Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7551

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
15/870481-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een maaltijdbezorger.

Verweer tot bewijsuitsluiting (onder verwijzing naar het Prokuratuur-arrest) van de bewijsmiddelen die zien op de historische gegevens (zendmastgegevens) m.b.t. de telecom van de verdachte. De rechtbank volstaat met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim zonder dat daar een rechtsgevolg aan wordt verbonden.

Gevangenisstraf van 24 maanden. Matiging i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn. Vordering benadeelde partij deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870481-18 (P)

Uitspraakdatum: 26 augustus 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

mr. M.A. Hobbelink, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. T.G.M. Houben, advocaat te Amsterdam , naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 oktober 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een horloge (merk Rolex) en/of twee, althans een of meer, gouden ketting(en) en/of een portemonnee met daarin een (grote) hoeveelheid geld en/of een autosleutel en/of een mobiele telefoon (merk Iphone),

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of grillroom & pizzeria [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (voornoemde) [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s)

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededader(s),

- (terwijl die [slachtoffer] in een auto zat en een bestelling van grillroom & pizzeria [naam 1] kwam leveren) op korte afstand van die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of aan die [slachtoffer] heeft/hebben getoond en/of (vervolgens) voornoemd (vuur)wapen in directe nabijheid van die [slachtoffer] heeft/hebben doorgeladen en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben geplaatst/gezet en/of

- bij die [slachtoffer] in de auto heeft/hebben plaatsgenomen en/of

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon heeft/hebben gezegd "Je Rolex", althans woorden van gelijke aard/strekking (waarna verdachte en/of diens mededader(s) het horloge van de pols van die [slachtoffer] heeft/hebben afgehaald) en/of

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon heeft/hebben gezegd "Doe je kettingen af", althans woorden van gelijke aard/strekking en/of

- die [slachtoffer] op/tegen diens hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- twee, althans een, ketting(en) van de nek/hals van die [slachtoffer] heeft/hebben (los)gerukt/getrokken en/of

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon heeft/hebben gezegd "Waar is je geld?", althans woorden van gelijke aard/strekking en/of

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon heeft/hebben gezegd "Geef je telefoon anders kun je de politie bellen", althans woorden van gelijke aard/strekking (waarna verdachte en/of diens mededader(s) de mobiele telefoon uit de hand van die [slachtoffer] heeft/hebben getrokken).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de diefstal met geweld.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken. Tussen de verklaringen die aangever [slachtoffer] heeft afgelegd zitten grote discrepanties. De verdachte past niet in het door [slachtoffer] gegeven signalement en de stem van de verdachte klinkt niet zoals de stem van de beller die [slachtoffer] omschrijft. Bovendien kan uit de tapgesprekken niet worden afgeleid dat de verdachte daderkennis had of dat hij uitvoeringshandelingen heeft verricht bij de overval. Of de verdachte een andere rol heeft gespeeld, blijft onduidelijk.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte partieel vrijgesproken dient te worden, namelijk voor zover het feit ziet op het gebruik van een vuurwapen. De verklaring van [slachtoffer] , inhoudende dat er een vuurwapen zou zijn gebruikt, vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen.

Voorts heeft de raadsman, onder verwijzing naar het arrest Prokuratuur (ECLI:EU:C:2021:152), bepleit dat de bewijsmiddelen die zien op de historische gegevens (zendmastgegevens) met betrekking tot de telecom van de verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij aangevoerd dat in de onderhavige zaak de vereiste machtiging van een onafhankelijke rechter ontbreekt en dat gelet daarop die gegevens in strijd met het unierecht zijn verkregen. Er is sprake van een onherstelbaar en zeer ernstig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Het Openbaar Ministerie heeft immers een precies beeld gekregen van de reisbewegingen van de verdachte over een relatief lange periode, waarmee onder meer contacten van de verdachte in kaart zijn gebracht. Hiermee is het recht op privacy geschonden en heeft de verdachte nadeel ondervonden. Burgers moeten er immers van kunnen uitgaan dat zij zich onbespied kunnen bewegen en dat de overheid niet over ieders schouders meekijkt.

3.3

Standpunt van de officier van justitie ten aanzien van het arrest Prokuratuur

In reactie op het hiervoor weergegeven standpunt van de raadsman met betrekking tot de toepassing van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in de zaak Prokuratuur op de onderhavige zaak, heeft de officier van justitie zich primair – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat dit arrest beperkt moet worden uitgelegd en slechts betrekking heeft op verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht door de betreffende aanbieder worden bewaard. Het arrest heeft daarom in de visie van de officier van justitie geen gevolgen voor de Nederlandse rechtspraktijk.

Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, in het geval de rechtbank oordeelt dat gelet op het Prokuratuur arrest sprake is van een vormverzuim, met de constatering daarvan dient te worden volstaan en daaraan geen rechtsgevolg dient te worden verbonden. De historische telecomgegevens in de onderhavige zaak zijn reeds enkele jaren vóór dat dit arrest is gewezen opgevraagd. Het betreft gegevens die kunnen worden aangemerkt als verkeers- en locatiegegevens in de zin van de Richtlijn (2002/58/EG zoals gewijzigd door 2009/136/EG). Deze gegevens zijn gevorderd in het kader van een opsporingsonderzoek naar een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, te weten een gewapende overval. Daarmee zijn de gegevens opgevraagd binnen de doelbinding van Prokuratuur. Er is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verwijt dat aan het Openbaar Ministerie kan worden gemaakt is zeer gering. In het onderhavige geval heeft het Openbaar Ministerie de gegevens opgevraagd in overeenstemming met de voorschriften uit het Wetboek van Strafvordering. Dat die gegevens niet op deze manier gevorderd hadden morgen worden, was op dat moment niet te voorzien. Het Openbaar Ministerie is er bovendien van overtuigd dat als in de onderhavige zaak de rechter-commissaris was benaderd met het verzoek de vorderingen vooraf te toetsen, de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het doen van de vorderingen. De rechter-commissaris had immers in maart 2018 ook toestemming gegeven tot inzet van verdergaande opsporingsmiddelen, zoals het tappen van de verdachten. Het eventuele nadeel van de schending, veroorzaakt door het vormverzuim, is dus zeer beperkt.

3.4

Oordeel van de rechtbank

3.4.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.4.2

Arrest Prokuratuur

De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Prokuratuur onder meer volgt dat het voor strafrechtelijke doeleinden verlenen van toegang tot de in dat arrest bedoelde communicatiegegevens slechts is toegestaan in het kader van procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en procedures ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. Niet ter discussie staat dat in deze zaak van een dergelijke procedure sprake is omdat de ten laste gelegde diefstal met geweld (met gebruikmaking van een vuurwapen) een “serious crime” betreft.

Voorts volgt uit het arrest Prokuratuur dat het aan de nationale wetgever is om de voorwaarden vast te stellen waaronder de aanbieders van elektronische communicatiediensten aan de bevoegde nationale instanties toegang moeten verlenen tot de persoonsgegevens waarover zij beschikken. Van belang is dat die toegang onderworpen is aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Gelet op de vereiste onafhankelijkheid, mag de instantie die die toetsing verricht niet betrokken zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en moet zij neutraal zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure. Dat is niet het geval bij een openbaar ministerie dat de onderzoeksprocedure van een strafrechtelijk onderzoek leidt en in voorkomend geval ook optreedt als openbaar aanklager tijdens de strafprocedure. Een latere toetsing van het besluit van de officier van justitie is niet voldoende om aan het onafhankelijkheidsvereiste te voldoen, omdat de controle door een onafhankelijke autoriteit moet plaatsvinden voorafgaand aan de machtiging.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het arrest Prokuratuur zich niet beperkt tot verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht door de aanbieder worden bewaard. Het dictum van het arrest is juist algemeen geformuleerd.

Op grond van het arrest Prokuratuur is de rechtbank van oordeel dat de in het onderhavige onderzoek opgevraagde zendmastgegevens – hoewel deze zijn opgevraagd in overeenstemming met de voorschriften uit het Wetboek van Strafvordering – achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit.

Ten aanzien van de vraag welk rechtsgevolg verbonden moet worden aan die conclusie overweegt de rechtbank als volgt.

In het arrest La Quadrature du Net e.a. van 6 oktober 2020 (C-511/18, C-512/18, C-520-18, ECLI:C:2020:791) overweegt het HvJ EU dat het volgens het beginsel van procedurele autonomie uitsluitend een zaak van het nationale recht is om de regels vast te stellen met betrekking tot de toelaatbaarheid van (onrechtmatig verkregen) informatie/bewijs. Bij de beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag zal de rechtbank daarom aansluiting zoeken bij het beoordelingskader van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zoals ook de verdediging en het Openbaar Ministerie voorstaan.

In de onderhavige zaak zijn de historische telecommunicatiegegevens van de verdachte opgevraagd over de periode 1 oktober 2017 tot en met 2 februari 2018. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank gegevens die kunnen worden aangemerkt als verkeers- en locatiegegevens in de zin van de Richtlijn. Zoals hiervoor is overwogen, zijn deze gegevens opgevraagd in overeenstemming met de wettelijke regeling zoals neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. Weliswaar leidt deze constatering niet tot het oordeel dat het Unierecht niet is geschonden, maar de rechtbank is van oordeel dat het nadeel dat door de schending is veroorzaakt in deze zaak beperkt is. De historische gegevens beslaan slechts een beperkte tijdsspanne en niet kan worden gezegd dat daarmee een min of meer compleet beeld van het privéleven van de verdachte is verkregen. Voorts is niet aangevoerd welke persoonlijke informatie kon worden achterhaald die de ernst tekent van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Bovendien weegt de rechtbank mee dat aannemelijk is dat de rechter-commissaris – indien deze was benaderd met het verzoek de vorderingen vooraf te toetsen – toestemming zou hebben gegeven voor het doen van deze vorderingen. De rechter-commissaris heeft immers ook toestemming gegeven voor het doen tappen van telefoonnummers van de verdachten in het onderhavige onderzoek.

Dit brengt met zich dat de rechtbank zal volstaan met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim zonder dat daar een rechtsgevolg aan wordt verbonden.

3.4.3

Bewijsoverweging

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 30 oktober 2017 is bij restaurant [naam 1] via Thuisbezorgd.nl een bestelling ontvangen. Omstreeks 00:45 uur heeft aangever [slachtoffer] met zijn auto de bestelling weggebracht naar de Indigostraat te Zaandam. Hier is hij door drie mannen overvallen. Eén man stond bij zijn deur aan de bestuurderskant (hierna: dader 1). De tweede man (hierna: dader 2) stapte naast aangever in de auto. De derde man (hierna: dader 3) stond achter de auto en bleef op de uitkijk staan. Dader 1 heeft een wapen doorgeladen, op het hoofd van aangever gezet en aangever gesommeerd zijn Rolex af te staan. Dader 1 heeft de Rolex vervolgens van aangever zijn pols gehaald. Dader 2 heeft tegen aangever gezegd dat hij zijn kettingen af moest doen. Toen het aangever zelf niet lukte zijn kettingen af te doen, heeft dader 2 aangever met een vuist in het gezicht geslagen en vervolgens de kettingen van de nek van aangever getrokken. Naast de Rolex en de kettingen zijn ook de portemonnee, telefoon en autosleutel van aangever weggenomen.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn stelling dat de verdachte niet in de door aangever gegeven signalementen van de daders past. Er kan niet worden gesteld dat de signalementen van de daders dusdanig afwijken van het uiterlijk van de verdachte dat de verdachte niet in het signalement kan passen. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat aangever een wapen op zijn hoofd gericht had ten tijde van zijn waarnemingen en dat een van de daders buiten de auto was terwijl aangever in de auto zat. Aangever heeft dader 1 en dader 2 in ieder geval beschreven als twee mannen met een heel donkere huidskleur. De verdachte heeft, zoals hij zelf ter terechtzitting desgevraagd heeft verklaard, een behoorlijk donkere huidskleur.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de geplaatste bestelling via Thuisbezorgd.nl. Hieruit blijkt dat deze is geplaatst door ene “ [naam 2] ” via het e-mailadres [e-mailadres] . Nader onderzoek wijst uit dat dit e-mailadres toebehoort aan [naam 3] , de vriendin van medeverdachte [medeverdachte 1] . Bij de bestelling op 30 oktober 2017 is het telefoonnummer [telefoonnummer] opgegeven. Dit nummer is alleen op de dag van de gepleegde overval gedurende één uur gebruikt, van 00:00 tot 01:01 uur. Er is alleen contact geweest met nummers van aangever en restaurant [naam 1] . Het nummer straalde ten tijde van de overval een zendmast aan vlak bij de plaats van de overval.

Het nummer is gebruikt in combinatie met een toestel (iPhone 7) met een IMEI nummer eindigend op -3550. Dit toestel is van 9 mei 2017 tot en met 31 oktober 2017 gebruikt met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] eindigend op -9750. Op 30 oktober 2017 om 00:03 uur, een paar minuten voor de overval, wordt het IMEI-nummer nog gebruikt met dit telefoonnummer van [medeverdachte 1] . Bij dit laatste contact wordt een zendmast gebruikt die het gebied aanstraalt waar de overval is gepleegd.

[medeverdachte 1] heeft deze iPhone 7 op 29 november 2017 beleend bij Used Products. Deze iPhone is door de politie in beslag genomen en onderzocht. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat één dag voor de overval, op 29 oktober 2017, met deze iPhone op internet is gezocht naar ‘ [naam 1] Wormerveer openingstijden’. Verder is meerdere keren gezocht op het woord ‘Indigostraat’, de straat waar de overval heeft plaatsgevonden. Het toestel heeft één minuut na de bewuste bestelling een sms ontvangen van Thuisbezorgd.

Het nummer van [medeverdachte 1] eindigend op -9750 heeft op de avond van de overval 12 keer contact gehad met het nummer van medeverdachte [medeverdachte 2] eindigend op -1144. Uit onderzoek naar het nummer van [medeverdachte 2] blijkt dat dit nummer vlak voor de overval, namelijk om 00:11 uur, gebeld heeft naar het nummer waarmee de bestelling is geplaatst.

Uit onderzoek naar de zendmastgegevens blijkt dat op de avond van de overval het nummer van [medeverdachte 2] eerst een zendmast aanstraalt in zijn woonplaats [woonplaats] . Het nummer wordt daarna gebruikt in Wormerveer, Krommenie en Oostzaan en uiteindelijk in Zaandam. Deze zendmast in Zaandam is dezelfde zendmastlocatie die de telefoon van [medeverdachte 1] gebruikt en nabij de plaats delict. Deze zendmast in Zaandam is in de onderzochte periode verder nooit aangestraald door het nummer van [medeverdachte 2] . Later die nacht straalt de telefoon van [medeverdachte 2] weer aan in [woonplaats] .

Het telefoonnummer van de verdachte eindigend op -4088 heeft de avond van de overval tussen 20:00 uur en 20:15 uur meermalen contact met het nummer van [medeverdachte 2] . Vanaf 21:00 uur die avond vindt er meermalen contact plaats tussen de nummers van de verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 3] . Na een laatste gesprek om 22:12 uur, gaat het toestel van de verdachte uit. Het gaat de volgende middag pas weer aan.

Tussen 22:17 uur en 22:53 uur heeft [medeverdachte 2] nog meermalen contact met [medeverdachte 1] . De telefoon van [medeverdachte 2] bevindt zich dan dicht bij de plek waar de verdachte zijn laatste contact had, voordat zijn toestel uit ging.

Ook na de overval op aangever hebben de vier verdachten contact met elkaar. Uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken en sms-berichten van 6 en 7 november 2017, blijkt het volgende.

[medeverdachte 2] vraagt op 6 november 2017 aan [medeverdachte 1] ‘wie die Torrie is’ en wanneer [medeverdachte 1] gaat ‘aftikken’. [medeverdachte 1] vertelt dan iets over ‘de Turk’ en antwoordt dan ‘morgen’. [medeverdachte 2] zegt ‘en hij wil die watch teruggeven?’.

Op 7 november 2017 hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte contact met elkaar. [medeverdachte 3] had mee gewild met [medeverdachte 1] naar ‘de Turk’, maar [medeverdachte 1] is alleen gegaan en heeft ‘cash’ gekregen. [medeverdachte 1] laat weten dat hij onderweg is naar de verdachte en dat ‘hij die Lange zijn deel gaat geven en hun een deeltje’. [medeverdachte 1] rijdt dan samen met de verdachte naar [woonplaats] , de woonplaats van [medeverdachte 3] .

De rechtbank gaat er – gelet op het tijdsverloop tussen de overval op aangever en de gevoerde gesprekken op 6 en 7 november 2017, de inhoud van de gesprekken en het feit dat het contact plaatsvindt tussen precies deze vier personen – van uit dat in de hierboven aangehaalde gesprekken wordt gesproken over (de verkoop van) het horloge dat van aangever is weggenomen.

In het dossier bevinden zich verder nog getapte gesprekken tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en hun partners. Uit deze gesprekken komt onder meer naar voren dat [naam 3] op 5 februari 2018, kort nadat zij door de politie is gebeld om haar uit te nodigen voor een getuigenverhoor, contact opneemt met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] neemt niet op. Daarna neemt [naam 3] contact op met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt dat hij liever niet door de telefoon praat omdat hij vermoedt dat zijn telefoon wordt getapt. [naam 3] vertelt vervolgens aan [medeverdachte 2] dat de politie haar heeft gebeld over een beroving. Bij de telefonische ontbieding was door de politie echter niet over een beroving gesproken. Uit de gesprekken en zendmastgegevens van 6 februari 2018 blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die avond samen naar het huis van [naam 3] in [woonplaats] zijn gegaan.

Op 15 februari 2018, twee dagen na de aanhouding van [medeverdachte 1] , belt [medeverdachte 2] met de verdachte, want hij heeft heel slecht nieuws.

Op 20 februari 2018 wordt [medeverdachte 2] aangehouden. De vriendin van [medeverdachte 2] , [naam 4] , spreekt een paar uur later over de telefoon met [naam 3] . [naam 3] spreekt dan over ‘Langa’ en ‘dat andere kereltje’. Die middag belt [naam 4] naar de verdachte. [naam 4] vraagt aan de verdachte of ‘het zonder condoom is gedaan’. De verdachte bevestigt dit, waarop [naam 4] antwoordt dat het dan klaar is voor [medeverdachte 2] . [naam 4] vraagt vervolgens of ‘ie is gezien’ waarop de verdachte antwoordt dat hij weet dat hij niet gezien is. De rechtbank gaat er van uit dat in dit gesprek de vraag wordt besproken of het gezicht van [medeverdachte 2] is gezien tijdens de overval, of dat hij gezichtsbedekking heeft gedragen.

Op 5 maart 2018 is [naam 4] telefonisch door de politie uitgenodigd voor een verhoor over een persoon met de naam [naam 5] . Een paar uur na die uitnodiging vindt een gesprek plaats tussen de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 3] en een derde persoon. In dat gesprek wordt de naam ‘ [medeverdachte 2] ’ genoemd en wordt besproken dat ‘G is geveegd’. De rechtbank gaat er van uit dat gesproken wordt over [medeverdachte 2] en het feit dat hij is aangehouden door de politie. De derde persoon in het gesprek zegt dat het hem het beste lijkt als de verdachte een ticket naar Su (de rechtbank begrijpt: Suriname) gaat kopen, ‘want dit is echt een hete torie’. Als [medeverdachte 3] vervolgens moet lachen, zegt de derde persoon tegen hem dat hij mag lachen, maar dat hij al eerder vast heeft gezeten voor zo’n feit en dat het een serieus feit is, een gewapende straatoverval.

