Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6744

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
C/15/318182 / KG ZA 21-381
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen hebben een zorg-huurovereenkomst gesloten. Als gevolg van aanhoudende intimidaties en bedreigingen kan voortzetting van de zorg- en daarmee de huurrelatie niet van de zorginstelling worden gevergd zodat ontruiming aangewezen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/19, UDH:S&E HW/50920 met annotatie van Rob Nederveen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats [plaats]

zaaknummer / rolnummer: C/15/318182 / KG ZA 21-381

Vonnis in kort geding van 6 augustus 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING REGIONALE INSTELLING VOOR BESCHERMD WONEN KENNEMERLAND/AMSTELLAND EN DE MEERLANDEN,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. P.F.P. Nabben en mr. E.J.M. Dubach te Haarlem,

tegen

[gedaagden] ,

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.M. Jongeling te Amsterdam.

Partijen zullen hierna RIBW en [gedaagden] genoemd worden.

1 De zaak in het kort

1.1.

Partijen hebben met elkaar een zorg- en huurovereenkomst gesloten. Op grond van de zorgovereenkomst verleent RIBW begeleiding aan [gedaagden]. Onderdeel van de begeleiding is het verschaffen van een huurwoning aan [gedaagden] zolang dat voor de begeleiding nodig is. In mei 2021 heeft RIBW de zorg overeenkomst en de huurovereenkomst opgezegd, omdat het geven van begeleiding aan [gedaagden] onmogelijk is door aanhoudende intimidaties en bedreigingen die hij uit. Daarbij voldoet [gedaagden] niet (meer) aan de voorwaarden van het Housing First-traject doordat hij niet langer onder bewind staat en er een huurachterstand is ontstaan. Voortzetting van de zorgrelatie en daarmee van de huurrelatie kan om die reden niet langer van RIBW gevergd worden, zodat [gedaagden] zijn huurwoning moet verlaten.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van RIBW inclusief 15 producties van 16 juli 2021,

  • -

    de nagezonden producties 16 t/m 23 van RIBW van 22 juli 2021,

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 juli 2021 en de door de griffier bijgehouden aantekeningen,

  • -

    de spreekaantekeningen van RIBW,

  • -

    de spreekaantekeningen van [gedaagden].

2.2.

Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:

  • -

    mr. Nabben en mr. Dubach voornoemd,

  • -

    [gedaagden], bijgestaan door mr. Jongeling voornoemd.

2.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

3 Feiten

3.1.

RIBW is een GGZ-zorginstelling die zorg verleent aan psychisch kwetsbare mensen. In het kader van de zorgverlening wordt door RIBW ook voor huisvesting gezorgd. Een van de projecten van RIBW is het Housing First [plaats] (Hierna: HFH).

Uitgangspunt van de zorgverlening is dat toegewerkt wordt naar zelfstandig wonen waarbij huisvesting een eerste voorwaarde is voor een goede zorgverlening. De deelnemers aan het HFH worden geplaatst in woningen die door RIBW worden gehuurd van woningcorporaties, waaronder Pré Wonen. Na verloop van tijd kunnen deelnemers aan het HFH-project rechtstreeks van de woningcorporatie huren.

3.2.

Op 2 juli 2019 is RIBW met [gedaagden] voor onbepaalde tijd een zorgovereenkomst aangegaan. De overeenkomst houdt onder meer in dat RIBW [gedaagden] begeleidt bij het zelfstandig wonen. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Zij nemen in overweging dat:

De Algemene Leveringsvoorwaarden ggz onderdeel uitmaken van deze overeenkomst. Deze zijn te vinden op www.ribw-kam.nl/leveringsvoorwaarden en/of indien gewenst kosteloos en per omgaande op papier te verkrijgen.”

3.3.

In de algemene leveringsvoorwaarden ggz is onder meer opgenomen:

“Artikel 27 – beëindiging van de overeenkomst

1. De overeenkomst eindigt:

a. bij overplaatsing naar een andere zorginstelling;

b. met instemming van beide partijen;

c. na een eenzijdige, ondubbelzinnige opzegging van de overeenkomst door de client;

d. na een eenzijdige opzegging door de zorginstelling met inachtneming van het bepaalde in artikel 30;

e. overlijden van de client;

f. op de einddatum genoemd in het indicatiebesluit;

g. wanneer de geldigheidsduur van de beschikking waarop de overeenkomst is gebaseerd is afgelopen;

2. indien de overeenkomst mede inhield het bieden van zelfstandige verblijfsruimte op grond van een huurovereenkomst, eindigt de overeenkomst uiterlijk na een kalendermaand na het moment van beëindigen van de overeenkomst conform het eerste lid van dit artikel.

(…)

Artikel 30 – opzegging van de overeenkomst door de zorginstelling

1. De zorginstelling is gerechtigd de overeenkomst op te zeggen, indien:

a. de financiering, de verwijzing, de indicatie of een geldende beschikking voor de zorg komt te ontbreken; de zorginstelling gaat hier evenwel niet toe over indien de instelling meent dat het stopzetten van de zorg op dat moment onverantwoord is omdat sprake is van noodzakelijke zorg;

b. de client herhaaldelijk diens verantwoordelijkheden uit de overeenkomst niet nakomt of kan nakomen, daarop herhaaldelijk is aangesproken maar hij of zij zijn of haar gedrag niet verandert en dit heeft geleid tot een zodanige situatie dat het langer voortduren van de overeenkomst in redelijkheid niet langer van de zorginstelling kan worden gevergd;

c. de client zodanig ernstige strafbare feiten begaat die een duidelijke weerslag hebben op de relatie met de zorgverleners of de medecliënten, dat het voortduren van de overeenkomst niet langer in redelijkheid van de zorginstelling kan worden gevergd;

d. door toedoen van naasten van de client ernstige spanningen met de zorgverleners ontstaan, waardoor voortzetting van zorgvuldige zorg al dan niet in combinatie met verblijf ernstig wordt bemoeilijkt;

e. indien de zorgvraag van de client dusdanig verandert dat het niet meer van de zorginstelling kan worden verlangd dat zij de zorg verleent zoals is overeengekomen en is vastgelegd in het zorgplan.

2. Bij beëindiging van de overeenkomst neemt de zorginstelling een redelijke termijn in acht als mede die zorgvuldigheid betreffende de nazorg, die in redelijkheid van de instelling mag worden verwacht.

Artikel 31 – nazorg

1. Bij het beëindigen van de overeenkomst spannen de zorginstelling en de client zich in om in onderling overleg tijdig de randvoorwaarden te regelen die nodig zijn voor het ontslag en/of de nazorg indien continuïteit van zorg noodzakelijk is. De zorginstelling stelt op de hoogte van het ontslag vóór het daadwerkelijke vertrek:

a. de contactpersoon of vertegenwoordiger van de client;

b. betrokken zorgverleners, al dan niet binnen dezelfde zorginstelling.

2. Indien de overeenkomst gepaard gaat met verblijf, is de zorginstelling behulpzaam bij het vinden van eventuele huisvesting en – indien nodig – het regelen van een uitkering voor de client.”

3.4.

Tegelijk met de zorgovereenkomst hebben partijen ook een (onderhuur)overeenkomst met elkaar gesloten. Op basis van deze overeenkomst huurt [gedaagden] de woning aan de [adres] te [plaats] tegen een maandelijkse huurprijs van € 568,41. In de overeenkomst staat onder meer:

“a. RIBW K/AM verleent zorg en verschaft in het kader van ambulante begeleiding tijdelijke huisvesting aan mensen die daar op basis van de door RIBW K/AM gestelde criteria voor in aanmerking komen.

b. Huurder/deelnemer voldoet aan die criteria en heeft met RIBW K/AM een daarop gerichte zorgovereenkomst of bereidheidsverklaring (alleen van toepassing bij HFH) gesloten, zie bijlage 1.

c. RIBW K/AM verzorgt de begeleiding aan de huurder/deelnemer. Doelstelling is het geven van begeleiding aan mensen die zijn opgevangen door RIBW K/AM. Onderdeel van deze begeleiding is het verschaffen van onderdak in woonruimte zolang dat voor de begeleiding nodig is. Het gebruik van de woning is een onderdeel van die begeleiding waarbij de begeleidingsfunctie overheerst.

d. Op grond van het bovenstaande is deze huurovereenkomst onlosmakelijk met genoemde zorgovereenkomst of bereidheidsverklaring (alleen van toepassing bij HFH) verbonden, en om die reden eindigt deze huurovereenkomst bij het einde van de begeleiding.

e. Huurder/deelnemer onderschrijft de doelstelling van de begeleiding en aanvaardt dat hij/zij bij het einde van de begeleiding de woonruimte dient te verlaten. Indien het traject naar ieders tevredenheid wordt afgerond zal onderzocht worden of een huurovereenkomst met de corporatie kan worden aangegaan.

En zijn het volgende overeengekomen:

1. Deze overeenkomst geldt voor de duur van de begeleiding van de huurder/deelnemer door RIBW K/AM. Op deze overeenkomst zijn derhalve niet van toepassing de artikelen 7:201 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Door het einde van de begeleiding – om welke reden dan ook – eindigt derhalve van rechtswege ook deze huurovereenkomst.

2. De woning wordt door RIBW K/AM gehuurd van een woningcorporatie zodat RIBW K/AM hoofdhuurder en huurder/deelnemer onderhuurder is. (…)

3. De medewerkers van RIBW K/AM zijn verplicht de huurder/deelnemer te begeleiden en te ondersteunen. De deelnemer is verplicht van de begeleiding gebruik te maken.

(…)

15. RIBW K/AM is in geval van wanprestatie (achterstallige betaling, onderhoud) van de huurder/deelnemer of in geval van onbehoorlijk gedrag (overlast) door de gebruiker of bij een negatieve tussentijdse evaluatie in het kader van het begeleidingstraject bevoegd deze huurovereenkomst (en daarmee ook de begeleidingsovereenkomst of bereidheidsverklaring (alleen van toepassing bij HFH)) met onmiddellijke ingang op te zeggen. De huurder/deelnemer is alsdan verplicht de woning met al het hare c.q. al het zijne te verlaten onder afgifte van de sleutels van de woning aan RIBW K/AM. (…)”

3.5.

[gedaagden] heeft tevens de, in de onderhuurovereenkomst genoemde, bereidheidsverklaring ondertekend. Daarin is onder meer opgenomen dat [gedaagden] zich begeleidbaar opstelt, zich gedraagt als een goed huurder, geen overlast veroorzaakt, gemaakte afspraken nakomt en akkoord gaat met een beschermingsbewind.

3.6.

Sinds 2 juli 2019 bewoont [gedaagden] de woning. De woning is eigendom van Pré Wonen.

3.7.

Bij brief van 28 mei 2020 stuurt RIBW een eerste officiële waarschuwing naar [gedaagden] naar aanleiding van aanhoudende bedreigingen die [gedaagden] uit naar medewerkers van RIBW. Tevens wijst RIBW hem erop dat, wanneer verbetering uitblijft, zij kan overgaan tot opzegging van de zorgovereenkomst en dat dit ook ernstige gevolgen kan hebben voor de huurwoning van [gedaagden].

3.8.

In juni 2020 hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen medewerkers van RIBW en [gedaagden].

3.9.

Bij brief van 6 augustus 2020 stuurt RIBW een tweede officiële waarschuwing naar [gedaagden] vanwege verbale agressie en aanhoudende bedreigingen. Tevens vermeldt de brief dat [gedaagden] aangegeven heeft dat hij vanuit RIBW niet de ondersteuning ontvangt die hij nodig heeft en dat RIBW als reactie daarop een andere persoonlijk begeleider aan hem heeft toegewezen.

3.10.

Aansluitend op de tweede officiële waarschuwing heeft RIBW het begeleidingstraject met [gedaagden] geïntensiveerd. De persoonlijk begeleiders van [gedaagden] zijn daarbij begeleidt door een externe coach.

3.11.

Bij brief van 20 januari 2021 verzoekt RIBW [gedaagden] opnieuw om te stoppen met het bedreigen en intimideren van haar medewerkers.

3.12.

Bij brief van 10 maart 2021 schrijft Pré Wonen dat zij de huurovereenkomst met RIBW ten aanzien van de woning die [gedaagden] onderhuurt wenst op te zeggen, omdat Pré Wonen ten aanzien van [gedaagden] sinds april 2020 overlastmeldingen ontvangt. Deze meldingen zien op agressie, bedreiging, intimidatie en het niet willen meewerken aan de onderhoudswerkzaamheden die in het complex uitgevoerd worden.

3.13.

Bij brief van 11 mei 2021 stuurt RIBW een derde officiële waarschuwing naar [gedaagden].

3.14.

Nadien heeft er overleg met de Raad van Bestuur van RIBW plaatsgevonden over [gedaagden]. Daarvan is een intern verslag opgemaakt. Het verslag vermeldt onder meer:

“Dhr. geeft de RIBW de schuld van alles en kan geen onderscheid maken wat wel of niet door ons veroorzaakt is. Wanneer wij hier uitleg over geven geeft dhr. Hier geen gehoor aan en blijft ons de schuld geven. (vb post van vorige bewoner, verbouwing Pré Wonen)
Het is in de samenwerking dus niet mogelijk om dhr. Dingen uit te leggen, te leren; dhr. kan het niet horen waardoor het contact alleen maar reactief is en niet constructie.

Dhr. Zal bij alles wat hem ook maar enigszins stress geeft hetzelfde gedrag vertonen, de ervaring is dat hij hierin niet leerbaar is en dat we met dit traject de situatie niet gaan veranderen. Ondanks dat dhr. het afgelopen half jaar 5 dagen in de week een beroep kon doen op begeleiding, en altijd door collega gehoord en gesteund werd, verandert er niets qua explosiviteit. Daarbij heeft dhr. aan dat hij zijn gedrag als logisch ziet, dit heeft hij regelmatig uitgesproken. Hierdoor is er geen grip meer op de situatie.

Dhr. is enerzijds voorspelbaar: we weten hoe hij gaat reageren, maar anderzijds onvoorspelbaar: dhr. lijkt een vertrouwensrelatie met begeleiding op te bouwen maar deze kan ieder moment weer kapot zijn (zo ook bij het Veiligheidshuis). Het maakt ook niet uit of collega er mee bezig is. Als hij akkoord is dat collega actie gaat ondernemen, belt hij vervolgens het KS op.

Wat dhr. nodig heeft is een omgeving die is afgeschermd van veranderingen en onverwachte situaties. Er zijn in Nederland maar enkele instanties/locaties die met deze doelgroep om kunnen gaan, over het algemeen in het oosten van het land.”

3.15.

Bij brief van 25 mei 2021 heeft RIBW de zorg- en huurovereenkomst met [gedaagden] opgezegd tegen 1 juli 2021. De brief vermeldt onder meer:

Beëindiging zorg- en huurovereenkomst

3. Helaas moet ik u berichten dat RIBW heeft besloten tegen 1 juli 2021 de zorg- en huurovereenkomst met u op te zeggen. Dit houdt in dat de zorgbegeleiding per die datum stopt en dat u de woning voor 1 juli 2021 onder afgifte van de sleutels moet verlaten (art. 15 huurovereenkomst).

Reden voor beëindiging

4. RIBW houdt een dossier bij waarin elke keer een korte aantekening wordt gemaakt van de begeleidingsmomenten. Uit dit dossier blijkt dat begeleiding niet mogelijk is door de vele aanhoudende intimidaties en bedreigingen die u uit.

(…)

Bewind/curatele

15. Naast de bedreigingen zijn er nog meer redenen om de overeenkomsten met u op te zeggen: u voldoet niet aan de voorwaarden van het Housing First project: beschermingsbewind of curatele (zie bijlage 4: bereidheidsverklaring). U heeft meerdere bewindvoerders gehad maar die legden steeds het werk neer na aanhoudende bedreigingen.

Dit houdt in dat u sinds april 2020 geen bewindvoering meer heeft.

Huurachterstand

16. Tot slot constateer ik dat u sinds maart 2021 de huur niet meer betaalt. Ook dit is een geldige reden voor RIBW om tot opzegging van de zorg- en huurovereenkomst over te gaan (art. 15 huurovereenkomst).”

3.16.

Het dossier van RIBW vermeldt voor de periode van 7 januari 2021 tot en met 1 juli 2021 in totaal 44 incidenten waarbij [gedaagden] bedreigingen heeft geuit, dan wel verbaal agressief is geweest.

3.17.

Er zijn meerdere aangiftes bij de politie tegen [gedaagden] gedaan.

3.18.

[gedaagden] heeft geen gehoor gegeven aan de opzegging van RIBW, zijn eigendommen bevinden zich op dit moment nog in de woning.

3.19.

[gedaagden] zit sinds 14 juli 2021 gedetineerd.

4 Het geschil

4.1.

RIBW vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagden], uitvoerbaar bij voorraad, tot:

I. betaling van € 2.324,63;

II. ontruiming van de woning aan de [adres] te [plaats];

III. betaling van € 583,26 voor elke maand vanaf 1 juli 2021 tot aan de dag van de gevorderde ontruiming;

IV. betaling van de proces- en nakosten.

4.2.

RIBW legt primair aan haar vorderingen ten grondslag dat zij de huur-zorgovereenkomst bij brief van 25 mei 2021 heeft opgezegd omdat [gedaagden] door aanhoudende intimidaties en bedreigingen de zorgverlening door RIBW frustreert. Bovendien houdt hij zich niet aan zijn verplichtingen, [gedaagden] stelt zich niet begeleidbaar op en veroorzaakt overlast. RIBW stelt daarbij dat [gedaagden] niet aan de essentiële voorwaarden voor de verhuur en deelname aan het Housing First-project voldoet, doordat hij niet langer onder bewind staat en er een huurachterstand is ontstaan. Het voorzetten van de huur-zorgovereenkomst kan daarom in redelijkheid niet langer van RIBW worden gevergd. Subsidiair doet RIBW een beroep op buitengerechtelijke ontbinding van de huur-zorgovereenkomst, omdat [gedaagden] zowel ten aanzien van zijn contractuele, als van zijn wettelijke verplichtingen als zorgclient en huurder al geruime tijd in verzuim is. Toewijzing van de vorderingen is daarom aangewezen.

4.3.

Behoudens de huurachterstand betwist [gedaagden] de vorderingen van RIBW en voert daarbij aan dat de algemene leveringsvoorwaarden GGZ waarop RIBW de opzegging heeft gebaseerd vernietigbaar zijn, omdat [gedaagden] niet in de gelegenheid is geweest daarvan kennis te nemen. Omdat de huur-zorgovereenkomst niet via de elektronische weg is gesloten, maar fysiek met [gedaagden] is aangegaan, hadden de algemene voorwaarden persoonlijk aan hem overhandigd moeten worden en is de verwijzing in de zorgovereenkomst naar de website van RIBW niet voldoende. Bovendien zal op de zorgovereenkomst artikel 7:460 BW analoog moeten worden toegepast, zodat voor de opzegging gewichtige redenen moeten bestaan, maar daarop is door RIBW geen beroep gedaan. [gedaagden] betwist daarbij dat RIBW niet voldaan heeft aan de zorgvuldigheid die moet worden betracht bij de opzegging van een zorgovereenkomst, zodat de vordering tot ontruiming moet worden afgewezen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Gelet op de ernstige gevolgen van een ontruiming voor [gedaagden], is voor toewijzing van die ontruiming in kort geding vereist dat het hoogst waarschijnlijk is dat de bodemrechter desgevraagd de ontruiming zal toewijzen. Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.2.

Met betrekking tot het voor toewijzing van een vordering in kort geding vereiste spoedeisend belang, stelt de voorzieningenrechter voorop dat niet in geschil is dat het gehuurde deel uitmaakt van een beperkte voorraad woningen die RIBW beschikbaar heeft om te verhuren aan psychisch kwetsbare mensen aan wie zij op basis van een zorgovereenkomst woonbegeleiding geeft.

5.3.

RIBW stelt dat zij de onderhuurovereenkomst met [gedaagden] tegen 1 juli 2021 heeft opgezegd, zodat [gedaagden] sindsdien zonder recht of titel in de woning verblijft. Mede gelet op de schaarste aan het betrokken type voorzieningen is in het beëindigen van die (gestelde) onrechtmatige situatie naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang gelegen.

De zorg-huurovereenkomst

5.4.

Er zijn tussen RIBW en [gedaagden] twee overeenkomsten gesloten. De zorgovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan. De overeenkomst regelt dat RIBW aan [gedaagden] begeleiding biedt conform de begeleidingsaanvraag/geldige indicatie van client, zo staat in artikel 2 van deze overeenkomst. Gelijktijdig met de zorgovereenkomst hebben partijen een onderhuurovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat RIBW woonruimte onderverhuurt aan [gedaagden] en hij daarvoor maandelijks een huurprijs is verschuldigd aan RIBW.

5.5.

Dat er een nauwe relatie bestaat tussen de bewoning van het gehuurde door [gedaagden] en zijn begeleiding door RIBW daarbij, blijkt onder meer uit het feit dat in de (onder)huurovereenkomst op diverse plaatsen een direct verband wordt gelegd tussen het einde van de woonbegeleiding van [gedaagden] door RIBW en het einde van het gebruik van het gehuurde. Zo blijkt uit de considerans van de huurovereenkomst dat de woning tijdelijk aan een deelnemer in gebruik wordt gegeven om de doelstelling - het geven van (woon)begeleiding - te realiseren. Het verschaffen van onderdak zolang dat voor de begeleiding nodig is, vormt een onderdeel van die begeleiding. In artikelen 1 en 4 van de huurovereenkomst is vervolgens uitdrukkelijk bepaald dat de woning tijdelijk ter beschikking wordt gesteld voor de duur van de begeleiding en dat bij einde van de begeleiding ook de huurovereenkomst eindigt.

5.6.

In het onderhavige geval is sprake van een gemengde overeenkomst. Artikel 6:215 BW bepaalt dat de voor die beide overeenkomsten geldende bepalingen in beginsel naast elkaar van toepassing zijn. De huurder kan zich dus in beginsel ook op huurbescherming beroepen, tenzij deze bepalingen niet goed met elkaar verenigbaar zijn of de strekking van de bepalingen zich tegen de toepassing ervan op de overeenkomst verzet. Dat is voor wat betreft de huurbeschermingsbepalingen het geval indien het begeleidingselement duidelijk overheerst en voortzetting van het gebruik van de woning zonder begeleiding strijdig is met het doel van de overeenkomst.

5.7.

Zoals hiervoor is overwogen is in de huurovereenkomst op diverse plaatsen een direct verband gelegd met de zorgovereenkomst en is uitdrukkelijk bepaald dat het verschaffen van woonruimte door RIBW tot doel heeft om [gedaagden] de benodigde begeleiding te geven, zodat – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – het begeleidingselement overheerst. Bovendien volgt uit de door [gedaagden] ondertekende bereidheidsverklaring dat hij zich ervan bewust is dat de woning en de zorg onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden en dat [gedaagden] zich begeleidbaar dient op te stellen en de begeleiding desgevraagd toegang tot de woning verschaft. Voor [gedaagden] is dan ook voldoende duidelijk geweest dat voortduring van de huurovereenkomst afhankelijk is van voortduring van de zorgovereenkomst.

De algemene leveringsvoorwaarden GGZ

5.8.

Niet in geschil is dat RIBW bij brief van 25 mei 2021 zowel de zorg- als de huurovereenkomst met [gedaagden] op grond van artikelen 27 juncto 30 van de algemene voorwaarden GGZ heeft opgezegd. [gedaagden] voert aan dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn, zodat daarmee de grond voor opzegging vervalt. Daarvoor is volgens [gedaagden] redengevend dat RIBW hem niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Omdat de zorgovereenkomst slechts verwijst naar de digitale vindplaats van de algemene voorwaarden, zijn de voorwaarden niet op de juiste wijze ter hand gesteld. [gedaagden] betoogt dat de voorwaarden persoonlijk aan hem overhandigd hadden moeten worden, omdat beide overeenkomsten in persoon met hem zijn aangegaan.

5.9.

Het verweer van [gedaagden] wordt gepasseerd. Daarvoor is het volgende redengevend. Voor de toepasbaarheid van algemene voorwaarden is vereist dat de gebruiker de wederpartij een redelijke mogelijkheid biedt om van de voorwaarden kennis te nemen. De wijze waarop aan deze informatieplicht kan worden voldaan, is afhankelijk van het type overeenkomst, de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en de hoedanigheid van partijen. Hoewel het uitgangspunt is dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst persoonlijk aan de wederpartij worden overhandigd, geldt deze verplichting niet voor dienstverleners. Ten aanzien van dienstverleners schrijft de wet een keuzemogelijkheid voor. Artikel 6:230c BW bepaalt dat dienstverleners de algemene voorwaarden ter beschikking mogen stellen door te verwijzen naar een webadres ongeacht of de overeenkomst ook via die weg is gesloten. De voorzieningenrechter is daarom voorshands van oordeel dat RIBW met de verwijzing naar haar webadres: www.ribw-kam.nl/leveringsvoorwaarden aan haar informatieverplichting heeft voldaan en dat zij [gedaagden] een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.

Verder is de voorzieningenrechter - met RIBW - van oordeel dat in de huurovereenkomst een vergelijkbare bepaling is opgenomen. Artikel 15 van de huurovereenkomst bepaalt immers dat de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang kan worden opgezegd in geval van onbehoorlijk gedrag of bij een negatieve tussentijdse evaluatie in het kader van het begeleidingstraject. Voor [gedaagden] is dan ook duidelijk geweest dat van hem werd verwacht dat hij zich behoorlijk diende te gedragen.

Gewichtige redenen

5.10.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:460 BW heeft [gedaagden] er terecht op gewezen dat de zorgovereenkomst – buiten de algemene voorwaarden – slechts op grond van gewichtige redenen kan worden opgezegd.

5.11.

Uit de rapportage van RIBW volgt dat [gedaagden] al geruime tijd verbaal adressief gedrag vertoont en bedreigingen uit naar onder andere medewerkers van RIBW. [gedaagden] is veelvuldig op zijn gedrag aangesproken en heeft meerdere (officiële) waarschuwingen gehad. Ook is de begeleiding van [gedaagden] naar aanleiding van zo een waarschuwing geïntensiveerd en werden de begeleiders van [gedaagden] bijgestaan door een externe coach. Dat heeft echter niet geleid tot verbetering in het gedrag van [gedaagden]. In tegendeel, na verloop van tijd is het aantal bedreigingen toegenomen en de inhoud daarvan extremer geworden. RIBW wijst erop dat zij op enig moment dagelijks beveiliging heeft moeten inschakelen voor haar hoofdkantoor en dat er meerdere aangiftes bij de politie tegen [gedaagden] zijn gedaan. [gedaagden] heeft toegelicht dat zijn frustratie is begonnen doordat de aan hem toegewezen woning in slechte staat verkeerde en hij zich daarover door RIBW niet gehoord voelde. RIBW heeft erop gewezen dat de klachten van [gedaagden] zijn behandeld door een overkoepelende klachtencommissie en bovendien ongegrond zijn verklaard. Hoewel de voorzieningenrechter inziet dat dit een vervelende situatie is voor [gedaagden], rechtvaardigt dat het gedrag van hem niet.

5.12.

RIBW heeft op grondige wijze vastgesteld dat [gedaagden] bij behandeling geen baat heeft. Dat RIBW hierbij onzorgvuldig zou zijn geweest, zoals [gedaagden] aanvoert, is niet aannemelijk. De rapportage van de begeleidingsmomenten over het eerste half jaar van 2021 bevat 44 meldingen die zien op bedreigingen en het uiten van intimidaties door [gedaagden]. Begeleidingsmomenten laten dus geen verbetering zien. Het verslag aan de Raad van Bestuur (zie hiervoor sub 3.14) vermeldt onder meer dat [gedaagden] niet leerbaar is en dat hij een omgeving nodig heeft die is afgeschermd van veranderingen en onverwachte situaties. Die omgeving kan RIBW hem niet bieden. Het Housing First traject, waarbij toegewerkt wordt naar zelfstandig wonen, zal dan ook niet tot het gewenste resultaat leiden. RIBW heeft bovendien vastgesteld dat [gedaagden] ook niet (meer) in aanmerking komt voor dit traject, omdat hij niet langer onder bewind staat en er een huurachterstand is ontstaan.

Dat laat echter onverlet dat RIBW bij beëindiging van de begeleiding op grond van artikel 31 van de algemene voorwaarden GGZ naar vermogen hulp moet bieden bij het vinden van alternatieve huisvesting die voldoet aan de behoefte die [gedaagden] heeft aan een omgeving afgeschermd van veranderingen en onverwachte situaties. De mate waarin RIBW deze inspanningsverplichting kan nakomen, is mede afhankelijk van de opstelling van [gedaagden]. Hij moet bereid zijn om mee te werken aan een oplossing die RIBW wil onderzoeken en zijn gedrag zodanig aanpassen dat anderen dat niet als intimiderend kunnen opvatten.

5.13.

RIBW heeft ter terechtzitting erkend zich bewust te zijn van de hiervoor besproken verplichting. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om toewijzing van de vordering van de nakoming daarvan afhankelijk te stellen.

Belangenafweging

5.14.

Het is evident dat [gedaagden]’s belangen bij behoud van de woning groot zijn, te meer omdat de kans klein is dat hij eenvoudig nieuwe woonruimte zal vinden. De belangen bij RIBW zijn echter ook groot, de veiligheid en welzijn van haar medewerkers mag immers niet ter discussie staan. Daar komt bij dat RIBW tegenover Pré Wonen verplicht is ervoor te zorgen dat haar onderhuurder geen overlast bezorgd. Deze laatste belangen wegen in dit geval zwaarder.

5.15.

De voorzieningenrechter acht het waarschijnlijk dat de bodemrechter zal oordelen dat RIBW de zorg-huurovereenkomst vanwege de bedreigingen en intimidaties van [gedaagden] rechtsgeldig heeft kunnen opzeggen, althans dat gelet op de ernst van de bedreigingen de tekortkoming in de nakoming van de op [gedaagden] rustende verplichting zich als goed huurder te gedragen zodanig is, dat dit ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. De gevorderde ontruiming van de woning zal dan ook worden toegewezen.

Huurachterstand en gebruikersvergoeding

5.16.

RIBW stelt dat [gedaagden] sinds maart 2021 geen huur meer betaalt, de huurachterstand bedraagt daarmee € 2.324,63. [gedaagden] heeft de huurachterstand erkend.

De voorzieningenrechter zal dit bedrag dan ook toewijzen.

5.17.

RIBW vordert betaling van een gebruikersvergoeding vanaf 1 juli 2021 ter hoogte van € 583,26 per maand, omdat [gedaagden] vanaf die datum zonder recht of titel gebruik maakt van de woning. Omdat [gedaagden] op dit moment in detentie zit, zal de voorzieningenrechter bepalen dat [gedaagden] wordt geacht de gebruikersvergoeding te betalen voor zover hij voor zijn huisvesting gedurende de detentie een uitkering ontvangt.

5.18.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RIBW worden begroot op:

- betekening oproeping € 242,78 (2 x 121,39)

- griffierecht 667,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.925,78

5.19.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan RIBW een bedrag van € 2.324,63 te voldoen,

6.2.

veroordeelt [gedaagden] om binnen vier dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken en bezemschoon op te leveren en de sleutels af te geven aan RIBW,

6.3.

veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan RIBW van € 583,26 voor elke maand vanaf 1 juli 2021 tot aan de dag van de ontruiming, voor zover [gedaagden] over de betrokken maand een uitkering voor zijn huisvesting ontvangt,

6.4.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van RIBW tot op heden begroot op € 1.925,78,

6.5.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J.C. Oltmans op 6 augustus 2021.1

1 Conc.: