Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6810

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
13-08-2021
Zaaknummer
AWB-20_2987
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenaar. Niet verlengen tijdelijke aanstelling. Aanstelling loopt van rechtswege af. Geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2987


uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.G.L. Boxma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: C. Laros-van der Jagt).

Procesverloop

In het besluit van 23 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder eiser bericht dat zijn aanstelling voor bepaalde tijd van rechtswege afloopt op 15 januari 2020.

In het besluit van 9 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het niet aanbieden van een vaste aanstelling ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam 1] (afdelingsmanager facilitaire zaken) en [naam 2] (manager team regie).

Overwegingen

1. Eiser is per 15 januari 2018 aangesteld in de functie van [functie] op basis van de artikelen 2:1A en 2:4 van het Ambtenarenreglement 1995 in algemene dienst voor bepaalde tijd bij wijze van proef. De aanstelling was voor de duur van één jaar van 15 januari 2018 tot 15 januari 2019. Op 24 mei 2018 heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden en op 10 september 2018 een functioneringsgesprek. In december 2018 is eiser gestart met een coachingstraject. Op 31 december 2018 is de aanstelling voor bepaalde tijd verlengd met 12 maanden. Aanleiding voor de verlenging was dat eiser nog niet voldeed aan de eisen. Hij diende nog een relevante opleiding op het gebied van contractmanagement te volgen en met succes af te ronden en te werken aan de met hem besproken verbeterpunten, te weten op het gebied van samenwerking, het oppakken van de regierol en het proactief zijn en regisserend handelen. Afgesproken is dat eiser nog voor de zomer van 2019 duidelijkheid krijgt over de mogelijke voortzetting van de aanstelling. Op 5 maart 2019 is een voortgangsgesprek gevoerd en in april 2019 heeft eiser twee assessments gedaan, voor de functie van contractmanager en de functie van strategisch huisvestingsmanager. Het coachingstraject is afgerond op 2 juli 2019. Voorts heeft op 25 juli 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser, [naam 1] (afdelingsmanager facilitaire zaken) en [naam 2] (manager team regie, direct leidinggevende van eiser). In augustus 2019 is een (ongedateerde) brief met als onderwerp wijziging functienaam aan eiser uitgereikt. Op die brief staat een handgeschreven aantekening “toevoegen per 15/1/20 vaste aanstelling” en twee correcties in de tekst. Met dagtekening 27 augustus 2019 heeft verweerder eiser een correctiebrief wijziging functienaam toegestuurd. Op 7 november 2019 is tegen eiser gezegd dat de tijdelijke aanstelling niet wordt omgezet, gevolgd door een mail van 27 november 2019 en een mail van 12 december 2019 waarin eisers leidinggevende dit heeft bevestigd. Eiser heeft op 12 december 2019 bezwaar gemaakt. Op 23 december 2019 volgt het (primaire) besluit waarin verweerder eiser mededeelt dat zijn aanstelling voor bepaalde tijd van rechtswege afloopt op 15 januari 2020.

2. In bezwaar is, onder aanvulling van de motivering, de weigering gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt in redelijkheid tot het oordeel te hebben kunnen komen dat eiser niet aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Volgens verweerder volgt uit het dossier dat de verbeterpunten op het gebied van het samenwerken, het onvoldoende nemen van de regierol en het proactief en in control zijn bleven terugkeren en er geen structurele verbeteringen zichtbaar werden. Verweerder weerspreekt uitdrukkelijk dat er ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan aan eiser. Wat betreft het gesprek op 25 juli 2019 stelt verweerder dat daarbij alleen de intentie van voortzetting van de aanstelling is uitgesproken, namelijk onder de voorwaarde dat eiser dan wel eerst aan de gestelde en herhaalde eisen en verwachtingen moest voldoen. Dat er in dat gesprek ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan heeft eiser niet op schrift en dit wordt door de leidinggevende ook uitdrukkelijk betwist. Tijdens een gesprek op 22 augustus 2019 heeft de leidinggevende enkele tekstuele verbeteringen aangebracht op de ongedateerde brief omdat de inhoud niet (volledig) correct was. De handgeschreven aantekening is gemaakt om over dit punt navraag te doen bij de afdeling HRM. Eiser heeft op 27 augustus 2019 de definitieve brief ontvangen waarin de vaste aanstelling niet is toegevoegd. Voor zover de aantekening, bedoeld voor intern beraad, al gezien kan worden als een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging, kon eiser hieraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij een vaste aanstelling zou krijgen. Gelet op de benoemde en structureel terugkerende verbeterpunten is een enkele aantekening op een kladversie van een besluit in een ander (HRM) proces daarvoor onvoldoende.

3. Eiser voert in beroep aan dat hem in het gesprek op 25 juli 2019 gevolgd door de bijschrijving ‘toevoegen per 15/1/20 vaste aanstelling’ op de brief wijziging functienaam een onvoorwaardelijke toezegging is gedaan. Volgens eiser is de heer [naam 1] ook bevoegd om die toezegging te doen. Eiser wijst erop dat in het aanstellingsbesluit staat dat bij gebleken geschiktheid de omzetting naar een vaste aanstelling volgt en dat hij uiteindelijk aan alle vereisten heeft voldaan. Daarom zou hem, aldus eiser, ook die toezegging zijn gedaan. Het gesprek van 25 juli 2019 moet volgens eiser in dat licht worden bezien. Eiser betwist dat in dat gesprek slechts een intentie is uitgesproken. Hij vindt dat niet geloofwaardig en het volgt ook niet uit de feiten. Daarbij wijst eiser onder meer op de mail van 30 oktober 2019 van [naam 1] in het kader van zijn aanvraag om een hypotheek. Volgens eiser is die aantekening ook in lijn met eerdere uitspraken. Eiser stelt dat hem een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan waarop hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Eiser stelt ook nog dat er na het gesprek op 25 juli 2019 geen kritiekpunten meer met hem gedeeld zijn en meent dat het aan verweerder is om de vermeende kritiekpunten dan te benoemen.

4. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:133 of ECLI:NL:CRVB:2020:794) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling.

Daarbij geldt wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan met het besluit om de aanstelling niet voort te zetten niet in strijd handelt met het geschreven of ongeschreven recht.

5. Eiser beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Voor de beoordeling daarvan volgt de rechtbank het stappenplan dat daarvoor intussen in de rechtspraak is ontwikkeld. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4351). Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat er uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs een toezegging kon en mocht afleiden (stap 1). Verder is vereist dat die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte (stap 2). In het kader van stap 3 zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.

6. De rechtbank stelt vast dat er van het gesprek op 25 juli 2019 niets op papier staat. Daarmee is niet te achterhalen wat precies is besproken. Eiser heeft toegelicht dat hij uit dat gesprek heeft opgemaakt dat hij een vaste aanstelling zou krijgen en hij hierin werd bevestigd door de aantekening op de brief in augustus 2019. De rechtbank acht dat niet onbegrijpelijk, te minder omdat uit niets blijkt dat de handgeschreven aantekening enkel voor intern beraad was bedoeld. Op basis van de voorhanden informatie valt weliswaar niet met zekerheid na te gaan wat de strekking van die aantekening is geweest, maar onder de gegeven omstandigheden had het zonder meer op de weg van verweerder gelegen om daarover naar eiser toe volstrekt duidelijk te zijn. Door dit na te laten heeft bij eiser de gerechtvaardigde indruk kunnen postvatten dat hij in aanmerking kwam voor een vaste aanstelling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [naam 1] op zitting zelf ook heeft aangegeven zich vanuit het perspectief van eiser bezien wel te kunnen voorstellen dat hij dat er mogelijk uit heeft afgeleid.

7. Eiser mocht voorts op goede gronden veronderstellen dat [naam 1] bevoegd is om namens het bevoegde orgaan toezeggingen te doen. Dat blijkt ook uit het verslag van de hoorzitting.

8. Het vorenstaande betekent dat eiser een geslaagd beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent echter niet dat die dan ook altijd moeten worden gehonoreerd. Daarvoor is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan (zoals strijd met de wet, het algemeen belang en belangen van derden). Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan wel de verplichting bestaan om de schade die er zonder het vertrouwen niet geweest zou zijn of het nadeel dat de betrokkene heeft ondervonden, te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.

9. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien. Verweerder heeft zich hierover nog niet kunnen uitlaten. Het is in de eerste plaats aan verweerder om die afweging van alle belangen te maken. Verweerder zal daarom, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen.

10. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 9 april 2020;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. M.P.E. Oomens en mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.