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is die in de getapte gesprekken en sms-berichten wordt aangeduid met de naam [naam 5] of [naam 6] en dat medeverdachte [medeverdachte 3] de persoon is die in die gesprekken en berichten wordt aangeduid met de naam “Lange” of “Langa”.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang beschouwd, zijn naar het oordeel van de rechtbank dusdanig belastend voor de verdachte en redengevend voor het bewijs van zijn betrokkenheid als dader bij de tenlastegelegde overval, dat van de verdachte verwacht mag worden dat hij een aannemelijke verklaring geeft ter ontzenuwing van die betrokkenheid. De verdachte heeft zich echter aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen en ter zitting slechts betrokkenheid ontkend zonder een aannemelijke verklaring te geven over die feiten en omstandigheden.

Nu een aannemelijke verklaring als hiervoor bedoeld ontbreekt, komt de rechtbank op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de verdachte één van de drie daders moet zijn geweest die op 30 oktober 2017 de diefstal met geweld heeft gepleegd.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.5

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 30 oktober 2017 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een horloge (merk Rolex) en twee gouden kettingen en een portemonnee met daarin een hoeveelheid geld en een autosleutel en een mobiele telefoon (iPhone),

toebehorende aan [slachtoffer] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededaders,

- terwijl die [slachtoffer] in een auto zat en een bestelling van [naam 1] kwam leveren op korte afstand van die [slachtoffer] een vuurwapen op die [slachtoffer] hebben gericht en aan die [slachtoffer] hebben getoond en vervolgens voornoemd vuurwapen in directe nabijheid van die [slachtoffer] hebben doorgeladen en

- een vuurwapen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] hebben geplaatst/gezet en

- bij die [slachtoffer] in de auto hebben plaatsgenomen en

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon hebben gezegd "Je Rolex", althans woorden van gelijke aard/strekking (waarna verdachte of diens mededader het horloge van de pols van die [slachtoffer] heeft afgehaald) en

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon hebben gezegd "Doe je kettingen af", althans woorden van gelijke aard/strekking en

- die [slachtoffer] op/tegen diens hoofd hebben gestompt en

- twee kettingen van de nek van die [slachtoffer] hebben gerukt/getrokken en

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon hebben gezegd "Waar is je geld?", althans woorden van gelijke aard/strekking en

- tegen die [slachtoffer] op dreigende toon hebben gezegd "Geef je telefoon anders kun je de politie bellen", althans woorden van gelijke aard/strekking waarna verdachte of diens mededader(s) de mobiele telefoon uit de hand van die [slachtoffer] hebben getrokken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Bij deze strafeis is rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en vijf maanden en de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in het geval de rechtbank geen aanleiding ziet om, zoals bepleit, tot bewijsuitsluiting over te gaan, het gestelde vormverzuim te verdisconteren in de strafmaat. Voorts heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het feit dat het een oude zaak betreft, de verdachte reeds twee maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten en artikel 63 Sr van toepassing is. Uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard, blijkt dat het nu goed met hem gaat.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een maaltijdbezorger. Door een bestelling via de website Thuisbezorgd.nl te plaatsen, is het slachtoffer naar een plek gelokt. De verdachte heeft samen met zijn mededaders het slachtoffer, onder bedreiging van een vuurwapen en fysiek geweld zijn Rolex-horloge, gouden kettingen, portemonnee met daarin een hoeveelheid geld, autosleutel en mobiele telefoon afgenomen. Het vuurwapen is op korte afstand van het slachtoffer doorgeladen en vervolgens op het hoofd van het slachtoffer gezet. Het slachtoffer is geslagen en de kettingen zijn van zijn nek gerukt. Dit terwijl het slachtoffer nog in zijn auto zat en één van de daders in de auto had plaatsgenomen, waardoor het slachtoffer was ingesloten en niet kon vluchten.

Door het vuurwapen op korte afstand door te laden en vervolgens op het hoofd van het slachtoffer te zetten, is op zeer intimiderende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft wekenlang niet durven slapen als het donker was, voelde zich depressief en lusteloos. Bovendien schokt een dergelijk feit de rechtsorde en leidt dit tot onrust en algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met deze gevolgen en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Dit wordt de verdachte zwaar aangerekend.

Gezien de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 juli 2021, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het plegen van onderhavig feit niet eerder was veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf.

Overschrijding van de redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op
20 maart 2018, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn ten tijde van de (eerste) zitting op 19 november 2020 reeds was overschreden met 8 maanden. Het onderzoek ter terechtzitting werd op die datum wegens ziekte van de raadsman geschorst. Dat in deze zaak uiteindelijk op 26 augustus 2021 eindvonnis wordt gewezen, valt – gelet op het voorgaande – deels toe te rekenen aan de verdediging. De rechtbank stelt, daarmee rekening houdend, de totale overschrijding van de redelijke termijn vast op 12 maanden.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Conclusie

Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.335,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van € 5.585,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in het deel van de vordering dat ziet op materiële schade, omdat de vordering niet duidelijk is. Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op immateriële schade heeft de raadsman verzocht om het bedrag te matigen tot hetgeen de rechtbank passend acht, omdat de vordering niet deugdelijk is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De gestelde materiële schade bestaat uit de schade die aangever heeft geleden door de weggenomen goederen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering materiële schade met betrekking tot de Rolex (€ 6.500,-), gouden kettingen (€ 575,- en € 250,-), iPhone (€ 400,-), portemonnee (€ 25,-) en autosleutel (€ 135,-) rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Deze schadeposten, die de rechtbank voldoende onderbouwd acht en ook redelijk voorkomen, zullen dan ook worden toegewezen.

Met betrekking tot de post van het weggenomen geld uit de portemonnee, wijst de rechtbank de vordering toe tot een bedrag tot € 600,-. Dat er een hoger bedrag is weggenomen, is onvoldoende onderbouwd.

Het bedrag van € 1.750,- dat is gevorderd ter vergoeding van immateriële schade omdat de weggenomen Rolex niet meer in dezelfde staat en uitvoering verkrijgbaar is en een vergelijkbaar horloge duurder is, komt niet voor vergoeding in aanmerking. De wet biedt daarvoor geen grondslag.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Dat de vordering voor deze schadepost niet is onderbouwd met medische gegevens, staat niet per definitie in de weg aan toekenning van (een deel van) de vordering. In voorkomende gevallen brengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (vgl. ECLI:NL:HR:2019:376). Hiervan is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank sprake. Zoals hiervoor is overwogen is immers op zeer intimiderende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij door bij de overval een vuurwapen op korte afstand door te laden en vervolgens op zijn hoofd te zetten, hem te slaan en kettingen van zijn nek te rukken, terwijl hij vastzat in zijn auto en geen kant op kon. De rechtbank neemt daarom aan dat sprake is van een aantasting in de persoon van de benadeelde partij op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de omstandigheid dat de benadeelde partij, zoals uit het dossier blijkt, ook lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,- billijk voor.

Gelet op het voorgaande bedraagt de totale schade € 10.485,-. Hiervan is een bedrag van € 5.000,- door de verzekering vergoed, zodat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 5.485,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 5.485,-, bestaande uit € 3.485,- als vergoeding voor de materiële en € 2.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.485,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.C. Koelman, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. M.C.J. Lommen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.T. Sluis en mr. L.S. Rietdijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 augustus 2021.

mrs. Koelman en Lommen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.