Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:742

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
8133960 \ CV EXPL 19-16795
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Vervoerder beroept zich op artikel 2.4.4 van haar algemene voorwaarden. Oneerlijk beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8133960 \ CV EXPL 19-16795

Uitspraakdatum: 27 januari 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[de passagier]

wonende te [woonplaats] (Israël)

eiser

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: mr. D.E. Lof

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

El Al Israel Airlines Ltd
gevestigd te Tel Aviv (Israël), tevens kantoorhoudende te Amstelveen

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. P.M. Jongeling

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 19 september 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, hierop niet gereageerd.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier op 1 augustus 2018 zou vervoeren van Amsterdam naar Tel Aviv, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht is geannuleerd.

2.3.

In artikel 2.4.4 van de algemene voorwaarden van de vervoerder is het volgende bepaald:

“We will not process any claims submitted by a third party if the passenger concerned has not submitted the claim directly to us and allowed us reasonable time to respond directly tot hem before engaging thirds parties to claim on their behalf. For this section reasonable time is 30 working days or such time as prescribed by applicable law (whichever is lesser).

3 De vordering

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:

- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 60,00, aan buitengerechtelijke incassokosten;

- de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

De passagier stelt dat de vervoerder tekort is geschoten in haar verplichting de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). En de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering. Zij voert aan dat uit haar algemene voorwaarden volgt dat de passagier zich bij een claim in eerste instantie zelf dient te melden bij de vervoerder. Dit is in het onderhavige geval niet gebeurd. De vervoerder betwist, zoals door de passagier gesteld, dat gemachtigde op enig moment een bedrag aan compensatie van de vervoerder zou hebben gevorderd in verband met de op 1 augustus 2018 vertraagde vlucht, noch heeft de gemachtigde van de passagier haar op 26 augustus 2019 aangeschreven. Nu de betreffende brief niet bij de dagvaarding is gevoegd, kan daar ook niet op gereageerd worden. Als de passagier zich conform de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden eerst bij de vervoerder had gemeld, was en is zij bereid om een bedrag van € 400,00 aan de passagier te betalen, aldus de vervoerder.

4.2.

De vervoerder betwist voorts buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente verschuldigd te zijn. De vervoerder meent dat de passagier door zijn wijze van procederen onnodig kosten heeft gemaakt. Zij vordert dan ook primair de passagier in de proceskosten te veroordelen, subsidiair om de proceskosten te compenseren.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

De vervoerder heeft aangevoerd dat de passagier in strijd met haar algemene voorwaarden heeft gehandeld door zich meteen tot een derde partij te wenden voor het indienen van de compensatievordering bij de vervoerder en door de vervoerder niet de termijn van 30 dagen te gunnen om op de vordering te reageren. De vervoerder beroept zich daarbij op artikel 2.4.4 van haar algemene voorwaarden. De kantonrechter overweegt dat eerder bij vonnis van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:5580) van deze rechtbank is geoordeeld dat artikel 2.4.4. van de algemene voorwaarden van de vervoerder als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt in de zin van de bijlage van de Richtlijn 93/13 punt 1 sub q van die bijlage (de zgn. blauwe lijst). Artikel 2.4.4 van de algemene voorwaarden van de vervoerder is door de kantonrechter in voormeld vonnis vernietigd en dient dan ook buiten toepassing te blijven.

5.3.

De vervoerder heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom erkend, maar heeft niet aangevoerd dat deze inmiddels is voldaan, zodat deze zal worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente over de compensatie is toewijsbaar en wel vanaf de datum van de vlucht. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade gelet op artikel 6:83 sub b Burgerlijk Wetboek terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. Gelet hierop zal de wettelijke rente over de compensatie worden toegewezen zoals gevorderd vanaf 1 augustus 2018.

5.4.

De vervoerder betwist de buitengerechtelijke incassokosten te zijn, omdat de passagier zich niet rechtstreeks tot de vervoerder heeft gewend en omdat de incassokosten niet op de juiste wijze zijn aangezegd bij de vervoerder. De passagier heeft slechts op de voorzijde van de dagvaarding de vervoerder gesommeerd tot betaling, aldus de vervoerder. De kantonrechter volgt de vervoerder in haar verweer. Niet is gebleken dat er werkzaamheden zijn verricht in de buitengerechtelijke fase. Gelet op het voorgaande dient de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten aldus te worden afgewezen.

5.5.

De vervoerder betwist voorts proceskosten verschuldigd te zijn. Zij voert daartoe aan dat de passagier de procedure onnodig is gestart, nu de vervoerder geen redelijke termijn is gegund om uit te zoeken of de claim van de passagier terecht is en om, bij gebleken juistheid van de vordering, deze aan de passagier te voldoen. Dit verweer van de vervoerder slaagt, omdat niet is komen vast te staan dat de (gemachtigde van de) passagier, voordat deze tot dagvaarden van de vervoerder is overgegaan, zich met een verzoek tot betaling van compensatie tot de vervoerder heeft gewend. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat de proceskosten onnodig zijn gemaakt en daarom ex artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor rekening van de passagier dienen te komen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 400,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 72,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter