseres, individueel gehoord door [naam 1] en [naam 2] over het niet-functioneel of onbevoegd raadplegen van de GBA-V om persoonlijke gegevens van [functie 1] en/of één of meer leden van haar familieleden op te zoeken, waardoor mogelijk sprake is geweest van een data-lek. Daarbij is gemeld dat met betrekking tot dit data-lek een voorlopige melding is gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens en dat deze Autoriteit een nader onderzoek eist.

Vijf van de acht medewerkers hebben vervolgens op 18 oktober 2019 een klacht ingediend tegen [naam 1] omdat zij op 17 oktober 2019 een kruisverhoor hebben moeten ondergaan en zij eisen dat de verklaringen worden vernietigd. De Algemeen directeur GR van verweerder heeft de klacht op 23 december 2019 ongegrond verklaard.

1.5.

Bij brieven van 30 oktober 2019 is aan vijf medewerkers van het team, waaronder eiseres, het voornemen kenbaar gemaakt hen wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en aan drie medewerkers een berisping te geven. Eiseres heeft op dit voornemen schriftelijk gereageerd en er heeft een mondelinge verantwoording plaatsgevonden.

1.6.

Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft verweerder, gelet op het voornemen tot een disciplinaire straf, eiseres per direct geschorst voor de duur van de nadere besluitvorming over de disciplinaire straf en heeft verweerder eiseres voor die periode ook de toegang tot en verblijf in de kantoren, werkplaatsen en andere arbeidsterreinen van BUCH ontzegd.

1.7.

Bij het primaire besluit is eiseres vervolgens met ingang van 5 december 2019 onvoorwaardelijk ontslag verleend bij wijze van disciplinaire straf op grond van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Verweerder heeft daarbij onmiddellijke tenuitvoerlegging bevolen.

Beroep niet tijdig beslissen

2.1.

Nu verweerder alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit. Tussen partijen is wel in geschil of de beslistermijn is overschreden. De beantwoording van de vraag of de beslistermijn is overschreden levert daarom nog wel een procesbelang op. De rechtbank zal eerst beoordelen of eiseres op goede gronden beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

2.2.

Het primaire besluit dateert van 4 december 2020 zodat de bezwaartermijn eindigt op 15 januari 2020. Omdat verweerder ten behoeve van de beslissing op het bezwaar gebruik maakt van een adviescommissie, bedraagt op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beslistermijn op het bezwaar 12 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Deze termijn tot het nemen van een beslissing op het bezwaar kan op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb maximaal worden verdaagd met 6 weken. Verweerder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, zodat de verlengde beslistermijn in beginsel is verstreken op 21 mei 2020.

2.3.

Op grond van artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb is verder uitstel mogelijk indien:

a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,

b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, of

c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

2.4.

Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb de beslistermijn op het bezwaar twee maal verdaagd: eerst bij brief van 15 mei 2021 “een laatste maal” met zes weken en vervolgens bij brief van 2 juli 2020 tot en met 15 juli 2020.

Eiseres heeft verweerder bij brief van 25 mei 2020 medegedeeld zich niet met deze verlenging te kunnen verenigen en heeft verweerder daarbij in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en gesommeerd binnen twee weken te beslissen op straffe van een dwangsom. Eiseres heeft daarop beroep ingesteld bij brief van 14 juli 2020 waarna verweerder het bestreden besluit heeft genomen op 16 juli 2020.

2.5.

Uit de gedingstukken, waaronder de brief van 25 mei 2020 en de email van de gemachtigde van eiseres van 6 juli 2020, volgt dat de gemachtigde betwist te hebben ingestemd met verdaging van de beslistermijn. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken noch anderszins blijkt dat eiseres op enigerlei moment (schriftelijk) heeft ingestemd met de verdagingen van 15 mei 2020 en/of 2 juli 2020. De rechtbank ziet daarom aanleiding aan te nemen dat eiseres niet heeft ingestemd met de verdere verdaging van de beslistermijn. Dat de gemachtigde van verweerder in die tussenliggende periode tevergeefs heeft getracht in contact te komen met de gemachtigde van eiseres is geen grond die verweerder disculpeert bij het overschrijden van de beslistermijn.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de maatregelen en de omstandigheden vanwege corona al dan niet in combinatie met de vergadermogelijkheden van de bezwaaradviescommissie op zich geen valide argumenten vormen die kunnen worden gerekend tot de omstandigheden waarop artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb ziet. Deze maatregelen en omstandigheden vanwege corona zijn op zich geen wettelijke procedurevoorschriften waarom moest worden verdaagd. Dat verweerder gehouden was op het advies van de bezwaarcommissie te wachten alvorens te kunnen beslissen is weliswaar een (wettelijk) procedurevoorschrift maar uit de aard en inhoud van de bepaling valt op te maken dat het moet gaan om andere wettelijke procedurevoorschriften dan de bezwaarprocedure zelf. In artikel 7:10 van de Awb is immers al een verlengde termijn voor het beslissen op bezwaar verdisconteerd van twaalf weken indien een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld.

2.6.

Het beroep dat verweerder in dit verband heeft gedaan op twee uitspraken van respectievelijk het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en de rechtbank Rotterdam slaagt ook niet, reeds omdat deze uitspraken zien op een andere beoordeling, te weten de overschrijding van de redelijke termijn van de berechting, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Anders dan de imperatief bepaalde beslistermijnen van artikel 7:10 van de Awb zien deze uitspraken op de overschrijding van de redelijke termijn op een door de rechtspraak ontwikkelde norm van de behandelingsduur van de berechting in bestuursrechtelijke procedures, waarbij juist uitdrukkelijk wel rekening kan worden gehouden met factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.7.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de wettelijke beslistermijn op het bezwaar is overschreden. De ingebrekestelling is verzonden per post en email waardoor verweerder geacht kan worden deze te hebben ontvangen op 26 mei 2020. Verweerder had daarom uiterlijk 10 juni 2020 moeten beslissen op het bezwaarschrift. Verweerder is op grond van artikel 4:17, eerste lid en derde lid, van de Awb een dwangsom verschuldigd twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling, dus met ingang van 11 juni 2020.

2.8.

Omdat verweerder eerst op 31 juli 2020 op het bezwaar heeft beslist en eiseres verweerder tijdig en geldig in gebreke heeft gesteld, heeft verweerder als gevolg daarvan de bestuurlijke dwangsom over de maximale periode van 42 dagen aan eiseres verbeurd. Het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar is daarom gegrond en op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige 14 dagen € 45,- per dag, in totaal € 1.442,-.

2.9.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten omdat eiseres het beroep heeft ingesteld om verweerder te bewegen een beslissing op haar bezwaar te nemen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5).

Het bestreden besluit van 31 juli 2020

3.1.

Aan de primaire grond voor het ontslag liggen de volgende redenen ten grondslag:

a. Eiseres heeft niet op juiste wijze overeenkomstig de gedragscode de (integriteits)twijfels omtrent het gedrag van de [functie 3] gereageerd; zij heeft deze niet besproken met de [functie 3] zelf noch deze besproken met een leidinggevende.

b. Eigenstandig met enkele collega’s bepalen of en hoe de ontstane twijfels over de [functie 3] te onderzoeken;

c. Eiseres heeft op 25 september 2019 in ieder geval met één collega meegekeken tijdens het niet-functioneel raadplegingen in de GBA-V inzake de gegevens van de [functie 3] en haar moeder. Verweerder meent dat eiseres minimaal met twee raadplegingen heeft meegekeken.

d. Nadat eiseres op 25 september 2019 had meegekeken in de GBA-V heeft zij hiervan niet alsnog zo spoedig mogelijk melding heeft gemaakt bij de leidinggevende of andere aangewezen functionarissen;

e. Het niet melden van het niet-functioneel raadplegen van de GBA-V door andere collega’s van het team nadat zij daarover met eiseres hadden gesproken;

f. Het zich niet houden aan de dienstopdracht om het op 17 oktober 2019 besprokene geheim te houden en ook niet te bespreken met de collega’s;

g. Het niet opvolgen van een dienstopdracht van 18 oktober 2019 door niet te verschijnen op het gesprek van 21 oktober 2019;

h. Eiseres heeft op 22 oktober 2019 geweigerd verdere openheid van zaken te geven over de feiten wie onder andere heeft meegekeken en wat met de informatie van GBA-V is gedaan, en zo ja, met wie;

i. Verweerder acht aannemelijk dat eiseres de dienstopdracht van 22 oktober 2019 niet opvolgt.

Verweerder meent daarom dat eiseres zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd.

3.2.

In het bestreden besluit heeft verweerder eiseres subsidiair ontslag verleend op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO. Verweerder stelt dat een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan die een onoverbrugbare impasse en een onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding tot gevolg heeft.

Verweerder baseert het ontslag op die grond enerzijds op de gedragingen van eiseres in het kader van de voorliggende redenen van het strafontslag en anderzijds het gegeven dat eiseres heeft aangegeven dat zij reeds vanaf 2017 geen vertrouwen meer heeft in de leiding en/of het management van BUCH, dat verweerder niet integer is en dat verschillende functionarissen van BUCH liegen of aanzetten tot liegen. Volgens verweerder bestaat ook daarom geen concreet zicht meer op een goede samenwerking en herstel van wederzijds vertrouwen. Verweerder meent dat de positie van eiseres daardoor onhoudbaar is geworden. In het kader van een passende regeling meent verweerder dat daartoe geen aanleiding is omdat het ontslag in overwegende mate aan eiseres is te wijten.

4. In beroep voert eiseres tegen het bestreden besluit het volgende aan:

- Ten tijde van de eerste raadpleging van de GBA-V op 17 september 2019 was zij reeds vanaf 1 september 2019 op vakantie. Zij is op 23 september 2019 teruggekomen van vakantie. Direct na terugkomst op 24 september 2019 heeft zij contact opgenomen met de vertrouwenspersoon en heeft daarmee een afspraak gemaakt. Eiseres meent dat zij daarmee heeft gehandeld volgens de gedragscode.

- Ten aanzien van het meekijken op 25 september 2019 voert eiseres aan dat een collega haar bij zich riep om haar iets op het scherm te laten zien. Zij wist niet wat zij te zien zou krijgen. De betreffende collega ( [naam 7] ) heeft ook verklaard dat het raadplegen toen door haar eigenstandig is gedaan. Dit kan eiseres niet worden toegerekend.

- Eiseres heeft na haar vakantie gelijk contact opgenomen met de vertrouwenspersoon en heeft het advies van de vertrouwenspersoon opgevolgd door daarna direct contact op te nemen met het hoger management. Op 1 oktober 2019 heeft zij tijdens een werkoverleg gemeld dat collega’s in de GBA-V hadden gekeken.

- Eiseres betwist dat verweerder haar op 17 oktober 2019 s een dienstopdracht heeft gegeven. De dienstopdracht was niet redelijk, is onvoldoende duidelijk gecommuniceerd en niet schriftelijk bevestigd.

- Het niet respecteren van een dienstopdracht die is gegeven aan collega’s levert geen plichtsverzuim op en kan niet aan eiseres worden toegerekend. Het verzoek om op vrijdag 18 oktober 2019 te komen heeft zij afgewezen, dit was haar vrije dag. Verweerder heeft het een dienstopdracht gemaakt om alsnog op 21 oktober 2019 te komen nadat eiseres had gezegd niet te willen komen zonder haar advocaat. Het had overigens op de weg van verweerder gelegen om hierover contact op te nemen met de gemachtigde. Een en ander valt eiseres niet toe te rekenen.

- Eiseres voelde zich tijdens het gesprek op 22 oktober 2019 in de steek gelaten, was onzeker en heeft geantwoord zo goed ze zich een en ander kon herinneren, maar meent dat haar kan niet worden aangerekend dat zij niet alles meer precies wist.

- Eiseres betwist verder ooit de gegevens van de GBA-V ten aanzien van de [functie 3] te hebben geraadpleegd.

Eiseres meent dat geen sprake is van plichtsverzuim, zodat geen bevoegdheid tot strafontslag bestaat. Een strafontslag of een ongeschiktheidsontslag is bovendien niet evenredig en staat niet in verhouding tot hetgeen eiseres wordt verweten. Er is geen sprake van een deugdelijke belangenafweging. Eiseres is reeds 29 jaar in dienst van verweerder en 35 jaar in dienst van de overheid. Zij heeft een onberispelijke staat van dienst.

5.2.

Wat betreft de subsidiaire ontslaggrond voert eiseres voorts nog aan dat verweerder haar met de kritiek op haar functioneren heeft overvallen. Ze heeft geen verbeterkans gekregen. Bij een vertrouwensbreuk ligt het op de weg van verweerder om een en ander op te lossen. Verweerder heeft niets ondernomen om het dienstverband in stand te houden. Er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden, terwijl voor eiseres grote financiële belangen op het spel staan. Eiseres betwist dat de arbeidsverhoudingen zijn verstoord. Verweerder dient een passende regeling te bieden nu er geen dringende reden is en geen verstoorde arbeidsverhouding. Het dienstverband kan redelijkerwijs worden voortgezet. Er is ook hier geen juridische grondslag nu zij altijd uitstekend heeft gefunctioneerd. Ontslag met terugwerkende kracht is niet mogelijk.

Het strafontslag

5.1

De sanctie van het onvoorwaardelijk strafontslag berust op een samenstel van gedragingen, waarbij de rechtbank drie (hoofd)verwijten onderscheidt:

- het niet-functioneel meekijken in de gegevens van [functie 1] in de GBA-V,

- het niet onverwijld melden van deze gedraging van haarzelf en/of van het niet-functioneel raadplegen/meekijken in de gegevens van [functie 1] in de GBA-V door haar collega’s en

- het schenden van een of meerdere dienstopdrachten.

De overige verwijten en gedragingen die eiseres worden aangerekend hangen hiermee nauw samen of zijn hieraan rechtstreeks gerelateerd. Dit samenstel van verwijten is een opeenstapeling van gedragingen die niet los van elkaar kunnen worden gezien en in rechtstreeks verband staan met het inzien van de GBA-V.

5.2.

Eiseres heeft over het meekijken verklaard dat zij na terugkomst van vakantie tijdens haar [werkzaamheden] door een collega werd geroepen en gevraagd werd mee te kijken naar het scherm. Zij stelt dat zij van tevoren niet wist dat zij het scherm met GBA-V gegevens van [functie 3] [functie 1] te zien zou krijgen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gedingstukken noch anderszins aannemelijk is geworden dat eiseres (mede) het initiatief heeft genomen om samen met collega [naam 7] de GBA-V gegevens van [functie 3] [functie 1] in te zien dan wel dat zij op het moment dat zij werd geroepen en naar het scherm ging kijken wist wat zij ging inzien. Daarnaast heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij tijdens het inzien direct is weggelopen omdat zij wist dat dat niet mocht. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit meekijken niet is geschied op eigen initiatief van eiseres. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kan worden verweten dat zij de gegevens van [functie 3] [functie 1] niet-functioneel heeft meegekeken of geraadpleegd.

5.3.

Wel staat vast dat eiseres op enig moment wist dat een aantal collega’s de gegevens van [functie 1] in de GBA-V hebben ingezien en dat zij daarvan niet onverwijld melding heeft gedaan aan haar direct leidinggevende of een van de andere leden van het management. Dit gedrag kan eiseres wel worden aangerekend.

5.4.

Wat betreft het niet opvolgen van een of meer dienstopdrachten, overweegt de rechtbank ten eerste dat het karakter van de uitnodiging om op een gesprek te komen op donderdag 17 oktober 2021 onvoldoende duidelijk is om als een dienstopdracht te kunnen worden aangemerkt. Eiseres had hieruit in ieder geval niet hoeven te begrijpen dat het ging om een dienstopdracht.

Verder is de rechtbank met de bezwaaradviescommissie van oordeel dat de aan haar collega’s gegeven dienstopdracht om het besprokene van de gesprekken van 17 oktober 2019 niet met de collega’s of derden te delen, niet aan eiseres was gericht. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het niet respecteren van een dienstopdracht die aan collega’s is gegeven – wat daar verder ook van zij – op zichzelf geen plichtsverzuim oplevert van eiseres.

Het niet verschijnen op een oproep voor een gesprek op vrijdag 18 oktober 2019 kan eiseres evenmin zodanig worden aangerekend dat dit kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Het was haar vrije dag en nu verweerder niets wilde zeggen over de inhoud van het gesprek, kan haar weigering om te komen haar onder die omstandigheden niet euvel worden geduid.

Wat betreft haar weigering om te verschijnen op maandag 21 oktober 2019 kan – afgezien nog van de omstandigheid dat het ook hier ging om haar vrije dag – dit niet verschijnen eiseres evenmin worden aangerekend, omdat verweerder zich er niet van heeft vergewist dat de oproep om te verschijnen eiseres heeft bereikt. Verweerder heeft de uitnodiging verzonden naar het zakelijk emailadres van eiseres. Eiseres kan niet worden aangerekend – zo zij zakelijke emails al thuis kan openen en lezen – dat zij deze email op haar vrije dag niet heeft gelezen.

Voor zover eiseres – naar de mening van verweerder – al ontwijkende of onvolledige antwoorden heeft gegeven tijdens het onderzoeksgesprek op 22 oktober 2019 kan dit naar het oordeel van de rechtbank evenmin als plichtsverzuim worden aangemerkt. Van een medewerker kan, objectief bezien, niet worden verwacht dat hij tijdens een dergelijk gesprek onder hoge druk onmiddellijk een samenhangende verklaring aflegt.

Hieruit volgt dat – voor zover er al sprake was van een of meer dienstopdrachten – eiseres niet kan worden aangerekend dat zij hieraan geen gevolg heeft gegeven. Er is dan ook geen sprake van plichtsverzuim vanwege het negeren van een dienstopdracht.

5.5.

De rechtbank concludeert dat alleen het niet onverwijld melden van het niet-functioneel inzien van de GBA-V door haar collega’s aan haar leidinggevende(n) eiseres kan worden aangerekend. Dit heeft zij pas op 1 oktober 2019 gedaan terwijl haar deze gedraging al kort nadat die was geschied op 17 september 2019 door haar collega’s bekend was geworden. Dit kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. De rechtbank ziet ten aanzien van dit plichtsverzuim in de omstandigheden van het geval echter redenen om de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig te achten aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres tot 23 september 2019 met vakantie was en dat zij op 24 september 2019 de vertrouwenspersoon heeft ingeschakeld om dit te bespreken. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres de informatie waarvan zij door haar collega’s kennis heeft genomen voor privédoeleinden heeft aangewend en dat zij zich daarmee ook anderszins niet persoonlijk heeft bevoordeeld.

Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres al 27 jaar in dienst was en zij een onberispelijke staat van dienst had. De disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag van appellante kan dus niet in stand blijven.

De rechtbank komt daarom toe aan beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond.

Ontslag op andere gronden

5.6.

De subsidiaire ontslaggrond is volgens verweerder gelegen in de situatie dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk die een onoverbrugbare impasse en een onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding tot gevolg heeft. Verweerder heeft ook deze ontslaggrond laten ingaan op 5 december 2019.

Anders dan eiseres meent, dient bij de beoordeling of sprake is van een situatie waarin aanleiding kan zijn voor ontslag op andere gronden niet het tijdstip van het nemen van de beslissing op bezwaar als peilmoment te worden genomen, maar is de datum van de beëindiging van het dienstverband het uitgangspunt.

Ter beoordeling ligt daarom voor of op 5 december 2019 tussen eiseres en verweerder sprake was van een zodanige onherstelbare vertrouwensbreuk die mede leidt tot ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhoudingen en tevens tot een onoverbrugbare impasse dat van verweerder de voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet kan worden verlangd.

5.7.

De rechtbank is van oordeel dat voor een ontslag op andere gronden onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig is. Uit de gedingsstukken blijkt niet dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk of van een impasse in de zin dat toentertijd tussen partijen een uitzichtloze situatie is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat in de uitlatingen van eiseres aan het adres van verweerder daartoe geen grondslag kan worden gevonden. Hoewel eiseres in haar uitingen en kritiek jegens verweerder, haar leidinggevenden en de organisatie fel is geweest, moeten deze uitingen ook worden gezien in het licht van haar frustraties over het gebeurde. Ter zitting heeft eiseres ook zelf aangegeven dat zij pittig is in haar taal en haar uitingen. Verweerder heeft dat in het verleden kennelijk ook geaccepteerd en gesteld noch gebleken is dat deze wijze van uiten van eiseres eerder aanleiding is geweest om maatregelen jegens haar te treffen. Bovendien mag van een grote professionele organisatie als BUCH worden verwacht dat deze daarmee op een zakelijke manier omgaat.

Ook blijkt uit de gedingstukken niet dat sprake is van een impasse of – voor zover daarvan al sprake was – dat van de zijde van verweerder is getracht uit die impasse te komen middels gesprekken met eiseres of dat andere initiatieven zijn ondernomen, zoals mediation, met het doel de verstandhouding te normaliseren. Eiseres heeft daarover ter zitting gezegd dat zij het onbegrijpelijk vindt dat na het gesprek op 22 oktober 2019 nooit meer een gesprek met verweerder heeft plaatsgevonden. Verder is de rechtbank van oordeel, dat de omstandigheid dat verweerder vanwege het reeds verleende onvoorwaardelijke strafontslag (dan wel het voornemen daartoe) toentertijd geen pogingen heeft ondernomen om te komen tot herstel van de verhoudingen met eiseres of tot andere oplossingen, bij het hanteren van een eerst achteraf toegepaste ontslag op andere gronden niet voor rekening en risico van eiseres mag komen.

Nu er daarom onvoldoende feitelijke grondslag is voor een ontslag op andere gronden, kan ook dit ontslag geen stand houden.

5.8.

De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

5.9.

In het kader van de finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden aanknopingspunten aansluiting te zoeken bij de sanctie die verweerder heeft opgelegd aan haar collega’s [naam 8] en [naam 9] , die beiden een berisping hebben gekregen voor het niet melden van het inzien van de GBA-V door de collega’s. De rechtbank zal daarom aan eiseres de straf van een berisping opleggen.

5.10.

De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5.11.

Nu het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

5.12.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.564,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting ter waarde van € 534,- per punt en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting ter waarde van € 748,- per punt, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond;

  • -

    stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-, door verweerder binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak aan eiser te voldoen;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    legt eiseres op de straf van berisping;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres proceskosten tot een bedrag van in totaal € 2.958,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. L.N. Nijhuis, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.