Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6952

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
C/15/318409 / KG ZA 21-394
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eigenaar van een toegangsweg miskent de rechten van omwonenden uit de erfdienstbaarheid van uitweg. Volgens de eigenaar is hij gerechtigd de toegangsweg af te sluiten. Hij doet dat met zijn auto. Vordering om hem dat te verbieden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats [plaats 1]

zaaknummer / rolnummer: C/15/318409 / KG ZA 21-394

Vonnis in kort geding van 25 augustus 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [plaats 2] ,

3. [eiser 3],

handelend onder de naam Aannemersbedrijf [eiser 4] ,

wonende te [plaats 1] ,

4. JOHANNES KROUWEL,

wonende te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. R.J. van de Leur te [plaats 1] ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Zaandam,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser 1] c.s..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] c.s. zijn afzonderlijk van elkaar eigenaar van een aantal bedrijfspanden gelegen achter [adres 1] te [plaats 1] . [eiser 1] c.s. kunnen hun bedrijfsruimten uitsluitend bereiken vanaf de [adres 2], via een poort en perceel [adres 3] (hierna: de toegangsweg).

2.2.

[gedaagde] is sinds 2018 eigenaar van de toegangsweg. Hij heeft het perceel gekocht voor een bedrag van € 3.000,00. Op grond van een erfdienstbaarheid van uitweg dient [gedaagde] het de eigenaren van de bedrijfsruimten toe te staan zijn perceel als toegangs- en uitweg te gebruiken. In de akte van levering is bepaald dat het onderhoud van het perceel voor rekening van de eigenaar van de omliggende panden komt, en ook dat de eigenaars van de omliggende panden hekken mogen aanbrengen of verwijderen.

2.3.

De toegangsweg bestaat uit een open deel, en een overkapt gedeelte. Op het open deel zijn twee parkeerplaatsen aangelegd. De bedrijfsruimten van [eiser 1] c.s. bevinden zich rondom het overkapte gedeelte. Het overkapte gedeelte kan slechts worden bereikt via het open stuk.

2.4.

[betrokkene] is de broer van gedaagde. Sinds [gedaagde] eigenaar is, heeft [betrokkene] als mondeling gevolmachtigde van zijn broer de eigenaarsrechten en -plichten uitgeoefend en heeft hij daarover gecorrespondeerd met de gebruikers van de omliggende percelen.

2.5.

Bij brief van 6 maart 2018 heeft [betrokkene] aan de gebruikers geschreven dat er huisregels op het perceel gaan gelden. In de brief staat verder:

“(…)

Parkeren is verboden

Laden en lossen is toegestaan (Kiss & Ride)

Indien wordt geconstateerd dat er veelvuldig zonder toestemming wordt geparkeerd wordt de auto weggesleept en/of heeft de eigenaar het recht om een vergoeding te vorderen

Verboden toegang voor onbevoegden (politie wordt ingeschakeld)

De service/onderhoudskosten

De hoogte van de servicekosten voor de onderhoud van het pad, het bewaken van het terrein en/of uw bezittingen via een camerasysteem en een parkeerpaal bedraagt 14,- incl btw per maand.

Indien u uw garagebox/woning wilt verkopen hoor ik het graag.

(…)”

2.6.

[betrokkene] heeft omwonenden van [adres 1] uitgenodigd voor een bijeenkomst op 20 januari 2019 om hen te informeren over de stand van zaken van de bouw van een opslag en kantoor aan de [adres 2].

2.7.

Nadat het verzoek om een omgevingsvergunning door de gemeente [plaats 1] was afgewezen, hebben de omwonenden een aanbod van [betrokkene] afgewezen om de toegangsweg van zijn broer over te nemen voor een bedrag van € 100.000,00.

2.8.

Op 17 februari 2021 hebben [eiser 4] (eiser sub 3, hierna: [eiser 4]) en [betrokkene] de volgende whatsappberichten aan elkaar gestuurd:

[eiser 4]: Heer [betrokkene], ik zie dat u een auto bij ons heeft geparkeerd. De huurder tegenover mij kan zijn garage box niet meer uit, er staan 2 autos in geparkeerd. Wilt u zo vriendelijk zijn die auto morgenochtend weer weg te halen?

Alvast bedankt,

[eiser 4]

[betrokkene]: Hij kan mij bellen

Op mijn nummer

[eiser 4]: ??

Je gaat de auto dus laten staan?

[betrokkene] Ja het is handig als hij zelf belt om heel t verhaal te bevestigen

[plaats 1] is niet om de hoek bij mij en wellicht kan hij er wel uit.

Nee [eiser 4] er gaat veel veranderen daar, sinds ik ben tegengewerkt met mijn plan.

2.9.

[betrokkene] heeft ieder van de omringende eigenaars op 27 mei 2021 verzocht een bedrag van € 394,98 aan hem over te maken. In de betreffende brief staat het volgende:

“(…)

Wij willen graag onderhoud plegen en een hek plaatsen. Wij hebben last van parkeerders welke geen parkeergelden betalen en onbevoegden op het terrein. Wij zijn tot de conclusie gekomen om in de eerste fase een hek met een poort te plaatsen, hierna een contract afsluiten bij een reinigingsbedrijf om de periodieke onderhoud te doen. (…)

Het plaatsen van het hekwerk inclusief montage kost;

2.513,57,-

251,35,- 10 procent administratief beheer (opvragen offertes, contact en managen)

Per perceel kost dit 394,98. (…)

Als er sprake is van twijfel of u zit met vraagtekens in uw hoofd, kunt u gerust contact opnemen met uw advocaat of de aktes doornemen. Ik vermeld u er wel bij, de kosten van mijn advocaat worden doorberekend als deze u of uw advocaat te woord moet staan. Bij het niet nakomen van uw verplichtingen zullen wij een boete van groot tien duizend gulden in rechte verhalen.

(…)”

2.10.

Op 5 juni 2021 heeft [betrokkene] de gebruikers van de toegangsweg afgesloten door op de toegangsweg een auto midden van de poort onbeheerd achter te alten. Nadat de politie het telefoonnummer had gebeld dat achter de voorruit was achtergelaten, heeft het geruime tijd geduurd voordat [betrokkene] kwam om de doorgang vrij te maken.

2.11.

Een huurder van een bedrijfspand heeft op 6 juni 2021 schriftelijk aangekondigd de huurbetaling aan de eigenaar te zullen opschorten omdat hij zijn bedrijfsruimte niet kan bereiken doordat al geruime tijd een auto voor zijn toegangsdeur staat geparkeerd.

2.12.

[betrokkene] heeft [eiser 4] bij een ongedateerd schrijven verzocht de camera’s te verwijderen die [eiser 4] aan zijn bedrijfspand had aangebracht. [betrokkene] kondigt daarbij aan dat hij de politie en de Autoriteit Persoonsgegevens, en zo nodig zijn advocaat, zal inschakelen als [eiser 4] de camera’s niet verwijdert.

2.13.

[betrokkene] heeft op 5 juli 2021 de eigenaars nogmaals verzocht om ieder € 394,98 aan hem over te maken. In de brief staat verder het volgende:

“(…)

Als u uw verplichtingen niet nakomt, ben ik genoodzaakt de zaak aan te melden bij mijn advocaat welke op zijn beurt naar de rechter stapt. Tot er rechterlijk uitspraak is uitgesproken ben ik bereid ook mijn verplichtingen niet na te komen. Dus geen toegang verlenen tot mijn perceel.

(…)”

2.14.

De advocaat van [eiser 1] c.s. heeft [gedaagde] bij brief van 9 juli 2021 laten weten dat de omwonenden niet akkoord gaan met afsluiting van het perceel, met de sommatie aan [gedaagde] om zich te onthouden van verdere inbreuken van de erfdienstbaarheid en het eigendomsrecht van zijn cliënten.

2.15.

Op 15 juli 2021 is een stoeptegel door de voorruit van de auto van [eiser 4] gegooid.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen - samengevat - [gedaagde] op verbeurte van dwangsommen te verbieden om de toegangsweg af te sluiten of te blokkeren en daar zaken op te plaatsen, behoudens de daarvoor bestemde parkeerplaats, zodat de toegangsdeuren van de bedrijfspanden altijd vrij worden gehouden.

3.2.

[eiser 1] c.s. leggen aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] inbreuk maakt op hun eigendomsrechten doordat hij zonder rechtsgrond de toegang tot hun percelen blokkeert dan wel dat hij [eiser 1] c.s. niet de vrije toegang tot hen percelen verleent. Ook maakt [gedaagde] volgens [eiser 1] c.s. misbruik van zijn eigendomsrecht. [gedaagde] noch zijn broer bezit ter plaatse een bedrijfspand. Desondanks wil [gedaagde] dat de toegangsweg op kosten van de gebruikers wordt afgesloten met een hek, en wil hij dat de gebruikers een maandelijkse vergoeding aan hem betalen voor het onderhoud. [eiser 1] c.s. verzorgen echter al tientallen jaren zelf het onderhoud van de toegangsweg. Het zonder redelijk belang op uiterst intimiderende wijze aandringen op betaling voor een hek, schoonmaakkosten, cameratoezicht en dergelijke is volgens [eiser 1] c.s. misbruik van recht, dat zo snel mogelijk moet stoppen. Ook vorderen [eiser 1] c.s. om [gedaagde] te veroordelen om € 198,00 te betalen als voorschot op een vergoeding van de vernielde beveiligingscamera.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] en [betrokkene] zijn beiden in persoon ter zitting verschenen. [betrokkene] heeft ter zitting verklaard dat hij door [gedaagde] mondeling is gemachtigd om de eigenaarsrechten van zijn broer uit te oefenen. [gedaagde] heeft dit ter zitting bevestigd en desgevraagd verklaard dat hij [betrokkene] mondeling een onbeperkte volmacht heeft verleend om de eigenaarsrechten op de toegangsweg uit te oefenen, dat alle handelingen van [betrokkene] met betrekking tot de toegangsweg mede namens hem zijn verricht en dat hij daarvoor dus ook de volle verantwoordelijkheid neemt. Feitelijk heeft [gedaagde] zich niet met de onderhavige kwestie bemoeid, maar de voorzieningenrechter zal de daden en verklaringen van [betrokkene] op grond van het voorgaande wel aan [gedaagde] toerekenen.

4.2.

[gedaagde] betwist dat hij misbruik maakt van recht. Hij wijst erop dat in artikel 5:1 lid 1 BW is bepaald dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat [gedaagde] echter ten onrechte voorbij aan het tweede lid van artikel 5:1 BW, waarin is bepaald dat een eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van een zaak gebruik kan maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen. Dat laatste is het geval. Het eigendomsrecht van [gedaagde] op de toegangsweg is immers in verregaande mate beperkt door de erfdienstbaarheid van uitweg ten behoeve van de omliggende panden.

4.3.

[gedaagde] en [betrokkene] betwisten de inhoud van de erfdienstbaarheid op zich niet. De kennis van die erfdienstbaarheid heeft [betrokkene] er echter niet van weerhouden om op 5 juni 2021, pal voor de poort die toegang geeft tot de [adres 2], met opzet een Renault Clio onbeheerd op te toegangsweg achter te laten. Op productie 18 is te zien dat de bedrijfsbus van [eiser 4] daardoor het bedrijventerrein niet kon oprijden. [eiser 4] heeft ter zitting verklaard dat hij de politie heeft ingeschakeld nadat hij tevergeefs het GSM-nummer had gebeld dat op het briefje stond dat achter de voorruit was achtergelaten, en dat na het telefoongesprek tussen de politie en [betrokkene] het twee uur heeft geduurd voordat [betrokkene] ter plaatse verscheen om de Clio weg te rijden. [betrokkene] ontkende ter zitting dat [eiser 4] hem zelf heeft gebeld, en verklaarde dat hij slechts één uur op zich heeft laten wachten voordat hij zijn auto weghaalde. [betrokkene] verklaarde ook dat hij zich feitelijk zo ongeveer om de hoek bevond, op een paar minuten afstand van de [adres 2]. Hij zei dat hij [eiser 4] en de politie bewust een uur op zich laten wachten omdat hij er verbolgen over was dat [eiser 4] de politie had gebeld. [betrokkene] zei de toegangsweg te hebben geblokkeerd teneinde te kunnen vaststellen of de toegangsweg werd gebruikt door onbevoegden. [betrokkene] wijst er daarbij op dat het een eigenaar ingevolgde artikel 5:48 BW is toegestaan zijn perceel af te sluiten.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter miskennen [gedaagde] en [betrokkene] (op basis van hun kennelijk gebrekkige rechtskennis op dit punt) dat de erfdienstbaarheid van uitweg hen weldegelijk belemmert in hun recht om het perceel af te sluiten. De eigenaren hebben blijkens de akte zelfs het recht om eventuele hekken in de doorrit te verwijderen. Het eigendomsrecht van [gedaagde] is door de erfdienstbaarheid in verregaande mate uitgehold, mede omdat hij zelf geen aansluitend bedrijfspand heeft dat hem tot medegerechtigde op de erfdienstbaarheid zou maken. Het enige wat voor hem aan feitelijke eigendomsrechten resteert is het gebruik van twee parkeerplaatsen in het onoverdekte gedeelte. Voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] die parkeerplaatsen onbenut laat, terwijl hij met opzet op diverse andere plaatsen auto’s op de toegangsweg parkeert met kennelijk als enig doel een vrije doorgang naar de bedrijfspanden te bemoeilijken dan wel te belemmeren. Omdat [gedaagde] en zijn broer ter plaatse geen loods of bedrijfsruimte hebben ten behoeve waarvan de erfdienstbaarheid is gevestigd, valt niet in te welk belang [betrokkene] of [gedaagde] daarbij heeft. De handelwijze van [betrokkene] heeft kennelijk geen andere bedoeling dan [eiser 1] c.s. te hinderen. Mogelijk is dit mede ingegeven door de gedachte dat [eiser 1] c.s. er verantwoordelijk voor zouden zijn dat de bouwplannen van [betrokkene] door bezwaren zijn getorpedeerd, zoals te lezen is in de onder 2.8 weergegeven whatsappberichten (“Nee [eiser 4] er gaat veel veranderen daar, sinds ik ben tegengewerkt met mijn plan”), maar dat rechtvaardigt geenszins de ontoelaatbare acties van [betrokkene].

4.5.

De voorzieningenrechter ziet aan de kant van [gedaagde] geen enkel redelijk belang bij de diverse acties als het parkeren buiten de voor hem bestemde parkeerplaats, het zonder enige rechtsgrond sommeren van [eiser 1] c.s. om mee te betalen aan een door hen niet gewenst hek en het klagen over privacy schending door camera’s die vanaf de bedrijfsruimten op de toegangsweg zijn gericht (het is immers moeilijk voorstelbaar in welke vorm van privacy [gedaagde] door de camera’s wordt geschonden). Hoewel het terrein onder het overkapte gedeelte eigendom is van [gedaagde], rijst de vraag wat [gedaagde] of [betrokkene] op dat stuk van de toegangsweg feitelijk hebben te zoeken. Voorshands beantwoordt de voorzieningenrechter die vraag met: niets. Aan te nemen valt dat de substantiële uitholling van de eigendomsrechten door de op het perceel rustende erfdienstbaarheid een verklaring vormt voor de geringe koopprijs die [gedaagde] in 2018 voor het perceel heeft betaald (vgl. r.o. 2.2).

4.6.

Aangezien [gedaagde] en [betrokkene] de rechten van [eiser 1] c.s. niet erkennen en [betrokkene] heeft toegegeven de toegang bewust te hebben geblokkeerd met zijn auto, hebben [eiser 1] c.s. recht en belang bij de gevorderde verboden. De onverholen dreiging die uitgaat van de onder 2.9 en 2.13 genoemde brieven, het ter zitting niet bestreden bezoek dat [betrokkene] gebracht heeft aan het privé adres van [eiser 4] en de vernieling van diens beveiligingscamera rechtvaardigen dat deze verboden worden versterkt met een forse dwangsom. Deze zullen dan ook worden toegewezen, waarbij de gevorderde dwangsom wel zal worden beperkt.

4.7.

Ook het gevorderde bedrag van € 198,00 als voorschot op de vergoeding van de vernielde camera’s zal worden toegewezen. [eiser 1] c.s. hebben foto’s overgelegd die op het tijdstip van het vernielen en verwijderen van de camera’s zijn gemaakt. [betrokkene] heeft niet weersproken dat hij op die foto’s is te zien. Volgens hem heeft hij de camera echter niet vernield, maar slechts afgeplakt. Omdat [betrokkene] op het tijdstip van het vernielen van de camera aldaar aanwezig was, en hij bevestigt dat hij actief bezig is geweest de camera onklaar te maken, acht de voorzieningenrechter het voorshands voldoende aannemelijk dat [betrokkene] er verantwoordelijk voor kan worden gehouden dat de camera’s moeten worden vervangen. Omdat de daden van [betrokkene] kunnen worden toegerekend aan [gedaagde], acht de voorzieningenrechter [gedaagde] aansprakelijk voor de schade aan de camera. De hoogte van het gevorderde voorschotbedrag is op zich niet betwist en zal daarom eveneens worden toegewezen.

4.8.

[betrokkene] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] c.s. worden begroot op:

- betekening oproeping € 121,39

- griffierecht 309,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.410,39

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] om de toegangsweg, het recht van overpad over de grond met een minimale breedte van 3 meter, af te sluiten of de (toegang van de) weg te blokkeren of te beperken,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om zaken te plaatsen op de toegangsweg anders dan de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, zodat de toegangsdeuren tot de bedrijfspanden te allen tijde vrij worden gehouden,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] c.s. een dwangsom te betalen van € 4.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1. en 5.2. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om € 198,00 aan [eiser 1] c.s. te betalen als voorschot op de herstelkosten van de vernietigde camera’s,

5.5.

veroordeelt [betrokkene] in de proceskosten, aan de zijde van Van de [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.410,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.9.

veroordeelt [betrokkene] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.410,39.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 25 augustus 2021.1

1 Conc.: 830