Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:7068

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
21-09-2021
Zaaknummer
8750300
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Eindvonnis. Vordering tot verwijderen of wijzigen bouwwerk i.v.m. onrechtmatige hinder wegens ontnemen van licht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8750300 \ CV EXPL 20-7636

Uitspraakdatum: 25 augustus 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. N. Poggenklaas

tegen

1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagden

verder te noemen: [gedaagde 1] c.s.

gemachtigde: mr. E.B. van de Loo

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Op 31 maart 2021heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres] .

1.2.

Vervolgens heeft de volgende aktewisseling plaatsgevonden:
- akte overlegging producties, tevens akte depot usb-stick zijdens [eiseres] ;
- antwoord akte tevens overlegging producties zijdens [gedaagde 1] c.s.;

- akte uitlating producties zijdens [eiseres] .

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

Het tussenvonnis

2.1.

De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.2.

[eiseres] is bij het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld een zonstudie in het geding te brengen ter ondersteuning van haar stelling dat [gedaagde 1] c.s. met het oprichten van het bouwwerk en het daarmee onthouden van licht (en uitzicht), haar onrechtmatige hinder hebben toegebracht. [eiseres] heeft een zonstudie die uitsluitend bestaat uit tekeningen, in het geding gebracht. Hiermee heeft [eiseres] haar stelling onvoldoende onderbouwd.

Bouwwerk ten opzichte van oude situatie zonder bouwwerk

2.3.

Uit de door [eiseres] overgelegde zonstudie valt weliswaar af te leiden dat in het voor- en najaar door het bouwwerk sprake is van verminderde zontoetreding op (de patio van) haar erf, maar het maakt onvoldoende inzichtelijk in welke mate. Voor wat betreft de zomer en winter is aan de hand van de studie bovendien nauwelijks tot geen verschil te zien ten opzichte van de oude situatie. De studie bestaat uit ééndimensionale tekeningen en geeft alleen de situatie van 13:00 tot 17:00 uur weer. Daaruit valt de mate van verminderde zontoetreding onvoldoende op te maken. [eiseres] stelt dat gedurende vrijwel het hele jaar sprake is van (sterk) verminderde lichtinval, maar dat volgt niet althans onvoldoende uit de zonstudie. Ook biedt de zonstudie [eiseres] geen onderbouwing van haar stellingen dat door het kleine oppervlak van de patio en het ‘kokereffect’ iedere vermindering van lichtinval een enorm effect heeft. Ten slotte heeft [eiseres] niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen voor licht- en zontoetreding zijn voor de woning (aan de kant van de patio), terwijl dat volgens het tussenvonnis wel had gemoeten.

Bouwwerk ten opzichte van aanpassing met lessenaarsdak

2.4.

Uit de door [eiseres] overgelegde zonstudie volgt volgens haar dat een lessenaarsdak er voor zou zorgen dat zij weer aanzienlijk meer licht in haar tuin zou hebben dan in de huidige situatie. De kantonrechter maakt uit de studie slechts een kleine verbetering in het voor- en najaar tussen 13:00 tot 15:00 uur op. Dat geldt echter niet voor de zomer en de winter.

Door [gedaagde 1] c.s. ingebrachte zonstudie

2.5.

[gedaagde 1] c.s. hebben een eigen zonstudie ingebracht voorzien van een conclusie van de architect die de studie heeft opgesteld en tweedimensionale tekeningen voor de situatie om 9:00, 12:00, 15:00 en 18:00 uur waaruit ook de zontoetreding op de achtergevel van de woning van [eiseres] zichtbaar is gemaakt. Uit deze zonstudie valt de mate van verminderde zontoetreding op het erf van [eiseres] beter op te maken.

2.6.

Uit de zonstudie van [gedaagde 1] c.s. blijkt dat in de zomer en winter vanwege de stand van de zon de impact van het bouwwerk op de zontoetreding op het erf van [eiseres] gering is. In het voor- en najaar geeft het bouwwerk ongeveer 1,3 meter extra slagschaduw. Volgens de zonstudie van [gedaagde 1] c.s. heeft dit door de beperkte diepte van het erf van [eiseres] de volgende consequenties:

In de huidige situatie kan, in het voor- en najaar, vanaf ongeveer 11:00 tot 13:00 uur in de zon worden gezeten.

De oude situatie met een tuinmuur van 1,7m hoog kon, in het voor- en najaar, vanaf ongeveer 11:00 uur tot 17:00 uur in de zon worden gezeten.(…)

Het afschuinen van het (…) bouwwerk (…) kan in het voor- en najaar ongeveer 2 uur extra bezonning opleveren. Dit voordeel zal afnemen naarmate de zomer nadert.

2.7.

Uit de zonstudie van [gedaagde 1] c.s. volgt dat het bouwwerk alleen in het voor- en najaar een verminderde zontoetreding op het erf van [eiseres] tot gevolg heeft. Hoewel in die periode na 13.00 uur niet meer op de patio in de zon kan worden gezeten, bereikt de zon rond 15:00 uur nog steeds een flink deel van de achtergevel van de woning van [eiseres] .

2.8.

Het ‘afschuinen’ van het dak van het bouwwerk kan - volgens de zonstudie van [gedaagde 1] c.s. - in het voor- en najaar ongeveer twee uur extra bezonning opleveren. Afgezien van de vraag of het bouwwerk in de huidige situatie onrechtmatige hinder veroorzaakt, levert het ‘afschuinen’ van het dak maar een gering voordeel op dat afneemt naar mate de zomer nadert. Aanpassing van het bouwwerk zou in dit verband disproportioneel zijn en kan niet van [gedaagde 1] c.s. gevergd kunnen worden gezien de hoge kosten daarvan (€ 16.540,-- volgens een door [gedaagde 1] c.s. overgelegde offerte).

2.9.

Beide zonstudies in onderlinge samenhang bezien, geldt dat dat het bouwwerk weliswaar verminderde zontoetreding op het erf van [eiseres] in het voor- en najaar veroorzaakt, maar daarmee is niet vast komen te staan dat het bouwwerk gedurende vrijwel het hele jaar een sterk - en daarmee onacceptabel - verminderde licht- en zontoetreding tot gevolg heeft. Daarom is geen sprake van onrechtmatige hinder. Dat betekent dat de vordering tot verwijdering dan wel wijziging van het bouwwerk, zal worden afgewezen.

2.10.

Omdat geen sprake is van onrechtmatige hinder, kan de subsidiair gevorderde schadevergoeding ook niet worden toegewezen.

2.11.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] – met uitzondering van het hierna in 2.12 bepaalde - zal afwijzen.

2.12.

De vordering tot het verwijderen van de op het bouwwerk aangebrachte loodslabbe zal - zoals in het tussenvonnis nader is gemotiveerd - worden toegewezen.

2.13.

De gevorderde dwangsom zal op hierna te noemen wijze worden gematigd en gemaximeerd. Omdat er geen aanwijzingen zijn dat [gedaagde 1] c.s. de veroordeling niet zullen uitvoeren en het verwijderen van loodslabbe een veel geringere inspanning vergt dan de afgewezen vordering tot het (gedeeltelijk) afbreken van het bouwwerk, zal de dwangsom worden gematigd tot € 50,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, tot een maximum van € 2.500,00.

2.14.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. tot het verwijderen van de op het bouwwerk aangebrachte loodslabbe binnen twee maanden na betekening van dit vonnis;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag dat zij niet of niet tijdig aan de in 3.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt;

3.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter