Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6719

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
885696
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Verhuurder heeft schade geleden doordat huurder de huurovereenkomst voortijdig heeft beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 8856961 \ CV EXPL 20-4372

Uitspraakdatum: 12 augustus 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]

gevestigd te [plaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. H.E.M. Molenaar

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats] , Portugal

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.T.J. van Diepen

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 18 augustus 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 11 juni 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Zowel [eiseres] als [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] een akte vermeerdering eis/akte overlegging producties genomen. [gedaagde] heeft hier schriftelijk op gereageerd. [gedaagde] heeft bij brief d.d. 8 juni 2021 nog nadere stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

De onderhavige zaak betreft de schadestaatprocedure volgend op de eerder tussen partijen onder zaaknummers 6567217 \ CV EXPL 18-114 en 6902363 \ CV EXPL 18-2056 gevoerde procedures. De hoofdprocedure is geëindigd met het door de kantonrechter op 16 augustus 2018 gewezen eindvonnis.

2.2.

Tussen [eiseres] als verhuurder en [gedaagde] als huurder is per 1 januari 2007 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot een praktijkruimte, gelegen op de eerste etage van het bedrijfsgebouw aan het [adres] (hierna: het gehuurde).

2.3.

De huurovereenkomst is per 31 maart 2015 verlengd met vijf jaar tot en met 31 maart 2020.

2.4.

In de algemene bepalingen van de huurovereenkomst staat – voor zover hier relevant – het volgende:
(…)
10.3 Alle zaken waarvan huurder kennelijk afstand heeft gedaan door deze in het gehuurde achter te laten bij het daadwerkelijk verlaten van het gehuurde, kunnen door verhuurder, naar verhuurders inzicht, zonder enige aansprakelijkheid zijnerzijds, op kosten van huurder worden verwijderd. Verhuurder heeft het recht om deze zaken naar eigen goeddunken terstond op kosten van huurder te laten vernietigen dan wel zich deze zaken toe te eigenen en indien gewenst, te verkopen en de opbrengst daarvan te behouden, dit alles tenzij verhuurder ermee bekend is dat de opvolgende huurder de zaken heeft overgenomen. In het laatste geval is huurder verplicht om tezamen met de opvolgend huurder een beschrijving op te stellen van alle zaken die door de opvolgend huurder zijn of worden overgenomen. Deze door huurder en de opvolgend huurder geparafeerde beschrijving van die zaken dient direct na het opstellen daarvan aan verhuurder te worden verstrekt.
(…)
13.8 Huurder is aansprakelijk voor het goed en vakkundig gebruik van de technische installaties in het gehuurde.
(…)
16.2 Indien tussen partijen geen bijkomende leveringen en diensten zijn overeengekomen, draagt huurder voor eigen rekening en risico en ten genoegen van verhuurder daar zorg voor. Huurder sluit in dat geval zelf, door verhuurder vooraf goed te keuren, servicecontracten af met betrekking tot de tot het gehuurde behorende installaties.

2.5.

Per brief d.d. 31 mei 2017 heeft [gedaagde] de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en de huur opgezegd.

2.6.

Op 7 juni 2017 heeft [gedaagde] zijn röntgenapparatuur schriftelijk afgemeld bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).

2.7.

[eiseres] heeft [gedaagde] op 3 oktober 2017 gedagvaard. Bij verstekvonnis d.d. 1 maart 2018 is [gedaagde] (onder meer) veroordeeld tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020, op te maken bij staat. De kantonrechter heeft tevens voor recht verklaard dat [gedaagde] een bedrag van € 5.000,00 verschuldigd is aan schade aan het gehuurde en heeft [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 1.197,00 aan kosten conservatoir beslag.

2.8.

[gedaagde] is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Bij (verzet)vonnis d.d. 16 augustus 2018 is het verzet van [gedaagde] deels gegrond verklaard, voor zover [gedaagde] is veroordeeld tot betaling van de kosten van het conservatoir beslag van
€ 1.197,00 en tot betaling van € 5.000,00 wegens schade aan het gehuurde. Hierover staat in het vonnis: De veroordeling van [gedaagde] in het verstekvonnis tot betaling van de kosten van het conservatoir beslag van € 1.197,00 kan niet in stand blijven, omdat door [eiseres] geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Hetzelfde geldt voor de veroordeling in het verstekvonnis tot betaling van € 5.000,00 wegens schade aan het gehuurde, omdat door [eiseres] niet is gemotiveerd of onderbouwd waaruit de schade bestaat en welke kosten daarmee gemoeid zijn. Er is geen aanleiding om [eiseres] nog de gelegenheid te gegeven nader stukken te overleggen, omdat daarvoor al voldoende gelegenheid is geweest.
Voor het overige is het verzet ongegrond verklaard en is het verstekvonnis d.d. 1 maart 2018 bekrachtigd.

2.9.

In r.o. 4.5. van het vonnis d.d. 16 augustus 2018 is opgenomen:
(…)
Op de zitting heeft [gedaagde] , daarnaar gevraagd, uiteengezet dat er in of rond 2015 door een erkende instelling een onderzoek heeft plaatsgevonden naar het stralingsniveau van de röntgenkamer, dat daarbij geen overschrijding van toegestane waarden is aangetroffen en dat de röntgenkamer veilig is bevonden.

2.10.

In r.o. 4.9. van het vonnis d.d. 16 augustus 2018 is opgenomen:
Nu de huurovereenkomst niet is geëindigd op 31 mei 2017 door de buitengerechtelijke ontbinding door [gedaagde] , en er geen sprake is van gebreken, duurt de huurovereenkomst na die datum voort en moet [gedaagde] huur betalen. De verplichting tot betaling van de reguliere huur duurt voort tot 31 juli 2017, de datum waarop [eiseres] de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden.

2.11.

In r.o. 4.12. van het vonnis d.d. 16 augustus 2018 is opgenomen:
Gelet op het voorgaande is [gedaagde] in het verstekvonnis ook terecht veroordeeld tot betaling van € 3.031,96 per maand vanaf 1 november 2017, te weten schade wegens voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst, en tot vergoeding van daadwerkelijk geleden schade over de periode van 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020, nader op te maken bij staat. Indien de huur niet voortijdig was beëindigd vanwege de tekortkoming door [gedaagde] , had de huur immers voortgeduurd tot en met 31 maart 2020.

2.12.

[gedaagde] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld maar is bij arrest van 16 april 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

2.13.

Per e-mail d.d. 17 juni 2020 heeft [makelaar] aan [eiseres] het volgende – voor zover hier relevant – geschreven:
Als makelaar brengen wij onze verhuurcourtage pas in rekening als het pand is verhuurd. Wel zijn tot heden al € 750 excl. BTW aan kosten voldaan aan Fundainbusiness. De courtage, als er een deal tot stand komt, bedraagt 15% excl. BTW van de jaarhuur.

2.14.

Op 4 december 2020 heeft [eiseres] een factuur ontvangen van Applus RTD voor een bedrag van € 1.472,41 exclusief btw.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert – na vermeerdering van eis – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:
- € 78.362,96 aan schadevergoeding terzake gederfde huur over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020;
- € 3.630,00 aan schadevergoeding terzake makelaarskosten;
- € 2.220,09 aan schadevergoeding terzake de vaste lasten van PWN/water en Vattenfal/energiekosten;
- € 1.896,83 aan schadevergoeding terzake kosten conservatoire beslaglegging en griffierecht;
- € 1.472,41 exclusief btw aan schadevergoeding terzake demontage en afvoer van röntgenbuizen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 juni 2021 tot de dag der algehele voldoening;
- € 2.170,79 aan wettelijke rente verschenen over de vervallen huurtermijnen vanaf 1 februari 2018 tot en met 30 juni 2020;
- de wettelijke rente over € 80.533,75 (€ 78.362,96 + € 2.170,79) vanaf 1 juli 2020 tot de dag der voldoening;
- de wettelijke rente over € 3.630,00 vanaf 18 augustus 2020 tot de dag van voldoening; - de wettelijke rente over € 2.220,09 vanaf 18 augustus 2020 tot de dag van voldoening;
- de wettelijke rente over € 1.896,83 vanaf 18 augustus 2020 tot de dag van voldoening;
- de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat [eiseres] , doordat [gedaagde] de huurovereenkomst tussen hen onrechtmatig heeft ontbonden, schade heeft geleden. Bij vonnis van 1 maart 2018 is [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding van de schade over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020, op te maken bij staat. [eiseres] heeft in het kader van haar schadebeperkingsplicht al het mogelijke in het werk gesteld om het pand opnieuw te verhuren, hetgeen niet gelukt is. De huurprijs is verlaagd en het object is actief te huur aangeboden. De schade omvat de gederfde huurinkomsten over de tijd dat de huurovereenkomst indien niet ontbonden, zou hebben voortgeduurd wat neerkomt op 26 maanden x € 3.013,96 = € 78.362,96. De makelaarskosten bedragen een bedrag voor Fundainbusiness van € 750,00 en een bedrag van € 2.880,00 aan courtage. Ter onderbouwing van deze kosten verwijst [eiseres] naar de e-mail d.d. 17 juni 2020 van [makelaar] .
De kosten aan vaste lasten die [eiseres] vordert, zouden er niet zijn geweest indien het pand zou zijn verhuurd aangezien die kosten op grond van artikel 16.2 van de algemene bepalingen direct aan [gedaagde] zouden zijn doorbelast. Deze kosten waren in 2017 € 169,00, in 2018 € 1.044,66 en in 2019 € 1.006,43. Verder heeft [eiseres] conservatoir beslag gelegd, waarvoor zij de kosten als schade terugvordert. De schade bestaat uit € 618,00 aan griffierecht, € 699,83 aan kosten beslagen en overbetekening en € 579,00 aan salaris advocaat. Op grond van artikel 615 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mogen er ook nieuwe schadeposten in de schadestaat worden opgenomen zodat de beslagkosten kunnen worden toegewezen. Nu [gedaagde] zijn röntgenapparatuur niet zelf uit het gehuurde heeft laten verwijderen, was [eiseres] genoodzaakt dit te doen. De kosten hiervoor vordert [eiseres] terug van [gedaagde] . Tot slot vordert [eiseres] de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is verschenen.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert aan – samengevat – dat geen enkele schadepost voor zijn rekening komt nu deze schade te wijten is aan [eiseres] . Het gehuurde was immers niet geschikt waarvoor [eiseres] het verhuurde. Dat er schade is geleden komt dus deels door de eigen schuld van [eiseres] . Bij het vaststellen van de hoogte van de schade dient dit ook te worden meegenomen. Verder heeft [eiseres] niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. [eiseres] was namelijk op de hoogte van het feit dat een beschermende vloer tegen röntgenstralen ontbrak in het pand. Dat het pand daarna weer te huur werd gezet als orthodontie- of een tandartspraktijk is onverantwoord. Het zou gelet hierop onredelijk en onbillijk zijn om de schade op [gedaagde] af te wentelen. Voor wat betreft de makelaarskosten was het niet nodig om een makelaar in te schakelen. [eiseres] had het pand zelf kunnen verhuren. Ook de vaste lasten is [gedaagde] niet verschuldigd nu hij bij zijn vertrek de hoofdkraan en de hoofdschakelaar heeft dichtgedraaid. Daarbij komt dat [gedaagde] , voordat hij weg ging, alle vaste lasten heeft betaald. Hoewel de röntgenapparatuur van [gedaagde] was en hij in eerste instantie verantwoordelijk was voor deze apparatuur, is hij de kosten voor het verwijderen niet verschuldigd. [gedaagde] heeft de apparatuur netjes afgemeld bij het ANVS maar kreeg geen bericht terug omdat [eiseres] de brieven niet heeft doorgestuurd. Omdat [eiseres] zijn apparatuur ineens heeft weggehaald, zijn deze kosten voor [eiseres] . De beslagkosten zijn in het vonnis d.d. 16 augustus 2018 afgewezen zodat hierover reeds is beslist. Tot slot heeft [gedaagde] nooit de algemene voorwaarden ontvangen zodat deze niet van toepassing zijn.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 236 lid 1 jo. artikel 353 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Dit geldt niet alleen voor beslissingen die zijn neergelegd in het dictum van het vonnis of arrest, maar ook voor beslissingen die zijn neergelegd in dragende overwegingen van het betreffende vonnis of arrest of van daaraan voorafgegane tussenvonnissen of arresten.

5.2.

Gelet hierop hebben de vonnissen d.d. 1 maart 2018 en 16 augustus 2018 bindende kracht. De beoordeling van dit geschil beperkt zich dan ook tot de vraag wat de daadwerkelijke geleden schade is over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020.

5.3.

De eerste schadepost die [eiseres] vordert is de gederfde huurinkomsten over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020. De kantonrechter stelt voorop dat in het vonnis d.d. 16 augustus 2018 is geoordeeld dat [gedaagde] terecht is veroordeeld tot vergoeding van de geleden schade over deze periode omdat, indien de huur niet voortijdig was beëindigd vanwege de tekortkoming door [gedaagde] , de huur had voortgeduurd tot en met 31 maart 2020. In beginsel is [gedaagde] over deze periode huur verschuldigd. [gedaagde] heeft zich verweerd met de stelling dat de schade de eigen schuld is van [eiseres] en dat zij niet voldoende aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Dit verweer gaat niet op.

5.4.

Uit de door [eiseres] overgelegde producties blijkt dat [eiseres] zich voldoende heeft ingespannen om het pand te verhuren. Zo is het pand aangeboden op meerdere sites en heeft de makelaar van [eiseres] geprobeerd om op allerlei manieren via haar netwerk kandidaten binnen te halen. Ook is de huurprijs flink verlaagd. [eiseres] heeft daarbij aangevoerd dat het pand niet verhuurd werd omdat er verhalen over stralingsgevaar werden verspreid. Deze verhalen werden steeds bij de bezichtigingen naar boven gebracht. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat hij het zijn maatschappelijke plicht vond om de Kruidvat, die het pand onder het gehuurde bezit, van de straling op de hoogte te stellen. Ook heeft [gedaagde] gesproken met een journalist. De kantonrechter acht het aannemelijk dat dit een reden is geweest dat het pand niet verhuurd is, waarbij de vraag of er daadwerkelijk sprake is van straling in het midden kan blijven. Het is dan ook aan [gedaagde] zelf te wijten dat het pand niet eerder verhuurd is. Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] aan haar schadebeperkingsplicht voldaan en dient het niet verhuurd worden van het pand voor risico van [gedaagde] te komen. De conclusie is dat [gedaagde] de volledige huur verschuldigd is tot en met 31 maart 2020. De vordering tot betaling van € 78.362,96 wordt toegewezen.

5.5.

Voor wat betreft de vordering tot betaling van de vaste lasten oordeelt de kantonrechter als volgt. In artikel 16.2 van de algemene voorwaarden staat dat indien tussen partijen geen bijkomende leveringen en diensten zijn overeengekomen, de huurder voor eigen rekening en risico en ten genoegen van verhuurder hier zorg voor draagt en zelf servicecontracten afsluit. Tussen partijen is hierover niets afgesproken. Derhalve waren de servicecontracten de verantwoordelijkheid van [gedaagde] . [gedaagde] heeft gesteld dat hij de kraan heeft dichtgedraaid en de elektriciteit heeft afgesloten. [eiseres] heeft echter berekeningen in het geding gebracht waaruit blijkt dat ook nadat [gedaagde] het gehuurde had verlaten kosten voor energie en water in rekening zijn gebracht. Nu het afsluiten (en stopzetten) van de servicecontracten op grond van de algemene voorwaarden de verantwoordelijkheid van [gedaagde] was en hij dit heeft nagelaten, dienen de kosten die [eiseres] heeft betaald, voor rekening van [gedaagde] te komen. De stelling van [gedaagde] dat er geen kosten zouden zijn gerekend, heeft hij niet nader onderbouwd hetgeen, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres] , wel op zijn weg had gelegen. Ook de stelling van [gedaagde] dat de algemene bepalingen niet van toepassing zijn, wordt gepasseerd. Op de huurovereenkomst staat dat huurder afzonderlijk tekent voor de ontvangst van een eigen exemplaar van de algemene bepalingen. [gedaagde] heeft onder deze zin zijn handtekening gezet. Door het ondertekenen van de huurovereenkomst heeft [gedaagde] de geldigheid van de algemene bepalingen van [eiseres] aanvaard waardoor de toepasselijkheid ervan vast staat.

5.6.

Ten aanzien van de gevorderde makelaarskosten is [gedaagde] een bedrag van
€ 750,00 verschuldigd. Deze kosten zijn immers reeds voldaan door [eiseres] en zijn een schadepost. [gedaagde] is deze schadevergoeding verschuldigd omdat hij de overeengekomen periode van de huurovereenkomst niet heeft uitgezeten en zelf weggegaan is. Hierdoor was [eiseres] genoodzaakt een makelaar in de arm te nemen. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] het pand zelf wel kon verhuren, volgt de kantonrechter niet. Het verhuren van bedrijfsruimte vergt immers meer werk dan slechts een ‘te huur’ bord neerzetten. Voor wat betreft het gevorderde bedrag aan courtage, oordeelt de kantonrechter dat deze kosten nog niet gemaakt zijn. Dat de makelaar inspanningen heeft geleverd en dat daar kosten aan verbonden zijn, is aannemelijk en ook een gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] maar nu deze kosten nog niet in rekening zijn gebracht zijn zij niet te vorderen als schade. Daarbij komt dat het nog te onzeker is om welk bedrag het gaat, nu de courtage afhankelijk is van de jaarhuur. Omdat het hier gaat om toekomstige schade, is er op dit moment geen sprake van een toewijsbare vordering. Daarom zal een bedrag van € 750,00 aan makelaarskosten worden toegewezen.

5.7.

Verder heeft [eiseres] schade gevorderd terzake van de door haar gemaakte kosten van het gelegde conservatoire beslag. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze post reeds is afgewezen in het vonnis d.d. 16 augustus 2018 en hier dus al over is beslist. De kantonrechter volgt dit verweer niet. De schadestaatprocedure is een voortzetting van de hoofdprocedure waarbij in de hoofdprocedure de aansprakelijkheidsvraag een grote rol speelt terwijl vragen over schadeposten uitgesteld (hadden) kunnen worden tot de schadestaatprocedure. De kantonrechter hoeft in de schadestaatprocedure niet alle oordelen en beslissingen in de hoofdprocedure na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraken in de hoofdprocedure in absolute zin als vaststaand uitgangspunt te nemen. De kantonrechter in de schadestaatprocedure kan van zulke oordelen en beslissingen terugkomen, als deze naar zijn oordeel op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berusten. Dat is slechts anders voor zover die oordelen en beslissingen in de hoofdprocedure de grondslag van de aansprakelijkheid betreffen, nu die grondslag bij uitsluiting in de hoofdprocedure dient te worden vastgesteld. Anders dan [gedaagde] betoogt, is de kantonrechter dus niet gebonden aan het oordeel van de kantonrechter in het vonnis d.d. 16 augustus 2018 dat de beslagkosten dienden te worden afgewezen, nu deze beslissing ziet op een schadepost. In deze schadestaatprocedure heeft [eiseres] voldoende gesteld en met stukken onderbouwd dat de beslagkosten gemaakt zijn en in rekening zijn gebracht zodat [gedaagde] deze schade dient te vergoeden. Hoewel [gedaagde] nog heeft aangevoerd dat hij niet op het aangeschreven adres woont, blijkt uit het door [eiseres] overgelegde BRP-uittreksel dat [gedaagde] op dit adres ingeschreven stond. De kantonrechter acht de kosten niet buitensporig hoog zodat de vordering wordt toegewezen.

5.8.

[eiseres] vordert na eisvermeerdering dat [gedaagde] een bedrag van € 1.472,41 exclusief btw betaalt aan demontagekosten voor de apparatuur in het gehuurde. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat het verwijderen van de apparatuur zijn eigen verantwoordelijkheid was, omdat hij eigenaar van de apparatuur was. Dat de verantwoordelijkheid voor het verwijderen van de apparatuur bij [gedaagde] lag, volgt ook uit de artikelen 10.3 en 13.8 van de algemene bepalingen. [gedaagde] heeft wel een begin gemaakt om de apparatuur te verwijderen door de apparatuur bij het ANVS af te melden maar dat hij daarna niets meer hoorde van het ANVS dient voor zijn rekening en risico te komen. [gedaagde] had dit niet op zijn beloop moeten laten. Gelet hierop moest [eiseres] de apparatuur wel weghalen, waarbij de kosten voor de verwijdering op grond van artikel 10.3 van de algemene bepalingen voor rekening van [gedaagde] komen. Het verweer van [gedaagde] dat hij de apparatuur goedkoper kon verwijderen doet hier niets aan af nu [gedaagde] dit heeft nagelaten en de kosten de kantonrechter niet buitensporig hoog voorkomen.

5.9.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] grotendeels zal toewijzen.

5.10.

De wettelijke rente zal als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen.

5.11.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 78.362,96 aan gederfde huur over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 maart 2020;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 750,00 aan makelaarskosten;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 2.220,09 aan vaste lasten;

6.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.896,83 aan kosten conservatoire beslaglegging en griffierecht;

6.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.472,41 exclusief btw aan kosten demontage en afvoer röntgenbuizen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 11 juni 2021 tot de dag der algehele voldoening;

6.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 2.170,79 aan wettelijke rente verschenen over de vervallen huurtermijnen vanaf 1 februari 2018 tot en met 30 juni 2020;

6.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over
€ 80.533,75 vanaf 1 juli 2020 tot de dag der voldoening;

6.8.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over € 750,00 vanaf 18 augustus 2020 tot de dag van voldoening;

6.9.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over € 2.220,09 vanaf 18 augustus 2020 tot de dag van voldoening;

6.10.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over € 1.896,83 vanaf 18 augustus 2020 tot de dag van voldoening;

6.11.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 95,88

griffierecht € 996,00

salaris gemachtigde € 1.870,00 ;

6.12.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.13.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter