Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6722

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
9015583 \ CV EXPL 21-682
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitbetaling vakantie- en overwerkuren in kader eindafrekening arbeidsovereenkomst toegewezen. Dat vakantieuren zijn opgenomen blijkt niet uit administratie werkgever, en afspraak dat overuren zijn opgenomen tijdens coronalockdown niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 9015583 \ CV EXPL 21-682 BL

Uitspraakdatum: 23 juni 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.A. Rank

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Hoenderdaell B.V.

gevestigd te Anna Paulowna

gedaagde

verder te noemen: Hoenderdaell

vertegenwoordigd door haar bestuurder / gevolmachtigd directeur [XX]

De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met Hoenderdaell nog 72 vakantie- en 70,65 overuren over had. [eiser] vordert uitbetaling daarvan. Volgens Hoenderdaell heeft [eiser] al zijn vakantie-uren opgenomen, maar dit blijkt niet uit de administratie van Hoenderdaell. Verder stelt Hoenderdaell dat [eiser] zijn overuren heeft opgenomen tijdens de corona lockdown periode, en dat dit op zijn eigen verzoek zo is afgesproken. De kantonrechter oordeelt dat Hoenderdaell er niet in is geslaagd deze afspraak aannemelijk te maken. De vordering van [eiser] wordt dus toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 1 februari 2021 een vordering tegen Hoenderdaell ingesteld. Hoenderdaell heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 31 mei 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. [eiser] heeft ter zitting zijn vordering verminderd.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is per 1 maart 2017 in dienst getreden bij Hoenderdaell, in de functie van chef-kok.

2.2.

Met ingang van 28 juli 2020 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen beëindigd.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert (na vermindering van eis) dat de kantonrechter Hoenderdaell veroordeelt tot uitbetaling van € 1.323,48 bruto voor 72 opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren en € 1.298,66 voor 70,65 opgebouwde maar niet genoten overwerkuren, te vermeerderen met wettelijke rente en wettelijke verhoging. Daarbij vordert [eiser] overlegging van een bruto-netto specificatie van de uitbetaling, op straffe van een dwangsom, en een bedrag van € 584,49 voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Begin 2020 had [eiser] 115,43 vakantie-uren over die in 2019 zijn opgebouwd. Over de periode van 1 januari 2020 tot einde dienstverband zijn 116,67 vakantie-uren opgebouwd. In 2020 heeft Sieraard 160 vakantie-uren opgenomen. Bij het einde van het dienstverband had [eiser] dus recht op uitbetaling van de resterende (afgerond) 72 vakantie-uren. Daarnaast had [eiser] op 15 maart 2020 een saldo van 70,65 opgebouwde overwerkuren, die Hoenderdaell in de corona lockdown periode ten onrechte uit haar administratiesysteem heeft verwijderd. Ook deze uren moeten nog worden uitbetaald.

4 Het verweer

4.1.

Hoenderdaell betwist de vordering en voert – samengevat – het volgende aan. De 115,43 uren waar [eiser] het over heeft, zijn geen vakantie-uren maar overuren. Op 31 mei 2020 zijn deze overuren in overleg met [eiser] afgeboekt in het planningssysteem van Hoenderdaell. [eiser] heeft ervoor gekozen om in de corona lockdown periode twee maanden thuis te zijn, terwijl er voldoende werk voor hem was. Over 2020 heeft [eiser] 116,20 vakantie-uren opgebouwd, en 159,53 vakantie-uren opgenomen. Daarmee heeft [eiser] volgens de berekening van Hoenderdaell 43,33 teveel vakantie-uren opgenomen. Uit coulance heeft Hoenderdaell deze uren niet verrekend in de eindafrekening.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] in het kader van de eindafrekening van de arbeidsovereenkomst nog recht heeft op uitbetaling van opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren en overwerkuren.

De vakantie-uren

5.2.

Partijen zijn het erover eens dat [eiser] in 2020 (afgerond) 116 vakantie-uren heeft opgebouwd en (afgerond) 160 vakantie-uren heeft opgenomen. Zij verschillen van mening over het saldo vakantie-uren over 2019. Volgens [eiser] was er begin 2020 een resterend saldo van 115,43, zodat hij nog recht heeft op uitbetaling van (afgerond) 72 vakantie-uren. Volgens Hoenderdaell bedroeg het saldo van vakantie-uren bij uitdiensttreding van [eiser] -/-43,33. Hoenderdaell gaat er dus vanuit dat er geen vakantie-uren uit 2019 resteren.

5.3.

De kantonrechter stelt voorop dat de werkgever een administratie moet bijhouden van de door de werknemer genoten en openstaande vakantiedagen.1Ten aanzien van een beweerd tegoed aan vakantiedagen liggen de stelplicht en de bewijslast bij de werknemer, maar bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed zal de werkgever zijn betwisting mede moeten motiveren aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens, die dan ook door de werkgever in het geding gebracht moeten worden.2

5.4.

[eiser] stelt dat hij over 2019 nog 115,43 vakantie-uren tegoed heeft. Hoenderdaell voert aan dat de door [eiser] genoemde 115,43 uren over 2019 geen vakantie-uren, maar overwerkuren zijn. Hoenderdaell heeft geen gegevens uit haar administratie overgelegd waaruit volgt hoeveel vakantie-uren [eiser] over 2019 tegoed of opgenomen heeft. Hoenderdaell verwijst wel naar een afdruk uit haar administratie3, maar naar de kantonrechter begrijpt ziet dit ‘Plus-min overzicht’ op de overwerkuren. Op dat overzicht staat namelijk de ‘Huidige plus-min balans’ en niet de vakantie-uren. Die vakantie-uren staan kennelijk in het volgende tabblad in het systeem, dat Hoenderdaell niet heeft overgelegd.

5.5.

Daar komt bij dat Hoenderdaell in haar e-mail van 9 januari 2020 aan [eiser] schrijft dat ze de vakantie-uren heeft berekend en dat die van [eiser] 115,43 uren of 14,4 dagen bedragen. Deze e-mail ondersteunt de stelling van [eiser] dat hij begin 2020 voor 2019 115,43 vakantie-uren tegoed had. Dat per vergissing ‘vakantie-uren’ in plaats van ‘overwerkuren’ in de e-mail zou staan, zoals Hoenderdaell aanvoert, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Uit de door [eiser] overgelegde afdruk van het systeem4 blijkt namelijk dat [eiser] van 1 maart 2017 tot en met 15 maart 2020 70,65 overwerkuren tegoed had. Als hij ook nog 115,43 overwerkuren (in plaats van vakantie-uren) tegoed zou hebben voor 2019, dan had dat in dit overzicht vermeld moeten staan, omdat Hoenderdaell pas op 31 mei 2020 de betreffende 115,43 uren in het systeem heeft afgeboekt onder vermelding ‘Correctie Covid’. Bovendien kan dan niet kloppen dat [eiser] per 1 juni 2020 (na de ‘Correctie Covid’) nog 8,47 overwerkuren tegoed zou hebben5; dan ontbreken er immers nog 62,18 uren (70,65 – 8,47).

5.6.

De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de 115,43 uren vakantie-uren zijn. Dit komt overeen met de mededeling van Hoenderdaell in haar e-mail van 9 januari 2020 en de weergave van de overwerkuren in haar administratie. Hoenderdaell heeft haar standpunt dat de 115,43 uren overuren zijn onvoldoende onderbouwd.

5.7.

Vast staat dat Hoenderdaell bij de eindafrekening geen vakantie-uren aan [eiser] heeft uitbetaald. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] aanspraak op uitbetaling van (115,43 -/- 43,33 =) afgerond 72 vakantie-uren. Partijen zijn het erover eens dat het laatstverdiende uurloon van [eiser] € 17,02 bruto bedraagt, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. De vordering van € 1.323,48 bruto wordt daarom toegewezen.

De overwerkuren opgebouwd tot 15 maart 2020

5.8.

[eiser] stelt dat hij tot 15 maart 2020 70,65 overwerkuren heeft opgebouwd. Dit onderbouwt hij met de eerdergenoemde door hem overgelegde afdruk van het administratiesysteem6. Volgens [eiser] moeten deze openstaande overwerkuren worden uitbetaald, omdat de overwerkuren zouden worden gecompenseerd op basis van tijd-voor-tijd (betaald verlof), maar dat niet mogelijk was door het eindigen van de arbeidsovereenkomst.

5.9.

Hoenderdaell betwist niet dat er sprake is van overwerkuren of dat de openstaande overwerkuren zouden worden gecompenseerd op basis van tijd-voor-tijd (betaald verlof). Daarmee is het uitgangspunt dat Hoenderdaell de openstaande overwerkuren van [eiser] bij het einde van de arbeidsovereenkomst moet uitbetalen.7 Hoenderdaell heeft bij de eindafrekening ook daadwerkelijk 19,9 (andere) overuren (van na 31 mei 2020) aan [eiser] uitbetaald.

5.10.

Hoenderdaell voert aan dat er verder geen overwerkuren meer openstaan, omdat [eiser] de rest van zijn overwerkuren in vrije tijd heeft opgenomen. In dat verband stelt Hoenderdaell dat zij (begin 2020) mondeling met [eiser] heeft afgesproken dat de 115,43 overuren zo snel mogelijk worden opgenomen. Dit zou blijken uit de e-mail van [eiser] van 1 mei 2020. In die e-mail bevestigt [eiser] inderdaad dat naar aanleiding van het op 9 januari 2020 van Hoenderdaell ontvangen overzicht, is afgesproken dat hij deze 14,4 dagen (115,43 uren) zo snel mogelijk zou opmaken. Hij heeft vervolgens vrij genomen de week van 2 tot en met 9 februari 2020 en de week van 16 tot en met 24 maart 2020, zodat hij er aardig doorheen was, aldus [eiser]. Zoals hiervoor al is overwogen gaat de kantonrechter ervan uit dat de 115,43 uren vakantie-uren uit 2019 zijn, die door [eiser] in 2020 zijn opgenomen. De e-mail van [eiser] van 1 mei 2020 onderbouwt dus niet de door Hoenderdaell gestelde afspraak tussen partijen ten aanzien van het opnemen van overuren tijdens de corona lockdown periode.

5.11.

Verder stelt Hoenderdaell dat zij aan het begin van de corona lockdown periode met [eiser] (mede in zijn hoedanigheid van aanspreekpunt van het keukenpersoneel) in gesprek is gegaan, en dat toen mondeling met [eiser] is afgesproken dat hij in deze periode zijn overuren zou opnemen. [eiser] heeft daar zelf voor gekozen, in tegenstelling tot de meeste van zijn directe collega’s, die hebben doorgewerkt, aldus Hoenderdaell.

5.12.

Dat [eiser] ervoor heeft gekozen zijn overuren in de lockdown periode op te nemen blijkt echter nergens uit. [eiser] betwist gemotiveerd dat de door Hoenderdaell gestelde afspraak met hem is gemaakt. Daarbij heeft [eiser] ter zitting aangevoerd dat hij tijdens de lockdown periode ook heeft gewerkt; hij heeft thuis calculaties gemaakt, take away opgezet, overleg gevoerd over social media en vanaf Pasen in het restaurant gewerkt voor take away, aldus [eiser]. Hoenderdaell weerspreekt niet dat [eiser] na 15 maart 2020 de door hem gestelde werkzaamheden (thuis) heeft verricht. Vast staat weliswaar dat [eiser] in de lockdown periode minder heeft gewerkt dan de overeengekomen 40 uur per week, maar daaruit blijkt niet dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] zijn overuren in die periode zou opnemen. Hetzelfde geldt voor het feit dat [eiser] niet heeft ingeklokt. Daarbij komt dat [eiser] ook ten aanzien van het niet inklokken verweer heeft gevoerd. Volgens [eiser] heeft hij uitdrukkelijk aan Hoenderdaell gevraagd of hij moest klokken, waarop Hoenderdaell zou hebben geantwoord dat dit niet nodig was ‘want jullie komen toch niet aan je uren’.

5.13.

Dit betekent dat de door Hoenderdaell gestelde afspraak met [eiser] niet is komen vast te staan.

5.14.

Ter zitting heeft Hoenderdaell nog aangevoerd dat zij het uitbetalen van de overuren aan [eiser] niet fair vindt tegenover de rest van het team, dat wél heeft gewerkt tijdens de coronasluiting. Voor zover Hoenderdaell hiermee bedoelt te stellen dat van [eiser] verwacht had mogen worden dat hij zijn overuren zou opmaken in de corona lockdown periode, dan is dit door Hoenderdaell onder de gegeven omstandigheden onvoldoende onderbouwd. Aangenomen moet worden dat Hoenderdaell geen concreet verzoek aan [eiser] heeft gedaan over het opnemen van zijn overuren. Hoenderdaell stelt namelijk uitdrukkelijk en bij herhaling dat het [eiser] zelf is geweest die hiervoor heeft gekozen, en dat er voldoende werk voor [eiser] was. Ook is niet gesteld of gebleken dat [eiser] door Hoenderdaell is opgeroepen om meer dan de door hem genoemde uitgevoerde werkzaamheden te verrichten. Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat Hoenderdaell van de overheid NOW-steun (Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid) heeft ontvangen voor loonkosten, zoals als niet betwist vast staat.

5.15.

De conclusie is dat [eiser] aanspraak kan maken op uitbetaling van zijn tot 15 maart 2020 opgebouwde overuren. Hoenderdaell heeft niet gemotiveerd weersproken dat dit er 70,65 zijn. Het uurloon van [eiser] bedraagt € 17,02 bruto, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, zodat ook de vordering van € 1.298,66 bruto wordt toegewezen.

5.16.

De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Hoenderdaell de vakantie- en overwerkuren te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20%.

5.17.

Hoenderdaell zal ook worden veroordeeld om een bruto-netto salarisspecificatie te verstrekken over de uitbetaling van de vakantie- en overuren, omdat Hoenderdaell hiertoe verplicht is en tegen deze vordering geen verweer is gevoerd. De dwangsom zal worden toegewezen tot € 50,00 per dag en met een maximum van € 5.000,00, zoals hieronder nader bepaald.

5.18.

De buitengerechtelijke kosten worden toegewezen zoals gevorderd, omdat voldoende is gebleken dat [eiser] dergelijke kosten in redelijkheid heeft moeten maken. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

5.19.

De proceskosten komen voor rekening van Hoenderdaell, omdat zij ongelijk krijgt. [eiser] heeft gevorderd dat Hoenderdaell wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het conservatoir derdenbeslag dat op 18 januari 2021 onder de Rabobank is gelegd. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. Daarbij wordt Hoenderdaell ook veroordeeld tot betaling van € 109,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling aan [eiser] van € 1.323,48 bruto aan vakantie-uren en € 1.298,66 bruto aan overuren;

6.2.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de hiervoor onder 6.1. toegewezen bedragen, vanaf 31 juli 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.3.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging over de hiervoor onder 6.1. toegewezen bedragen, met een maximum van 20%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt Hoenderdaell om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] een bruto-netto specificatie van de hiervoor onder 6.1. toegewezen bedragen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 5.000,00, voor elke dag dat Hoenderdaell hieraan niet voldoet;

6.5.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling aan [eiser] van € 584,49 aan buitengerechtelijke incassokosten;

6.6.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 109,71

griffierecht € 240,00

salaris gemachtigde € 436,00 ;

6.7.

veroordeelt Hoenderdaell in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 69,00 voor surplus griffierecht, € 305,54 voor verschotten en € 218,00 voor het salaris van de gemachtigde;

6.8.

veroordeelt Hoenderdaell tot betaling van € 109,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt;

6.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.10.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

1 [1] Dit volgt uit artikel 7:641 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2 [2] Zie HR 12 september 2003, NJ 2003, 604.

3 [3] Conclusie van antwoord, productie 6.

4 [4] Dagvaarding, productie 11.

5 [5] Zoals vermeld staat in de afdruk van productie 6 bij conclusie van antwoord.

6 [4] Dagvaarding, productie 11.

7 [6] Op grond van artikel 7:641 BW.