Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7326

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
9028175 CV EXPL 21-825
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Slapend dienstverband. Goed werkgeverschap. Vordering werknemer tot schadevergoeding gelijk aan transitievergoeding afgewezen. Vraag of werknemer in 2015 ‘gepiept’ heeft kan in het midden blijven, gezien stand van de rechtspraak destijds. Xella-beschikking is van na einde dienstverband. Geen informatieplicht werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 9028175 \ CV EXPL 21-825 BL

Uitspraakdatum: 25 augustus 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. L.H. Haarsma

toevoeging: 5DR7745

tegen

de besloten vennootschap Ammeraal Beltech Manufacturing B.V.

gevestigd te Heerhugowaard

gedaagde

verder te noemen: Ammeraal

gemachtigde: mr. N.M. Wolters

Samenvatting van de zaak en de uitspraak

Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst. Vanaf 14 augustus 2015, toen [eiser] twee jaar arbeidsongeschikt was, is sprake geworden van een zogenoemd ‘slapend dienstverband’, dat op 30 juni 2019 is geëindigd doordat [eiser] de AOW-leeftijd bereikte. [eiser] vordert betaling van een schadevergoeding gelijk aan de transitievergoeding. Hij meent dat Ammeraal heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap, door het slapende dienstverband niet eerder te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding. [eiser] stelt dat hij de wens daartoe heeft geuit in 2015. Ammeraal betwist dit. De kantonrechter oordeelt dat Ammeraal de norm van goed werkgeverschap niet heeft geschonden. Een eventueel in 2015 door [eiser] geuite wens hoefde Ammeraal niet te honoreren, gelet op de stand van de rechtspraak destijds. Ook na publicatie van de Wet compensatie transitievergoeding in juli 2018 werd in de rechtspraak niet eenduidig anders geoordeeld. Pas op 8 november 2019 heeft de Hoge Raad in de Xella-zaak geoordeeld dat een slapend dienstverband in beginsel moet worden beëindigd als de werkgever dat wenst. Toen was de arbeidsovereenkomst van [eiser] echter al geëindigd. Verder oordeelt de kantonrechter dat voor Ammeraal onder de gegeven omstandigheden geen verplichting bestond om [eiser] actief te benaderen en te informeren over de mogelijkheden tot beëindiging. De vordering van [eiser] wordt dus afgewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 2 februari 2021 een vordering tegen Ammeraal ingesteld. Ammeraal heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 1 juli 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] en Ammeraal hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1953, is met ingang van 13 mei 1974 in dienst getreden bij Ammeraal. Het laatstverdiende salaris bedroeg € 2.671,92 bruto per maand.

2.2.

Sinds 14 augustus 2013 is [eiser] volledig arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte. Met ingang van 12 augustus 2015 is hem een WGA-uitkering toegekend. Deze is vanaf 10 februari 2017 omgezet in een IVA-uitkering.

2.3.

In augustus 2015 ontving [eiser] zijn laatste loonstrook van Ammeraal. Deze vermeldt: ‘Datum uitdienst 14-08-2015’.

2.4.

[eiser] werd destijds juridisch bijgestaan door mr. Strengers. Zij schreef op 13 augustus 2015 in een e-mail aan [eiser] dat ze telefonisch contact had gehad met Ammeraal (de heer [XX] ), die vertelde dat de arbeidsovereenkomst hoogstwaarschijnlijk niet zou worden beëindigd, zodat Ammeraal geen transitievergoeding hoefde te betalen.

2.5.

In een e-mail van 30 september 2015 schrijft mr. Strengers aan [eiser] dat de arbeidsovereenkomst doorloopt ook al hoeft Ammeraal geen loon meer te betalen, en dat zij een e-mail aan Ammeraal zal sturen waarin zij nogmaals zal vragen of de arbeidsovereenkomst toch niet kan worden beëindigd met betaling van de transitievergoeding. Mr. Strengers eindigt haar e-mail aan [eiser] met de opmerking dat ze denkt dat het antwoord ‘nee’ zal zijn, maar dat het te proberen valt.

2.6.

Vervolgens schrijft mr. Strengers op 6 oktober 2015 het volgende aan Ammeraal:

“De heer [eiser] heeft een eindafrekening ontvangen voor wat betreft vakantiegeld en vakantiedagen. Hier is hij blij mee, maar hem viel op dat op de laatste loonstrook staat dat het dienstverband is geëindigd per 12 augustus jl. Ik ga er vanuit dat dit een administratief iets is en Ammeraal de arbeidsovereenkomst niet daadwerkelijk eenzijdig heeft beëindigd. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV of zonder dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, is namelijk niet mogelijk,. Bovendien zou cliënt dan aanspraak hebben op de transitievergoeding.
Kunt u bovenstaande bevestigen?”

2.7.

In reactie daarop deelt Ammeraal diezelfde dag aan mr. Strengers mee, dat in het laatste gesprek met [eiser] is besproken dat de arbeidsverhouding niet is verbroken en dat de vermelding op de loonstrook een administratieve aangelegenheid is.

2.8.

Op 30 juni 2019 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd, in verband met het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd door [eiser] .

2.9.

In een brief van 17 december 2019 aan Ammeraal (die niet door partijen is overgelegd) heeft de opvolgend gemachtigde van [eiser] , mr. Alkema, aanspraak gemaakt op de transitievergoeding, althans een schadevergoeding, onder verwijzing naar bovengenoemde
e-mail van mr. Strengers van 6 oktober 2015.

2.10.

In reactie daarop stelt de gemachtigde van Ammeraal zich in een e-mail van 23 december 2019 op het standpunt dat [eiser] destijds niet heeft verzocht om beëindiging van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een transitievergoeding. Sterker nog, de
e-mail van 6 oktober 2015 bevestigt dat [eiser] de arbeidsovereenkomst niet wilde beëindigen, aldus Ammeraal.

2.11.

Vervolgens heeft [eiser] zich gewend tot mr. Haarsma, die in een brief van 26 mei 2020 (opnieuw) aanspraak heeft gemaakt op een schadevergoeding bestaande uit de gemiste transitievergoeding.

2.12.

Daarop vraagt Ammeraal in een e-mail van 11 juni 2020 of [eiser] inmiddels beschikt over schriftelijk bewijs dat hij om beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft gevraagd.

2.13.

Mr. Haarsma heeft hierover mr. Strengers benaderd in een brief van 7 juli 2020. Deze brief is beantwoord door mr. Kossen, die schrijft dat hij geen schriftelijk verzoek aan Ammeraal tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding in het dossier van [eiser] heeft aangetroffen, en ook geen telefoonnotitie waaruit blijkt dat een dergelijk verzoek destijds is gedaan, en dat de toenmalig behandelaar zich ook niet kan herinneren of zij een dergelijk verzoek heeft gedaan. Mr. Kossen vermoedt zelf wel dat dit (mondeling) is verzocht gezien de inhoud van de e-mails van 13 augustus en 30 september 2015 van mr. Strengers aan [eiser] .

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter Ammeraal veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van het netto equivalent van € 66.352,68 bruto.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Ammeraal heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap, door niet over te gaan tot beëindiging van het slapende dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding, terwijl de wens daartoe van [eiser] bij Ammeraal bekend was. Mr. Strengers heeft na 1 juli 2015 bij herhaling aan ([XX] van) Ammeraal (telefonisch) verzocht om beëindiging van de arbeidsovereenkomst met betaling van de transitievergoeding. Die wens heeft [eiser] nooit ingetrokken. Ammeraal had in elk geval na publicatie van de Wet compensatie transitievergoeding (20 juli 2018) het eerder gedane verzoek van [eiser] moeten inwilligen, althans contact met hem moeten opnemen om hem te wijzen op de mogelijkheid tot uitbetaling van de transitievergoeding die Ammeraal gecompenseerd zou krijgen. Ammeraal heeft dit nagelaten, waardoor [eiser] schade heeft geleden, bestaande uit de gemiste transitievergoeding.

4 Het verweer

4.1.

Ammeraal betwist de vordering, en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Er kan pas sprake zijn van schending van de plicht tot goed werkgeverschap nadat een verzoek is geweigerd. [eiser] heeft tijdens het dienstverband nooit de wens tot beëindiging daarvan tegenover Ammeraal geuit. De e-mail van 6 oktober 2015 kan niet als een zodanig verzoek worden opgevat. Voor het geval geoordeeld wordt dat die wens in 2015 wel is geuit, dan geldt dat Ammeraal daaraan destijds niet hoefde mee te werken. Na 2015 heeft [eiser] geen contact meer gezocht met Ammeraal. Pas nadat het dienstverband op 30 juni 2019 van rechtswege was geëindigd, heeft [eiser] voor het eerst aanspraak gemaakt op de transitievergoeding, althans een schadevergoeding. [eiser] heeft dus niet voldaan aan zijn ‘piepplicht’, en op Ammeraal rust geen actieve informatieplicht. [eiser] is tegen beter weten in deze nodeloze en heilloze procedure gestart, en maakt daarmee misbruik van zijn procesrecht, zodat hij veroordeeld moet worden in de integrale proceskosten van Ammeraal.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Ammeraal heeft gehandeld in strijd met de norm van goed werkgeverschap (artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek), door niet (actief) mee te werken aan de door [eiser] gestelde wens tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder toekenning van de transitievergoeding. De kantonrechter oordeelt dat Ammeraal deze norm niet heeft geschonden, en overweegt daarover het volgende.

5.2.

Partijen zijn het erover eens dat met het eindigen van de loondoorbetalingsverplichting van Ammeraal per 14 augustus 2015, nadat [eiser] twee jaar volledig arbeidsongeschikt was geweest als gevolg van ziekte, en het ontbreken van perspectief op herstel van [eiser] , Ammeraal per die datum bevoegd was het dienstverband op te zeggen. Met het nadien laten voortbestaan is sprake geworden van een slapend dienstverband zoals bedoeld in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 8 november 2019 in de Xella-zaak (ECLI:NL:HR:2019:1734).

5.3.

Wat partijen (onder meer) verdeeld houdt is de vraag of [eiser] zijn wens tot beëindiging van het slapende dienstverband met toekenning van de transitievergoeding aan Ammeraal kenbaar heeft gemaakt. [eiser] meent van wel, en verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de onder de feiten geciteerde e-mail van 6 oktober 2015 van zijn gemachtigde mr. Strengers aan Ammeraal, en daaraan voorafgaande e-mailberichten van mr. Strengers aan [eiser] zelf. Verder biedt [eiser] uitdrukkelijk bewijs aan van het (telefonisch) kenbaar maken van zijn voornoemde wens aan Ammeraal, door het horen van mr. Strengers en [XX] als getuigen. Ammeraal betwist gemotiveerd dat [eiser] in 2015 kenbaar heeft gemaakt dat hij het dienstverband wilde beëindigen.

5.4.

Het antwoord op deze vraag kan in het midden blijven, omdat een eventueel in 2015 geuite wens of verzoek van [eiser] tot beëindiging van het dienstverband met toekenning van de transitievergoeding op zichzelf niet kan leiden tot toewijzing van zijn vordering, en ook geen verplichting voor Ammeraal meebrengt om [eiser] na de totstandkoming van de compensatieregeling hierover actief te benaderen en te informeren. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

5.5.

Ten tijde van het slapend worden van het dienstverband van [eiser] in augustus 2015 was de stand van de rechtspraak dat een werkgever op grond van zijn verplichting om als goed werkgever te handelen, niet verplicht was om een slapend dienstverband te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding, zelfs niet als het niet willen betalen van die vergoeding de enige reden voor het in stand houden was.

5.6.

Op 20 juli 2018 is de Wet compensatie transitievergoeding gepubliceerd in het Staatsblad. Deze compensatieregeling houdt in – samengevat – dat werkgevers gecompenseerd kunnen worden voor transitievergoedingen die zij betaald hebben aan werknemers die wegens langdurige arbeidsongeschiktheid na 1 juli 2015 ontslagen kunnen worden.

5.7.

Na 20 juli 2018 werd in de rechtspraak niet direct eenduidig geoordeeld. Er waren feitenrechters die oordeelden dat ná de totstandkoming van de compensatieregeling niet meer kan worden volgehouden dat een werkgever níet in strijd handelt met de norm van goed werkgeverschap door niet mee te werken aan de beëindiging van een slapend dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding. Er waren echter ook toen nog feitenrechters die oordeelden dat een werknemer geen aanspraak kan maken op beëindiging van een slapend dienstverband, onder toekenning van een transitievergoeding. Dit oordeel was gebaseerd, kort gezegd, op het argument dat er geen ‘ontslagplicht’ bestaat en zo’n plicht ook niet kan worden afgeleid uit de norm van ‘goed werkgeverschap’ (zie conclusie PG bij de Xella-beslissing, onder 16.18, ECLI:NL:PHR:2019:899).

5.8.

Het dienstverband is op 30 juni 2019 geëindigd doordat [eiser] de AOW-leeftijd bereikte. Pas daarna, op 8 november 2019, heeft de Hoge Raad in de Xella-zaak overwogen dat de compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen meebrengen dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van artikel 7:611 BW geldt dat een slapend dienstverband in beginsel moet worden beëindigd als de werknemer dat wenst en de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortduring daarvan. De Hoge Raad oordeelt dat als uitgangspunt geldt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap moet instemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.

5.9.

Uit de Xella-uitspraak vloeit geen algemene informatieplicht voort, die meebrengt dat werkgevers hun werknemers met een slapend dienstverband moeten informeren over de mogelijkheden tot beëindiging daarvan onder uitbetaling van een transitievergoeding. Die vraag was in de Xella-zaak niet aan de orde omdat de werknemer een voorstel had gedaan, en de uitspraak biedt ook geen aanknopingspunten voor het aannemen van een dergelijke informatieverplichting van de werkgever. De Hoge Raad overweegt dat een slapend dienstverband in beginsel moet worden beëindigd als de werknemer dat wenst, en dat als uitgangspunt geldt dat een werkgever moet instemmen met een voorstel daartoe van de werknemer, en legt daarmee het initiatief bij de werknemer. Daarbij merkt de kantonrechter op dat in een uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2020 over gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en goed werkgeverschap (ECLI:NL:HR:2020:283 inzake Victoria), het initiatief ook bij de werknemer is gelegd en geen informatieverplichting op basis van goed werkgeverschap gecreëerd.

5.10.

Onder bijzondere omstandigheden mag van de werkgever een actievere houding worden verwacht en zou een informatieplicht kunnen bestaan. De enkele omstandigheid dat in 2015 is gevraagd om beëindiging van het net slapend geworden dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding, is onvoldoende om drie jaar later (na publicatie van de Wet compensatie transitievergoeding) een informatieplicht voor Ammeraal in het leven te roepen, nog los van de vraag of [eiser] een dergelijk verzoek in 2015 daadwerkelijk heeft gedaan. Dit geldt te meer omdat de Xella-beslissing nog niet was gewezen op het moment van pensionering van [eiser] . Zoals hiervoor al is overwogen stond op dat moment in de jurisprudentie nog niet vast dat het weigeren van een beëindigingvoorstel slecht werkgeverschap zou opleveren, dus laat staan dat voor de werkgever op dit punt een informatieplicht zou gelden. Daarbij neemt de kantonrechter nog in aanmerking dat vast staat dat [eiser] tussen 6 oktober 2015 en 17 december 2019 zelf geen enkel initiatief heeft genomen tot beëindiging met transitievergoeding. Dit terwijl [eiser] in elk geval in oktober 2015 juridisch werd bijgestaan, en op de zitting heeft verklaard dat hij ‘doodziek’ was van de e-mail van mr. Strengers van 6 oktober 2015 en zich ‘genaaid’ voelde, omdat hij heel graag de transitievergoeding wilde ontvangen om een deel van zijn hypotheek mee af te betalen. Desondanks heeft de (opvolgend) gemachtigde van [eiser] pas in december 2019 Ammeraal aangeschreven over de transitievergoeding, althans schadevergoeding. Onder deze omstandigheden hoeft van Ammeraal niet verwacht te worden dat zij [eiser] , voorafgaand aan het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst op 30 juni 2019, actief zou benaderen om een eerdere beëindiging te bewerkstelligen.

5.11.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.

5.12.

Het bewijsaanbod van [eiser] zal gelet op het voorgaande worden gepasseerd, omdat de uitkomst daarvan niet tot een ander oordeel kan leiden.

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij ziet de kantonrechter geen aanleiding om [eiser] te veroordelen in de integrale proceskosten van Ammeraal, omdat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van [eiser] geen sprake is. Bovendien heeft Ammeraal deze kosten niet nader geconcretiseerd of gespecificeerd. De proceskosten zullen dus volgens het toepasselijke liquidatietarief worden toegewezen. Daarbij wordt [eiser] ook veroordeeld tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Ammeraal worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Ammeraal worden vastgesteld op een bedrag van € 1.496,00 aan salaris van de gemachtigde van Ammeraal en € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter