Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6783

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
17-08-2021
Zaaknummer
9041995 \ AO VERZ 21-27
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Verzoek om arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op grond van bedrijfseconomische redenen afgewezen. Beslissing van het UWV wordt gevolgd. Werkgever heeft onvoldoende onderbouwd dat er een grond is om werkneemster te ontslaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9041995 \ AO VERZ 21-27

Uitspraakdatum: 18 mei 2021

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Inflight Productions B.V.,

gevestigd te Schiphol

verzoekster

verder te noemen: Inflight

gemachtigde: mr. W.D. Kootstra

tegen

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verweerster

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. E.J.M. van der Lans

Samenvatting:

Verzoek om de arbeidsovereenkomst met de werkneemster te ontbinden op grond van bedrijfseconomische redenen afgewezen. Beslissing van het UWV wordt gevolgd. Werkgever heeft onvoldoende onderbouwd dat er een grond is om werkneemster te ontslaan. Voorts is niet aan de herplaatsingsplicht voldaan.

1 Het procesverloop

1.1.

Inflight heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Dit verzoek is op 18 februari 2021 op de griffie ontvangen. [werknemer] heeft op 13 april 2021 een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 20 april 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren [in 1969] , is op 5 februari 2001 in dienst getreden bij Inflight. De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van Content Programming Manager , met een bruto maandsalaris van € 3.214,22 exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2.

Inflight maakt onderdeel uit van het internationale concern Global Eagle Entertainment (hierna: Global Eagle). Global Eagle richt zich op het wereldwijd leveren van mediacontent, internetconnectiviteit en technologie aan de reisindustrie. Binnen Global Eagle richt Inflight zich met name op het leveren van mediacontent aan Air France-KLM.

2.3.

Inflight heeft op dit moment in Nederland drie werknemers in dienst, waarvan [werknemer] er één is. Binnen het concern Global Eagle zijn ongeveer 1300 mensen werkzaam.

2.4.

Begin 2019 heeft Global Eagle besloten een nieuw cloud-based platform te introduceren, genaamd ‘Open’. Op het platform Open draait inmiddels een tweetal nadere software producten, namelijk Iris en Meta. Meta automatiseert het verzamelen, opslaan en delen van informatie over content waardoor minder handmatig werk nodig is, zoals het invoeren van de beschikbare talen, ondertitels en leeftijdscategorieën in Excel sheets en het vervolgens delen daarvan met iedere individuele klant. Dit is werk dat onder de verantwoordelijkheid van de Content Programming Manager viel. In het Iris-systeem worden standaard media-pakketten samengesteld en aangeboden aan klanten van het concern. Ook dit is een onderdeel van de functie van Content Programming Manager waarin in dat kader op maat gemaakte pakketten voor Air France-KLM worden samengesteld.

2.5.

Naast het gedeelte van de werkzaamheden van [werknemer] dat door de invoering van het platform ‘Open’ is weggevallen, heeft Inflight ook een deel van haar werkzaamheden voor Air France-KLM overgeplaatst naar medewerkers van het concern in Londen. Ook is een deel van de werkzaamheden van [werknemer] , te weten het samenstellen van (standaard) mediapakketten, onder de verantwoordelijkheid komen te vallen van medewerkers met de nieuwe functie Content Planner.

2.6.

Op 23 september 2020 is aan [werknemer] meegedeeld dat Inflight heeft besloten haar arbeidsovereenkomst te beëindigen wegens bedrijfseconomische redenen. Tijdens dit gesprek is een concept vaststellingsovereenkomst aan [werknemer] overgelegd, welke zij niet heeft ondertekend.

2.7.

Op 23 september 2020 heeft Inflight het UWV verzocht toestemming te verlenen voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens bedrijfseconomische redenen. [werknemer] heeft in die procedure verweer gevoerd.

2.8.

Het UWV heeft bij haar besluit van 22 december 2020 geweigerd om aan Inflight toestemming te geven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. In die beslissing is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

(…) “Wij vinden dat werkgever de aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden onvoldoende heeft onderbouwd. Werkgever stelt dat er een online platform wordt gecreëerd, waardoor veel ‘handwerk’ dat door werknemer wordt verricht, verloren gaat. Hierdoor zou de arbeidsplaats van werknemer komen te vervallen. (…) Een duidelijke onderbouwing van de vermindering van haar werkzaamheden ontbreekt. Werknemer stelt dat haar werkzaamheden niet zijn afgenomen en niet zullen afnemen, indien het platform in werking treedt. Content dient namelijk alsnog geselecteerd te worden en er dient afstemming met de klant plaats te vinden. Werkgever gaat niet in op dit standpunt van werknemer. Wij vinden dat werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een groot deel van haar werkzaamheden komt te vervallen. (…) Op basis van het voorgaande heeft werkgever niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van technologische ontwikkelingen, waardoor de werkzaamheden van werknemer zijn verminderd en de arbeidsplaats van werknemer komt te vervallen. Werkgever heeft dit onvoldoende onderbouwd. Zou werkgever de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag wel aannemelijk hebben gemaakt, dan hadden wij ook de gevraagde toestemming voor ontslag niet kunnen verlenen.

Wij vinden namelijk dat werkgever onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Naar gelang de omvang van de onderneming toeneemt, sprake is van verschillende bedrijfsvestigingen of van een groep van ondernemingen, zullen de werkgever en de werknemer minder zicht hebben op de eventuele mogelijkheden tot herplaatsing. Het ligt dan voor de hand dat de werkgever een herplaatsingsgesprek met de werknemer voert en inventariseert wat mogelijk passende functies voor hem zijn. (…) Werkgever heeft geen stukken verstrekt waaruit blijkt dat een herplaatsingsgesprek heeft plaatsgevonden. Hierdoor kunnen wij niet vaststellen dat werkgever zich heeft ingespannen om werknemer te herplaatsen. Het gegeven dat werkgever aan werknemer een outplacementtraject heeft aangeboden, wat werkgever eveneens niet met stukken heeft onderbouwd, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat werkgever zich voldoende heeft ingespannen. Outplacement is namelijk gericht op het vinden van een baan bij een andere werkgever.

Eindoordeel

Wij vinden dat er geen redelijke grond voor het ontslag van werknemer is en dat het mogelijk is om werknemer te herplaatsen.

Beslissing

Wij weigeren werkgever hierbij toestemming om de arbeidsovereenkomst met werkgever op te zeggen.”

3 Het verzoek

3.1.

Inflight verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW onder toekenning van een transitievergoeding. Daarnaast verzoekt Inflight bij de bepaling van de einddatum van de arbeidsovereenkomst rekening te houden met de periode gelegen tussen ontvangst van het verzoekschrift en dagtekening van deze beschikking.

3.2.

Aan dit verzoek legt Inflight ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – bedrijfseconomische redenen die tot boventalligheid leiden. Ter onderbouwing daarvan heeft Inflight het volgende naar voren gebracht. Door de invoering van het nieuwe systeem ‘Open’ is veel handmatig werk dat werd uitgevoerd door Content Programming Managers geautomatiseerd. Tevens maakt Air France in het geheel niet meer en KLM nog maar zeer beperkt gebruik van de mogelijkheden om op maat geselecteerde content af te nemen, hetgeen nu juist de voornaamste functie van [werknemer] was. Het werk van Content Programming Managers is dus vrijwel geheel verdwenen. Daarnaast voert Inflight aan dat zij voldoende herplaatsingsonderzoek hebben gedaan, maar dat herplaatsing van [werknemer] in een passende functie binnen Global Eagle niet mogelijk is. De door [werknemer] genoemde functies zijn ofwel niet passend omdat zij niet aansluiten bij haar competenties, ofwel omdat voor deze functie is vereist dat de werkzaamheden vanuit de Verenigde Staten worden uitgeoefend en voor deze functie geen visum wordt uitgegeven. Doordat de functies niet passend zijn, bestaat volgens Inflight ook geen verplichting om hierover in gesprek te gaan met [werknemer] .

4 Het verweer

4.1.

[werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Dat [werknemer] momenteel minder te doen heeft, is primair het gevolg van de corona-crisis, niet van het nieuwe systeem. Daarnaast is het werk van [werknemer] niet komen te vervallen. Het nog bestaande werk van [werknemer] is onderverdeeld bij andere collega’s. Daarnaast is het selecteren van content nog altijd vereist en zal er nog altijd op de oude manier een back-up worden gemaakt. Een objectieve onderbouwing van het verval van de arbeidsplaats van [werknemer] ontbreekt. Met betrekking tot de herplaatsing voert [werknemer] aan dat Inflight geen herplaatsingsinspanningen heeft verricht, dat geen gesprek is gevoerd over de herplaatsing en dat er voldoende vacatures voor passende functies voorbij zijn gekomen, waarop Inflight haar niet heeft gewezen. Het argument dat bepaalde functies vanuit de Verenigde Staten moeten worden uitgeoefend snijdt volgens [werknemer] geen hout, nu deze functies ook op afstand uitgeoefend kunnen worden en zij momenteel ook veel contact heeft met filmproducenten uit de Verenigde Staten. Derhalve is volgens [werknemer] ook niet aan de herplaatsingsverplichting voldaan.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [werknemer] (subsidiair) om toekenning van de transitievergoeding van € 23.809,73 en een billijke vergoeding van
€ 40.000,- wegens ernstig verwijtbaar handelen van Inflight. Daarnaast verzoekt [werknemer] bij het bepalen van de einddatum wel rekening te houden met de voor [werknemer] geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van deze beschikking. Zowel primair als subsidiair verzoekt [werknemer] Inflight te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde vergoedingen alsmede Inflight te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan de werknemer een transitievergoeding en een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

Inflight heeft aan het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag gelegd dat sprake is van een bedrijfseconomische reden, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW. Gelet op artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, BW, kan op deze grond een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden gedaan, omdat het UWV bij eerdergenoemd besluit heeft geweigerd om aan Inflight op die grond toestemming te geven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst.

5.3.

Inflight heeft het verzoek tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming door het UWV is geweigerd. Het besluit van het UWV is immers van 22 december 2020 en het verzoek is ontvangen op 18 februari 2021.

5.4.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.5.

Uitgangspunt is dat het een werkgever vrij staat om voor een bepaalde bedrijfsvoering en inrichting van zijn onderneming te kiezen, ook als dat leidt tot een organisatieverandering met verlies van arbeidsplaatsen. Bij de toetsing van de keuze van de werkgever door de kantonrechter past dan ook een bepaalde mate van terughoudendheid. De werkgever moet zich wel voor zijn keuze verantwoorden door onder meer het structureel vervallen van arbeidsplaatsen aannemelijk te maken.

5.6.

Inflight voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het vervallen van de functie van [werknemer] wegens invoering van een nieuw cloud-based platform. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Inflight in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.7.

Het is aan Inflight om aannemelijk te maken dat de arbeidsplaats van [werknemer] vervalt door maatregelen die noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering. Inflight voert aan dat er als gevolg van technologische ontwikkelingen minder werkzaamheden te verrichten zijn in het kader van het ontwikkelen en aanbieden van de aan de klanten te leveren programmering. Naar het oordeel van de kantonrechter ontbreekt echter een duidelijke onderbouwing van de vermindering of het verval van de werkzaamheden van [werknemer] . De enkele verklaring van [leidinggevende], leidinggevende van [werknemer] sinds 2020, en de daarbij overgelegde tabel met werkzaamheden is daarvoor in elk geval onvoldoende. [werknemer] heeft de juistheid van die tabel betwist en opgemerkt dat die geen volledig overzicht bevat van de werkzaamheden van [werknemer] . Inflight heeft daar niet concreet iets tegenin gebracht. Inflight voert nog aan dat de programmeringswerkzaamheden worden gecentraliseerd in Londen, maar hieruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter nog niet dat dit ook leidt tot het verval van de arbeidsplaats van [werknemer] . Inflight heeft dus niet voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van technologische ontwikkelingen die tot gevolg hebben dat de werkzaamheden van [werknemer] zijn verminderd en haar arbeidsplaats komt te vervallen.

5.8.

Met betrekking tot de herplaatsingsplicht van Inflight oordeelt de kantonrechter als volgt. De verplichting tot herplaatsing beoogt niet een resultaatsverplichting van de werkgever tot herplaatsing in het leven te roepen. Het gaat om een inspanningsverplichting, om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd (ECLI:NL:HR:2019:64). Beoordeeld moet dus worden of Inflight zich voldoende heeft ingespannen om [werknemer] binnen het concern te herplaatsen.

5.9.

Tegen het verweer van [werknemer] dat Inflight niet met haar heeft gesproken over herplaatsingsmogelijkheden heeft Inflight feitelijk niets ingebracht behalve een enkele ontkenning. Er is dan ook niet komen vast te staan dat Inflight met [werknemer] in gesprek is gegaan over de herplaatsingsmogelijkheden binnen het concern. Ook heeft Inflight niet aannemelijk gemaakt dat zij inspanning heeft geleverd om een passende functie voor [werknemer] te vinden binnen het concern. Voor zover Inflight meent dat op haar geen verdere verplichting rust omdat voor de vervallen functies geen nieuwe zijn gecreëerd en er geen passende functies waren, wordt die stelling verworpen. Mede gezien de omvang van het concern en het feit dat [werknemer] al twintig jaar in dienst is bij Inflight mocht van haar in redelijkheid worden verwacht dat zij zou proberen om [werknemer] binnen het concern te herplaatsen. Er is niet gebleken dat Inflight zich daartoe heeft ingespannen. Daarbij is ook van belang dat [werknemer] meerdere vacatures heeft overgelegd die naar haar mening passend zouden kunnen zijn en Inflight onvoldoende heeft onderbouwd waarom [werknemer] niet in aanmerking zou komen voor deze functies. Daarbij weegt mee dat ook niet is vast komen te staan dat [werknemer] met behulp van scholing niet geschikt zou kunnen zijn voor de desbetreffende functies.

5.10.

De kantonrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat Inflight niet aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan.

5.11.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Inflight zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden.

5.12.

De proceskosten komen voor rekening van Inflight, omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de verzochte ontbinding af;

6.2.

veroordeelt Inflight tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 873,00 te weten:

griffierecht € 126,00;

salaris gemachtigde € 747,00;

6.3.

verklaart deze beschikking, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter en op 18 mei 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter