Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7335

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
C/15/319450 / HA RK 21-164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet griffierecht. Art. 29 lid 1 Wgbz. Formulering van petitum basis voor vaststelling of sprake is van vordering van bepaalde waarde. Als financieel belang voldoende duidelijk in het petitum is gedefinieerd, wordt het griffierecht voor bepaalde waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/319450 / HA RK 21-164

Beschikking van 25 augustus 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WVE VASTGOEDONDERHOUD B.V.,

gevestigd te Blokker, gemeente Hoorn (NH),

2. [opposant],

wonende te [woonplaats] ,

opposanten,

advocaat mr. J.J. Kunst te Hoorn (NH),

en

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND,

gevestigd te Alkmaar,

verweerder.

Partijen worden hierna WVE en de griffier genoemd.

1 De procedure

1.1.

Op de griffie van deze rechtbank is op 16 augustus 2021 een verzetschrift binnengekomen ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), waarbij opposanten (tijdig) in verzet zijn gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht ten bedrage van € 2.076,-.

1.2.

Van een mondelinge behandeling is afgezien gelet op het bepaalde in artikel 1.4.1 van het toepasselijke Procesreglement verzoekschriftprocedures.

2 Feiten

2.1.

In een zaak tegen WVE is op 6 juli 2021 een dagvaarding uitgebracht. Op 20 juli 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij WVE is verschenen. De kortgeding procedure is aanhangig bij deze rechtbank en ingeschreven onder zaak-/rolnummer C/15/318000 / KG ZA 21/366.

2.2.

De griffier heeft een bedrag van € 2.076,- aan griffierecht in rekening gebracht, welk bedrag op 20 juli 2021 door opposanten is betaald.

2.3.

Het petitum van de dagvaarding luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

primair

I. Gedaagden te gebieden om de overeengekomen werkzaamheden af te ronden binnen 10 dagen na datum vonnis (…) op straffe van verbeurte van dwangsommen ad EUR 1.000,00 per dag/ dagdeel dat hieraan niet wordt voldaan met een maximum van EUR 15.000,00;

II. Gedaagden te gebieden om de door eiseres betaalde goederen per direct te leveren aan het adres van eiseres en deze te monteren/installeren/plaatsen (…) op straffe van verbeurte van dwangsommen ad EUR 500,00 per dag/ dagdeel dat hieraan niet wordt voldaan met een maximum van EUR 5.000,00;

III. Gedaagden te gebieden om de sleutels die hij van eiseres in bezit heeft binnen 1 dag na datum vonnis (…) af te geven aan eiseres (…) op straffe van verbeurte van dwangsommen ad EUR 100,00 per dag/ dagdeel dat hieraan niet wordt voldaan met een maximum van EUR 1.000,00;

IV. Gedaagden te gebieden om aan eiseres, bij gebreke van medewerking aan het gevorderde onder I en of II binnen de voormelde termijn, een voorschot ad EUR 10.000,00 aan schadevergoeding te betalen;

V. (…)

subsidiair

I. Gedaagden te gebieden om aan eiseres een voorschot ad EUR 10.000,00 aan schadevergoeding, te betalen wegens het niet nakomen van de gemaakte afspraken;

(…)”

3 Het verzoek

3.1.

WVE zijn van mening dat ten onrechte griffierecht in rekening is gebracht voor een zaak met enig geldelijk belang. Het griffierecht voor een vordering met een onbepaalde waarde had in rekening moeten worden gebracht (€ 667,-). Primair en in de kern is namelijk gevorderd dat WVE werkzaamheden afmaken, goederen leveren en de sleutels van de woning inleveren, op straffe van het verbeuren van dwangsommen en op straffe van het moeten voldoen van een voorschot op een schadevergoeding. Dat zijn (op zijn minst hoofdzakelijk) vorderingen van onbepaalde waarde. De gevorderde dwangsommen en voorschotten zijn voor de bepaling van het griffierecht niet relevant, omdat dit nevenvorderingen zijn dan wel vorderingen zijn die afhangen van de hoofdvorderingen van onbepaalde waarde.

De hoogte van het in rekening gebrachte griffierecht staat ook in geen enkele verhouding tot het materiële belang van de zaak.

Bovendien heeft de griffier tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het griffierecht voor een zaak van onbepaalde waarde zou worden gehanteerd. Aanleiding daarvoor was dat partijen in overleg zouden treden over het treffen van een minnelijke regeling. De hoogte van het griffierecht werd daarvoor door WVE relevant geacht, zodat dat bij de besluitvorming tot het al dan niet treffen van een regeling kon worden betrokken. Voor zover de zaak nadien terecht zou zijn aangemerkt als een zaak met een vordering met een beloop van niet meer dan € 100.000,-, dan geldt dat WVE er op basis van dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken op zijn minst op mochten vertrouwen dat een bedrag van € 667,- aan griffierecht in rekening zou worden gebracht.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Uit artikel 3 lid 5 Wgbz volgt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag, waarbij moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering ofwel het financiële belang van de zaak. Blijkens voormelde tabel wordt het griffierecht in zaken met betrekking tot een vordering van een waarde van niet meer dan € 100.000,- voor een niet-natuurlijk persoon bepaald op een bedrag van € 2.076,00. In zaken met betrekking tot een vordering met een onbepaalde waarde wordt het bedrag van het griffierecht voor een niet-natuurlijk persoon bepaald op € 667,-.

4.2.

Voor de bepaling van de hoogte van het griffierecht moet in beginsel worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering of wel het financieel belang van de zaak. Daarbij is niet van belang of de vordering expliciet gericht is op betaling van een bepaalde geldsom.1 Voor de bepaling van het griffierecht moet in beginsel worden gekeken naar de waarde van de vordering ofwel het financieel belang van de zaak. Daarbij is dus niet van belang of de vordering expliciet gericht is op betaling van een bepaalde geldsom. De formulering van het petitum is de basis voor de vaststelling of sprake is van vordering van bepaalde waarde. Als het financieel belang voldoende duidelijk in het petitum is gedefinieerd, wordt uitgegaan van het tarief dat bij dat concrete financiële belang hoort. Daarbij moet ook gekeken naar subsidiaire vordering en overige vorderingen. Als daar een vordering van bepaalde waarde bij staat, dan wordt daarvan uitgegaan.2 Als de primaire vordering van onbepaalde waarde is en de subsidiaire vordering een geldvordering is, dan moet van die geldvordering worden uitgegaan bij de bepaling van de hoogte van het griffierecht.

4.3.

In deze zaak strekken de primaire vordering onder IV en de subsidiaire vordering onder meer tot betaling van een bedrag van € 10.000,-. Hiermee is het financiële belang van deze zaak gegeven en is dus sprake van een vordering met een beloop van een bepaald bedrag. Het feit dat het hier om nevenvorderingen zou gaan – wat daar ook van zij – en dat terzake geen sprake is van een gevorderde hoofdsom maakt dat niet anders, omdat in de Wgbz geen onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdvorderingen en nevenvorderingen.

4.4.

Het voorgaande maakt dat de griffier terecht is uitgegaan van het griffierecht van een vordering van bepaalde waarde in plaats van onbepaalde waarde. De (niet onderbouwde) stelling van WVE dat het in rekening gebrachte griffierecht in geen enkele verhouding staat tot het materiële belang van de zaak, maakt dit oordeel niet anders.

4.5.

De stelling dat de griffier tijdens de mondelinge behandeling zou hebben aangegeven dat het griffierecht van onbepaalde waarde in rekening zal worden gebracht maakt het bovenstaande niet anders. Uit de zittingsaantekeningen blijkt namelijk dat de griffier heeft aangegeven dat het griffierecht waarschijnlijk € 667,- zou bedragen, maar dat het nog opgezocht moest worden als partijen het daadwerkelijke, definitieve bedrag zouden willen weten. Daarop gaven partijen aan dat het niet nodig was dit op te zoeken. Gelet hierop mocht WVE er dan ook niet gerechtvaardigd vanuit gaan dat er griffierecht zou worden gegeven op basis van een vordering van onbepaalde waarde.

4.6.

Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de griffier de hoogte van het griffierecht terecht bepaald op € 2.076,-. De rechtbank zal de beslissing van de griffier in stand laten en het verzet ongegrond verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr.drs. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2021.3

1 Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014 en Hoge Raad 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912.

2 Rechtbank ’s-Gravenhage 22 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2370.

3 type: coll: