Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6770

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
15/272180-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW. Sprake van een eenzijdig verkeersongeval. Eén van de inzittenden zwaargewond. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het rijgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat het aan zijn schuld is te wijten dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij aan inzittende zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0671
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/272180-19 (P)

Uitspraakdatum: 10 augustus 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juli 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

primair
hij op of omstreeks 9 november 2019 te Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de provincialeweg N 242 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl aan dat motorrijtuig een zogenaamde 'thuiskomer'band was gemonteerd, met een niet toegestane en/of (zeer onverantwoord) hoge snelheid te rijden en bij of na een chicane naar rechts de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig kwijt te raken, in een slip te raken en tot stilstand te komen tegen de aldaar aanwezige vangrail, waardoor aan een inzittende van dat motorrijtuig, genaamd [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel, (te weten onder en bovenbeen breuken en een bekkenbreuk), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair
hij op of omstreeks 9 november 2019 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Provincialeweg N 242, terwijl aan dat voertuig een 'thuiskomer'band was gemonteerd, met een zodanig hoge (niet toegestane) snelheid heeft gereden, dat hij bij of na een chicane naar rechts de controle over het door hem bestuurde voertuig is kwijtgeraakt, in een slip is geraakt en tot stilstand is gekomen tegen de aldaar aanwezige vangrail, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Feit 2
hij op of omstreeks 9 november 2019 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, Huiswaarderweg N 245 ter hoogte van de kruising met de Laan van Straatsburg, met hoge snelheid een voor hem bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolgingen en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Ook de raadsman van de verdachte is van mening dat er voldoende bewijs is voor de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De raadsman heeft de rechtbank verzocht ‘zeer onverantwoord’ weg te strepen uit de bewezenverklaring en heeft zich ten aanzien van het letsel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die door het rode licht heeft gereden. Bovendien is het dan nog de vraag of daardoor gevaar of hinder is veroorzaakt, gelet op het nachtelijke tijdstip en de kleine hoeveelheid weggebruikers op de weg.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om met een voor een bewezenverklaring vereiste voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen dat het de auto met de verdachte als bestuurder is geweest die door het rode licht is gereden.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsmotivering

De rechtbank stelt op basis van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 9 november 2019 is op de provinciale weg N242 te Alkmaar een personenauto verongelukt bij een eenzijdig ongeval. De verdachte was de bestuurder van deze personenauto en was die avond met twee inzittenden onderweg naar Amsterdam. De personenauto reed over de provinciale weg, komende uit de richting van de Nieuwe Schermweg en gaande in de richting van de Smaragdweg. In verband met werkzaamheden aan de Leeghwaterbrug was op die plaats de maximale snelheid 50 km/h. Al het verkeer in beide richtingen werd over één rijbaan geleid en net na de Leeghwaterbrug zat er voor het verkeer gaande in de richting van de Smaragdweg een chicane in de weg, zodat dit verkeer weer terug kon komen op de oorspronkelijke rijbaan. De verdachte heeft op enig moment naar rechts gestuurd waardoor hij met zijn voertuig in de berm in een slip is geraakt. Vervolgens is de personenauto tot stilstand gekomen tegen de vangrail ter hoogte van de afslag Bestevaerstraat. Een van de inzittenden, [benadeelde], die rechts achterin het voertuig zat, raakte zwaar gewond.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat de maximale toegestane snelheid 50 km/h was wegens werkzaamheden, maar dat hij 80 km/h reed op cruise control. In de auto was een discussie gaande over de vraag of zij iets zouden gaan eten bij de KFC, gelegen aan de Bestevaerstraat. Vlak voor de afslag werd besloten te gaan eten bij de KFC, waarop de verdachte naar rechts heeft gestuurd. Dit was echter te vroeg, waardoor het voertuig weggleed en in de berm terecht kwam. De verdachte heeft daarom gas bijgegeven en geprobeerd bij te sturen om uit de berm te komen, maar reed de vangrail in en kwam zo tot stilstand.

Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW 1994 te kunnen komen, moet worden bewezen dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” houdt daarbij in dat minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of van onoplettend handelen. Daarbij geldt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld zoals hiervoor omschreven. Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels, kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 (Hoge Raad 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte met een te hoge snelheid, namelijk van ongeveer 80 km/h, heeft gereden op een plek waar als toegestane maximale snelheid 50 km/h gold wegens werkzaamheden. Vanwege deze werkzaamheden werd al het verkeer in beide richtingen op één rijbaan geleid en zat er een chicane in de weg. Mede gelet op deze combinatie van een ingewikkelde wegsituatie én de niet toegestane en onverantwoorde hoge snelheid waarmee de verdachte reed, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het rijgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat het aan zijn schuld is te wijten dat daardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij aan [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 primair

hij op 9 november 2019 te Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Audi, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de provinciale weg N242, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, met een niet toegestane en onverantwoord hoge snelheid te rijden en bij of na een chicane naar rechts de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig kwijt te raken, in een slip te raken en tot stilstand te komen tegen de aldaar aanwezige vangrail, waardoor aan een inzittende van dat motorrijtuig, genaamd [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel (te weten onder- en bovenbeenbreuken en een bekkenbreuk), is ontstaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van feit 1 primair zal worden veroordeeld tot het betalen van een geldboete ter hoogte van € 1.000,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte een first offender is en zich schuldig voelt over het verkeersongeval. De verdachte heeft zijn leven op orde en het reclasseringsrapport bevestigt dat beeld. De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door bij een ingewikkelde en onoverzichtelijke wegsituatie wegens werkzaamheden met een niet toegestane en onverantwoord hoge snelheid te rijden, waardoor hij de controle over zijn voertuig is verloren. De verdachte is met zijn voertuig in de berm terecht gekomen, in een slip geraakt en tot stilstand gekomen tegen de vangrail. Een inzittende, [benadeelde], raakte hierdoor zwaargewond. Hij heeft door het ongeval breuken in zijn onderbeen, bovenbeen en bekken opgelopen en heeft daarvoor meerdere operaties moeten ondergaan. In zijn toelichting bij de vordering tot schadevergoeding geeft hij aan dat hij nog dagelijks pijn heeft in zijn heup en been, het ongeluk elke avond opnieuw herbeleeft en dat hij EMDR-therapie heeft moeten ondergaan. Door toedoen van de verdachte is het leven van [benadeelde] flink overhoop gegooid.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 juni 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor overtreding van de WVW 1994 is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies, gedateerd 6 juli 2021 en opgesteld door [reclasseringswerker], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Uit dit advies volgt dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor het ongeval. De reclassering ziet geen aanwijzingen dat sprake is van enige problematiek of problematisch middelengebruik. Bovendien wordt het recidiverisico als laag ingeschat. De reclassering ziet daarom geen noodzaak voor een reclasseringsaanbod en adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De verdachte is volgens de reclassering in staat om een taakstraf uit te voeren of een geldboete te betalen. De rechtbank kan zich met de inhoud van dit advies verenigen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van het feit, in beginsel – slechts – worden gereageerd met de oplegging van een forse taakstraf. De rechtbank slaat daarbij acht op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS waarin voor een overtreding van artikel 6 WVW 1994 in het geval van aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel een taakstraf voor de duur van 120 uren als uitgangspunt wordt gehanteerd.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, dat hij na het ongeval contact heeft onderhouden met het slachtoffer en dat hij zijn moeder een aanzienlijk bedrag heeft moeten betalen voor de schade aan de auto. Bovendien is het rijbewijs van de verdachte een lange tijd ingevorderd geweest en hebben zijn bedrijven daaronder geleden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis moet worden opgelegd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie maanden dient te worden ontzegd, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

Deze straf valt hoger uit dan de strafeis, omdat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, het letsel van [benadeelde] als zwaar lichamelijk letsel kwalificeert en een geldboete onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 100.000 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij het een erg hoog bedrag vindt en dat er weinig onderbouwende stukken aanwezig zijn. Zij vordert daarom dat de vordering wordt gematigd tot een bedrag van € 750,- en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering.

Ook de raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Indien de rechtbank tot toewijzing van immateriële schade komt, verzoekt de raadsman het gevorderde bedrag fors te matigen.

Uit de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [benadeelde] zwaar letsel heeft opgelopen als gevolg van het ongeval. Er is sprake van meerdere botbreuken in zijn been en bekken en hij heeft daarvoor meerdere operaties moeten ondergaan. In de onderbouwing van de vordering heeft [benadeelde] aangegeven dat hij hier nog dagelijks pijn van ondervindt, last heeft van slapeloze nachten en nachtmerries en dat zijn leven flink ontregeld is. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde nadeel heeft geleden dat niet in vermogensschade bestaat. Gelet op de zojuist beschreven omstandigheden komt de rechtbank een schadevergoeding van € 10.000,- billijk voor. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3.4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: overtreding van artikel 6 WVW 1994] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikel 9, 22c, 22d, 36f, 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van tachtig [80] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door veertig [40] dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie [3] maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 10.000,- [zegge: tienduizend euro], bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,- [zegge: tienduizend euro] vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste vijfentachtig [85] dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Smits, voorzitter,

mr. N. Boots en mr. C. Maas, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.H.A. van Roessel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 augustus 2021.

mr. C. Maas en mr. A.H.A. van Roessel zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.