Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7313

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 672
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen. Mogelijk belang bij IB-geschil. PKV voor bezwaar afgewezen, nu eiseres eerst na de beschikking informatie heeft verschaft over haar aftrekposten. Verweerder niet verwijtbaar. Geen geslaagd beroep op correctiebeleid. Geen IMSV omdat er geen fiscaal belang is in de hoofdzaak, terwijl het afgeleide belang niet is geconcretiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 1-9-2021
V-N Vandaag 2021/2064
FutD 2021-2759
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/672

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2021 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 met dagtekening 20 november 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.204. Het te betalen bedrag is nihil.

Verweerder heeft op 23 oktober 2017 een beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.279. Deze beschikking heeft niet geleid tot een door eiseres te betalen bedrag.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2019 de beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen vernietigd en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.881.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 16 april 2019.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, zonder daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 27 september 2015 een (digitale) aangifte ib/pvv 2014 ingediend. Het daarbij aangegeven bedrag aan pensioeninkomsten bedraagt € 9.279. Hierop is een bedrag van € 1.075 aan specifieke zorgkosten in aftrek gebracht, zodat een box 1 inkomen, tevens verzamelinkomen van € 8.204 resteert.

2. Met dagtekening 20 november 2015 heeft verweerder aan eiseres een definitieve aanslag met een verzamelinkomen van € 8.204 opgelegd, waarbij het te betalen/ontvangen bedrag nihil is.

3. Met dagtekening 14 maart 2017 heeft verweerder aan eiseres een vragenbrief verzonden waarop zijdens eiseres niet is gereageerd. Ook heeft eiseres niet geregeerd op de kennisgeving navordering van 6 september 2017 en de mededeling navordering van

4 oktober 2017.

5. De dagtekening van de in beroep bestreden beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen is 23 oktober 2017. Het daarbij nieuw vastgestelde verzamelinkomen is € 9.279. Het bedrag van de verschuldigde ib/pvv is niet gewijzigd en bedraagt nihil. De correctie bedraagt het gehele bedrag aan specifieke zorgkosten ad € 1.075.

6. Op 30 november 2017 heeft verweerder van eiseres een bezwaarschrift tegen de beschikking van 23 oktober 2017 ontvangen. Op 16 oktober 2018 worden door verweerder nadere stukken ontvangen.

9. Op 29 oktober 2018 is de gemachtigde van eiseres gehoord naar aanleiding van het bezwaar. Van dit hoorgesprek is een verslag gemaakt dat aan eiseres is toezonden.

10. Bij de uitspraak op bezwaar van 12 november 2019 is het bedrag aftrek specifieke zorgkosten vastgesteld op € 398 en eiseres’ verzamelinkomen vastgesteld op € 8.881. De verschuldigde ib/pvv is niet gewijzigd en blijft nihil.

11. Bij brief van 15 januari 2021 heeft verweerder eiseres onder de voorwaarde van intrekking van het beroep een schikkingsvoorstel gedaan waarbij eiseres een proceskostenvergoeding werd aangeboden tot een bedrag van € 801 alsmede een immateriële schadevergoeding ter grootte van € 1.500. Eiseres heeft dit voorstel afgewezen en verweerder heeft daarop zijn schikkingsvoorstel ingetrokken.

Geschil
12. In geschil is na de uitspraak op bezwaar uitsluitend nog of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Uit het door verweerder gedane schikkingsvoorstel, de reactie daarop van eiseres, de conclusie van repliek en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat eiseres zich thans kan verenigen met de hoogte van de bij de uitspraak op bezwaar toegelaten aftrek specifieke zorgkosten. Voorts dient te worden beoordeeld of eiseres vanwege het tijdsverloop tussen het ingediende bezwaar en de uitspraak van deze rechtbank terecht aanspraak maakt op een vergoeding van immateriële schade.

13. Eiseres beantwoordt beide vragen bevestigend.

14. Verweerder stelt dat de beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen van

23 oktober 2017 geen hem te verwijten onrechtmatigheid bevatte, zodat voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase geen aanleiding bestaat. Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een procedure om een zeer gering financieel belang, zodat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is

overschreden. Na de intrekking van het door hem gedane schikkingsvoorstel heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot het belang van eiseres bij de onderhavige procedure

16. Op grond van het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten heeft de belastingplichtige bij wie bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting over een kalenderjaar uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking zijn genomen, aanspraak op een tegemoetkoming indien de gecombineerde inkomensheffing over dat kalenderjaar lager is dan de gecombineerde heffingskorting over dat kalenderjaar. De tegemoetkoming wordt vastgesteld bij beschikking (hierna: beschikking TSZ). Tussen partijen staat vast dat eiser voor een tegemoetkoming specifieke zorgkosten in aanmerking komt. De tegemoetkoming is mede afhankelijk van de hoogte van de specifieke zorgkosten die bij de aanslagregeling ib/pvv in aanmerking is genomen. Indien de tegemoetkoming tot een onjuist bedrag is vastgesteld moet een nieuwe beschikking TSZ worden genomen. Eiseres heeft dus mogelijk belang bij het onderhavige beroep, ook al kan het niet leiden tot vermindering van de aanslag ib/pvv die immers al nihil bedraagt.

Met betrekking tot de vergoeding van proceskosten

17. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van eiseres voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

18. Naar de rechtbank begrijpt, is eiseres van mening dat de beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen van 23 oktober 2017 weliswaar een correctie van de aangegeven aftrek specifieke zorgkosten bevatte die groter was dan € 1.000 maar dat de correctie na bezwaar is beperkt tot € 398 waarmee de correctie beneden de grenzen van het door verweerder gehanteerde navorderingsbeleid is gezakt en op grond daarvan de onrechtmatigheid van de beschikking vaststaat, zodat haar een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekomt.

19. De rechtbank volgt eiseres hierin niet, nu verweerder zich tot aan de uitspraak op bezwaar uitsluitend heeft kunnen baseren op de - ook door het kantoor van haar rechtsbijstandverlener opgestelde - onjuist gebleken aangifte van eiseres. Op de door verweerder op 14 maart 2017 aan eiseres toegezonden vragenbrief en op de kennisgeving navordering van 6 september 2017 en de mededeling navordering van 4 oktober 2017 is immers iedere reactie van eiseres of haar rechtsbijstandsverlener uitgebleven. Eerst bij brief van 16 oktober 2018 zijn door verweerder nadere stukken ontvangen op basis waarvan hij een deel van de door eiseres aangegeven specifieke zorgkosten alsnog in aftrek heeft toegelaten. Onder die omstandigheden kan verweerder geen onrechtmatigheid worden verweten. De rechtbank wijst in dit verband, ook op het feit dat het leerstuk van de schadevergoeding ook in het belastingrecht mede een civielrechtelijk beoordelingskader kent. Dat betekent dat voor degene die de schade stelt te lijden ook de in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen verplichting geldt de schade waar mogelijk te beperken. Eiseres heeft dat verzuimd. Zij had de proceskosten waarvoor zij vergoeding vraagt immers op eenvoudige wijze kunnen voorkomen door te reageren op de vragenbrief, de kennisgeving of de mededeling en haar kosten aannemelijk te maken, zoals zij later in de bezwaarfase heeft gedaan. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de kosten van rechtsbijstand niet in redelijkheid zijn gemaakt.

20. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

21. Ter zitting heeft eiseres een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn.

22. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar (24 maanden) nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

23. Gelet op het feit dat het bezwaarschrift op 30 november 2017 door verweerder is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 27 augustus 2021, is een periode van afgerond 45 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden en dat eiseres in beginsel aanspraak maakt op een vergoedding ter grootte van € 2.000. Verweerder heeft gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden aan de hand waarvan in overeenstemming met eerder genoemd overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 moet worden geoordeeld dat de evenwel veronderstelling dat eiseres – in weerwil van het feit dat de redelijke termijn is overschreden - immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie geen opgeld doet. De hoofdzaak gaat immers niet over een fiscaal geschil dat de belastingplichtige en verweerder verdeeld houdt en dat spanning bij de belastingplichtige teweeg brengt omdat deze mogelijk een bedrag van enige omvang moet betalen. In het onderhavige geval is echter sprake van een procedure met een fiscaal financieel belang van nihil, zodat een dergelijke spanning door eiseres niet wordt beleefd. Deze omstandigheid geldt als een bijzondere omstandigheid die met zich brengt dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreven. De - overigens niet op enigerlei wijze getalsmatig inzichtelijk gemaakte - stelling van eiseres dat de uitkomst van belang is voor de aanspraak van eiseres op TSZ, is in deze niet relevant. Daargelaten het ontbreken van een geconcretiseerd in de hoogte van deze gestelde aanspraak kan dit belang niet leiden tot een immateriële schadevergoeding, nu dit aspect niet de hoofdzaak betreft.

Proceskosten

24. Gegeven de ongegrondverklaring van het beroep bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van

E.H. Mazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.