Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7669

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
C/15/313435 / HA ZA 21-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling eenvoudige gemeenschap. Diverse posten waaronder investeringen uit privévermogen in gezamenlijke woning. Veroordeling van de vrouw in de proceskosten vanwege buitensporig hoog ingestelde vordering, die grotendeels is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/313435 / HA ZA 21-99

Vonnis van 25 augustus 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn Nh,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. W. Doornink te Hoorn Nh.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om een verdeling van een eenvoudige gemeenschap. Partijen zijn elk voor de helft eigenaar van de woning en vorderen over en weer diverse investeringen en vergoedingen. De vorderingen inzake investeringen uit privé vermogen worden grotendeels afgewezen omdat deelgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het is niet gebleken dat partijen onderlinge afspraken hadden over de kosten van de huishouding en de verbouwing.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 februari 2021,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 7 april 2021,

  • -

    het tussenvonnis van 21 april 2021,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens wijziging van eis van 29 juni 2021,

  • -

    de akte vermeerdering van eis tevens overlegging nadere producties van de man,

  • -

    de mondelinge behandeling op 14 juli 2021, waar de vrouw, de man en hun advocaten zijn verschenen. Beide advocaten hebben daarbij een pleitnota voorgedragen.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 Feiten

3.1.

Partijen hebben gedurende veertien jaar een affectieve relatie met elkaar gehad die in maart 2019 is geëindigd.

3.2.

In 2005 hebben partijen samen de woning, gelegen aan [adres 1] in [plaats] (hierna: de woning), gekocht. Op de woning rustte een hypothecaire geldlening van € 331.329,45.

3.3.

De vrouw is in de woning blijven wonen en de man heeft de woning in maart 2019 verlaten.

3.4.

De woning is verkocht voor een bedrag van € 625.000,-. Op 1 maart 2021 heeft de notariële levering van de woning plaatsgevonden.

3.5.

De vrouw heeft conservatoir derdenbeslag onder de notaris laten leggen op de in depot gehouden helft van de overwaarde van de woning. Inmiddels heeft de man een bedrag van € 70.796,16 van de notaris ontvangen. Het resterende bedrag bij de notaris dat nog onder beslag ligt bedraagt € 69.667,64.

4 De vordering en het verweer in conventie

4.1.

De vrouw vordert na wijziging van eis samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. bepaalt dat uit de verkoopopbrengst van de woning aan de vrouw een bedrag zal toekomen van € 89.182,86 wegens een vergoedingsrecht in verband met door de vrouw betaalde materialen en voorgeschoten kosten van derden voor de verbouwing te vermeerderen met € 26.500,- vanwege de hypotheek inleg;

II. de man veroordeelt om aan de vrouw te voldoen de som van € 57.841,43 te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. bepaalt dat partijen de helft van de kosten verbonden aan de verkoop en levering van de woning draagt en dat ieder gerechtigd is tot de helft van de resterende overwaarde na verrekening van de vrouw haar vorderingen;

IV. bepaalt dat de man gehouden is de helft van de hypotheeklasten en zakelijke lasten aan de vrouw te vergoeden en te betalen van € 397,- per maand vanaf 1 december 2020 tot de dag waarop de woning notarieel geleverd werd;

V. de man veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de Mercedes C-Klasse, met kenteken [kenteken] , gaaf en zonder schade inclusief sleutel en reservesleutel aan de vrouw af te geven onder verbeurte van een dwangsom;

VI. bij gebreke van afgifte van de Mercedes C-Klasse, met kenteken [kenteken] binnen drie dagen na betekening van het vonnis de man veroordeelt tot vergoeding van de waarde van € 13.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente;

VII. de man veroordeelt in de proceskosten en nakosten.

4.2.

De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag:

  1. dat zij € 89.182,86 uit haar privévermogen heeft geïnvesteerd voor de verbouwing van de gemeenschappelijke woning

  2. dat zij € 26.500,- heeft ingelegd bij aanvang van de hypotheek

  3. dat de man geen middelen uit zijn privévermogen heeft ingelegd bij de aankoop en verbouwing van de woning

  4. dat er een financiële afwikkeling tussen partijen dient plaats te vinden. Zij heeft recht op een vergoeding van haar inbreng uit privévermogen op de gezamenlijke rekening.

4.3.

De man voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De vordering en het verweer in reconventie

5.1.

De man vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in voorwaardelijke reconventie

I. de vrouw veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 84.000,- zijnde de helft van het verschil in inbreng gedurende de periode van samenleving van partijen;

in reconventie

II. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een bedrag ad € 14.341,14, zijnde de helft van de hypotheeklasten over de periode van 1 maart 2019 tot 1 januari 2021;

III. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.326,50, zijnde de helft van de door de vrouw op naam van de man staande belastingteruggaven over 2020 en de eerste twee maanden van 2021;

IV. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een gebruiksvergoeding van € 1.468,28;

V. het ten laste van de man op 1 maart 2021 gelegde derdenbeslag onder de maatschap Demaret Salman opheft, althans gedeeltelijk opheft;

VI. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.

5.2.

De man legt aan zijn vordering ten grondslag:

  1. dat partijen nimmer afspraken met elkaar hebben gemaakt over de financiële gang van zaken maar juist feitelijk hebben geleefd als ware er sprake van één vermogen

  2. dat een vergoedingsrecht voor samenwonenden niet aan de orde is

  3. dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de vrouw enig vergoedingsrecht zou toekomen.

  4. dat hij van oordeel is dat de beginselen van redelijkheid en billijkheid er juist toe zou moeten leiden dat de vrouw geen vergoedingsrecht jegens de man heeft

  5. dat hij in de periode maart 2019 tot januari 2021 de volledige hypotheeklasten heeft voldaan

  6. dat de vastgestelde teruggave IB partijen ieder voor de helft toekomt

5.3.

De vrouw voert verweer.

5.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6 De beoordeling

in conventie en in reconventie

6.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.2.

Partijen twisten over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun relatie. De rechtbank zal hieronder de verschillende geschilpunten behandelen.

6.3.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop.

Partijen woonden samen op basis van een affectieve relatie. Dit betekent dat de vermogensrechtelijke verhouding tussen hen beiden in beginsel moet worden bepaald aan de hand van het algemene verbintenissenrecht, zonder overeenkomstige toepassing van de regels die in de wet zijn opgenomen ten aanzien van de vermogensrechtelijke relatie tussen echtgenoten en geregistreerde partners.

Daarbij kan tussen partijen, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, een overeenkomst tot stand zijn gekomen die (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt. Daarnaast is het mogelijk dat een van partijen, indien aan de voorwaarden van ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste gekomen van de andere partij.

Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt daarbij op de weg van de partij die zich op een vergoedingsrecht beroept om dergelijke bijzondere omstandigheden te stellen.1

Investeringen uit privévermogen

6.4.

De vrouw stelt dat zij eenmalig een bedrag van € 26.500,- uit haar privévermogen heeft ingebracht ten behoeve van de aankoop van de woning. Daarnaast stelt de vrouw dat zij een bedrag van € 89.182,86 uit haar privévermogen heeft geïnvesteerd aan kosten voor de verbouwing van de woning. De man heeft niet betwist dat de vrouw deze bedragen vanuit haar privévermogen heeft overgemaakt op de gezamenlijke rekening. Maar dit brengt niet met zich mee dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt, aldus de man. Hij heeft immers 14 jaar lang ook zijn salaris op de gezamenlijke bankrekening gestort.

6.5.

Ten aanzien van de inleg van het bedrag van € 26.500,- in de hypotheek overweegt de rechtbank als volgt. Uit de wet vloeit voort dat deelgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Bij verdeling van de gemeenschap heeft (althans in beginsel) iedere deelgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed.2 De rechtbank merkt het bedrag van € 26.500,- aan als privé-investering door de vrouw. Hiermee is de woning verkregen. Voor de hoogte van dit bedrag bestaat dus een vergoedingsrecht.

6.6.

Het bedrag van € 89.182,86 komt uit het privévermogen van de vrouw maar is niet ten behoeve van de verkrijging van de woning besteed. Het is besteed aan de verbouwing van de woning. Niet is gebleken dat partijen onderlinge afspraken hadden over de kosten van de huishouding, de kosten voor de verbouwing en dergelijke. De man stelt dat partijen feitelijk hebben geleefd alsof er één vermogen was, waarbij de man zijn salaris op de gemeenschappelijke bankrekening stortte. De advocaat van de vrouw stelde ter zitting ook dat er volksstammen leefden zoals partijen, dus zonder afspraken.

De rechtbank is van oordeel dat er geen rechtsgrond is op basis waarvan de vrouw een vordering heeft op de man. De vrouw heeft voor dit bedrag geen recht op vergoeding door de man.

6.7.

De vordering in conventie van de vrouw ten aanzien van het vergoedingsrecht wordt deels toegewezen. In geval van (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering in conventie, heeft de man voorwaardelijk (vordering I) gevorderd dat de vrouw een bedrag moet betalen van € 84.000,-. De man stelt dat het verschil tussen de maandelijkse inbreng van partijen circa € 1.000,- was. Over een periode van 168 maanden samenwonen, heeft de man een bedrag van € 168.000,- meer dan de vrouw ingebracht, aldus de man. De vrouw is voor de helft van dit bedrag ongerechtvaardigd verrijkt.

6.8.

De rechtbank wijst deze vordering van de man af. Een verrijking van de een die ten koste gaat van de ander kan ongerechtvaardigd zijn indien daarvoor geen redelijke grond aanwezig was. Indien voor de verrijking wel een redelijke grond aanwezig was, is er dus geen ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank moet beoordelen in hoeverre op het moment van de verrijking en de verarming een redelijke grond aanwezig was.3 In dit geval was er een redelijke grond aanwezig voor de gestelde verrijking, namelijk de affectieve relatie van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrouw niet ongerechtvaardigd verrijkt. De vordering van de man zal worden afgewezen.

Hypotheeklasten en belastingteruggave

6.9.

De man stelt dat hij een bedrag van de vrouw tegoed heeft inzake de hypotheeklasten over de periode maart 2019 tot januari 2021. Over deze periode heeft de man de maandelijkse (bruto) hypotheeklasten van € 1.303,75 voldaan. Hij vordert betaling van de helft van de hypotheeklasten van de vrouw: een bedrag van € 14.341,14.

6.10.

De man heeft door middel van het overleggen van diverse bankafschriften aangetoond dat hij maandelijks bedragen naar rekeningnummer [bankrekening] (voorheen de gezamenlijke rekening) heeft overgemaakt. De rechtbank passeert de stelling van de vrouw dat het niet met zekerheid is aan te geven of de gelden, die door de man zijn overgemaakt, zijn gebruikt voor de woning. De verschuldigde hypotheeklasten zijn immers een door partijen gezamenlijk te dragen hoofdelijke schuld jegens een derde, waarvoor zij in hun onderlinge verhoudingen in beginsel voor gelijke delen aansprakelijk zijn. Omstandigheden om van een andere verdeling uit te gaan zijn er niet. De vrouw is daarom gehouden om de helft van de hypotheeklasten over de periode maart 2019 tot januari 2021 aan de man te voldoen.

6.11.

Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken van de man dat de vrouw een tweetal bedragen van de belastingdienst inzake aangifte inkomstenbelasting op haar rekening heeft ontvangen. De man heeft terecht gesteld dat deze bedragen aan partijen ieder voor de helft toekomen. De vrouw moet daarom het bedrag van € 2.326,50 (de helft van het totaal ontvangen bedrag) voldoen aan de man.

Gebruiksvergoeding

6.12.

De man vordert een gebruiksvergoeding van in totaal € 1.468,28 voor het gebruik van de woning door de vrouw. De vrouw voert als verweer aan dat de man geen recht op een gebruiksvergoeding heeft, mede omdat hij er zelf voor heeft gekozen geen gebruik van de woning te maken.

6.13.

Zolang de gemeenschap niet is verdeeld, zijn beide partijen voor gelijke delen tot het genot en het gebruik daarvan gerechtigd. Vast staat dat de man het genot over zijn deel (50%) van de overwaarde van de woning heeft moeten missen. In beginsel leidt dit ertoe dat hij recht heeft op een gebruiksvergoeding. In dit geval ziet de rechtbank echter geen aanleiding een gebruiksvergoeding toe te kennen. Zij overweegt daartoe als volgt.

6.14.

Voor het toekennen van een gebruiksvergoeding is plaats als het gebruik van de ene deelgenoot ertoe leidt dat het gebruik van de andere deelgenoot onmogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staat dat de vrouw het gebruik van de woning onmogelijk heeft gemaakt voor de man. De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken wel af dat de verhoudingen ernstig waren verstoord, maar partijen hebben simpelweg geen afspraken gemaakt hierover. De man is ergens anders gaan wonen. Hieruit leidt de rechtbank af dat het de wens van de man was geen gebruik te maken van de woning.

Mercedes

6.15.

De vrouw vordert afgifte van de Mercedes dan wel een vergoeding van de huidige waarde van € 13.000,-. De vrouw stelt dat zij eigenaresse van de Mercedes is omdat de Mercedes op haar naam staat. Daarnaast worden alle kosten, zoals verzekeringen en wegenbelasting voldaan vanuit de zakelijke rekening van de vrouw. En de Mercedes is gekocht met middelen uit haar privévermogen, namelijk met het gewonnen geld van het casino, aldus de vrouw.

6.16.

De man heeft als verweer aangevoerd dat de vrouw geen eigenaresse is van de Mercedes. De Mercedes is gekocht met geld van de gezamenlijke rekening. Daarnaast heeft de man altijd in de auto gereden. Het enkele feit dat de auto staat geregistreerd op de naam van de vrouw is volgens de man niet bepalend voor de eigendom. Ten aanzien van de huidige waarde van de Mercedes blijkt uit een taxatie, die in opdracht van de man is uitgevoerd, dat deze € 6.500,- is.

6.17.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de naam van de vrouw op een overboekingsbewijs van “Holland Casino” van 24 oktober 2015 staat geschreven. Zij was samen met de man aan het gokken en heeft de jackpot gewonnen. Het gewonnen geld is naar de gezamenlijke rekening overgemaakt. Op de dag van de storting van het gewonnen geld is de Mercedes aangekocht. Het overige gewonnen geld is naar andere rekeningen van de vrouw en haar onderneming overgeboekt. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de vrouw de jackpot heeft gewonnen in het casino. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verweer van de man dat de registratie van de Mercedes op naam van de vrouw niet voldoende aanleiding geeft dat de Mercedes haar eigendom is. Daarnaast heeft de man niet met stukken onderbouwd dat alle kosten van de Mercedes door hem zijn voldaan.

6.18.

Gelet op het voorgaande komt de Mercedes aan de vrouw toe. De man zal dan ook worden veroordeeld om de Mercedes in de huidige staat aan de vrouw af te geven.

6.19.

De vrouw heeft gevorderd dat de rechtbank een dwangsom aan de veroordeling van de man verbindt. Die vordering wordt bij gebrek aan onderbouwing daarvan afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat de man daadwerkelijk overgaat tot afgifte van de Mercedes aan de vrouw.

Saldo

6.20.

Aan de vrouw komt dus toe: € 26.500,- en de Mercedes. Aan de man komt toe: € 14.341,14 en € 2.326,50 is totaal € 16.667,64. Per saldo is de man nog aan de vrouw verschuldigd een bedrag van € 26.500,- minus € 16.667,64 = € 9.832,36.

Opheffen beslag

6.21.

Het verweer van de vrouw dat opheffing van het beslag niet meer aan de orde is omdat de woning is verkocht en geleverd is onbegrijpelijk. Het beslag is gelegd onder de notaris op de in depot gehouden helft van de overwaarde van de woning. De verkoop en levering van de woning heeft al plaatsgevonden en staat los van het gelegde beslag. De rechtbank zal de vordering tot het opheffen van het conservatoir derdenbeslag toewijzen.

Proceskosten

6.22.

Partijen hebben over en weer een proceskostenveroordeling gevorderd. Hoewel partijen een affectieve relatie met elkaar hadden, ziet de rechtbank geen aanleiding om de proceskosten te compenseren, temeer niet omdat het in deze zaak slechts om een vermogensrechtelijke afwikkeling gaat. De rechtbank zal de kosten in conventie en reconventie samen nemen, omdat die vorderingen in het verlengde van elkaar liggen.

6.22.1.

De vordering van de vrouw bij dagvaarding is buitensporig hoog ingesteld. Voorafgaand aan de procedure had zij zich ervan moeten en kunnen vergewissen dat zij niet een vordering heeft op de man, maar een vordering op de eenvoudige gemeenschap en dus maar de helft van het bedrag van € 115.682,86 had moeten vorderen.

Daarnaast zal deze vordering voor het grootste deel worden afgewezen.

Ook in reconventie is de vrouw de grotendeels in het ongelijk gestelde partij.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw moet worden veroordeeld in de proceskosten aan de kant van de man, tot op heden begroot op:

  • -

    salaris advocaat € 2.228,00 (2 punten x tarief € 1.114,00)

  • -

    griffierecht € 85,00

Totaal € 2.313,00

7 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

7.1.

bepaalt dat van het bij notaris Demaret Salman te Obdam in depot staande bedrag van € 69.667,64:

  • -

    aan de vrouw toekomt een bedrag ter grootte van € 9.832,36 (negenduizend achthonderd tweeëndertig euro en zesendertig cent)

  • -

    aan de man toekomt een bedrag ter grootte van € 59.835,28 (negenenvijftigduizend achthonderd vijfendertig euro en achtentwintig cent),

7.2.

heft op het door de vrouw ten laste van de man onder notaris Demaret Salman te Obdam gelegde derdenbeslag,

7.3.

bepaalt dat aan de vrouw wordt toebedeeld de Mercedes met kenteken [kenteken] , in de huidige staat en veroordeelt de man om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de Mercedes C-Klasse, met kenteken [kenteken] , met sleutel en reservesleutel aan de vrouw af te geven,

7.4.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van de man, tot op heden begroot op

€ 2.313,-,

7.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2021.4

1 ECLI:NL:HR:2019:707

2 ECLI:NL:HR:2006:AU8938

3 TM, Parl. Gesch. Boek BW, p. 831

4 type: DdD coll: LJS