Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6696

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
15/183833-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor moord en poging tot moord. Gedeeltelijke vrijspraak feit 2. Veroordeling tot 10 jaar gevangenisstraf wegens doodslag, brandstichting en poging tot doodslag. Geen noodweer(exces) en geen psychische overmacht. Verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/183833-20 (P)

Uitspraakdatum: 12 augustus 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juli 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.H.G. Peters, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:
hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Haarlem, in elk geval in Nederland [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten radevan het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg
- meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken en/of
- (vervolgens) in de woning (gelegen aan de [adres] ), waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, brand gesticht door open vuur in aanraking te brengen met spiritus/terpentine, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan er in die woning een (grote) hoeveelheid rook ontwikkelde

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Feit 2:
hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met spiritus/terpentine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan (de inboedels van) (een of meerdere (slaap)kamer(s) van) de woning gelegen aan de [adres] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en/of aangrenzende woningen en/of de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning aanwezige personen, in elk geval levensgevaar danwel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

Feit 3:
hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten radevan het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,
- spiritus/terpentine, althans een brandbare stof over/naar het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gespoten en/of gegooid en/of
- (vervolgens) een aansteker, in elk geval open vuur, in aanraking heeft gebracht met voornoemde spiritus/terpentine, althans de brandbare stof terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 14 juli 2020 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door
- spiritus/terpentine, althans een brandbare stof over/naar het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 2] te spuiten en/of te gooien en/of
- (vervolgens) een aansteker, in elk geval open vuur, in aanraking te brengen met voornoemde spiritus/terpentine, althans de brandbare stof.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord, wegens het ontbreken van de daarvoor vereiste voorbedachte raad,
en tot bewezenverklaring van de doodslag.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte vrij te spreken van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde, omdat niet is gebleken dat door de opzettelijke brandstichting tevens levensgevaar dan wel zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Wat betreft feit 3 heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte, wegens het ontbreken van de daarvoor vereiste voorbedachte raad, vrij te spreken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord en de poging tot doodslag te bewijzen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich wat betreft het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bestanddeel voorbedachte raad ten aanzien van zowel feit 1 als feit 3.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 1 impliciet primair (moord) en feit 3 impliciet primair (poging tot moord)
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Zoals ook de officier van justitie en de raadsman hebben betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde bestanddeel voorbedachte raad en daarmee voor moord respectievelijk poging tot moord. De verdachte wordt hiervan dan ook vrijgesproken.

3.3.2

Gedeeltelijke vrijspraak feit 2: geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook de officier van justitie heeft betoogd, niet wettig en overtuigend is bewezen dat door de opzettelijke brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was. Immers volgt dit niet uit de inhoud van het dossier, terwijl evenmin uit de beschikbare stukken is af te leiden dat een dergelijk gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest. Weliswaar volgt uit het proces-verbaal van verhoor van 23 juli 2020 van bevelvoerder [naam] van de brandweer dat de brand door het ingrijpen van de brandweer niet verder was ontwikkeld tot een volledige woningbrand, maar uit het dossier volgt niet dat op het moment van de brandstichting (rond 18.00 uur) andere personen in de woning of in omliggende woningen aanwezig waren die bij doorontwikkeling van de brand in gevaar konden komen. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

3.3.3

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 (impliciet subsidiair), onder 2 en onder 3 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, het onder 2 en het onder 3 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 impliciet subsidiair:
hij op 14 juli 2020 te Haarlem [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 1] gestoken ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Feit 2:
hij op 14 juli 2020 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met spiritus/terpentine, ten gevolge waarvan (de inboedels van) meerdere kamers van de woning gelegen aan de [adres] gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan
gemeen gevaar voor die woning en aangrenzende woningen en de in die woning aanwezige goederen te duchten was;

Feit 3 impliciet subsidiair:
hij op 14 juli 2020 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet
- spiritus over het gezicht en lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gespoten en/of gegooid en
- vervolgens een aansteker in aanraking heeft gebracht met voornoemde spiritus,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair

doodslag.

Ten aanzien van feit 2

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 3 impliciet subsidiair

poging tot doodslag.

5 Strafbaarheid van de feiten

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte bij het plegen van feit 1 heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, nu de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf door het latere slachtoffer [slachtoffer 1] , waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Daartoe wordt – samengevat weergegeven – naar voren gebracht dat [slachtoffer 1] , nadat de verdachte vanuit zijn kamerdeur naar [slachtoffer 1] had geroepen dat hij moest ophouden met luid telefoneren en nadat [slachtoffer 1] op de kamerdeur van de verdachte had gebonsd, de verdachte, toen de verdachte de deur van zijn kamer open deed, direct een klap in het gezicht gaf met letsel boven zijn wenkbrauw tot gevolg. [slachtoffer 1] komt daarop de kleine kamer van de verdachte in.
Omdat daarbij de enige toegangsdeur door [slachtoffer 1] werd geblokkeerd, was er geen (fysieke) ruimte een afweging te maken tussen verschillende verdedigingsmiddelen. Er is volgens de verdediging dan ook sprake van een noodweersituatie, waarin de verdachte zich noodzakelijkerwijs en proportioneel heeft verdedigd door een mes te pakken en met dat mes in de rug van [slachtoffer 1] te steken.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen, aangezien uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat sprake was van feiten en omstandigheden die een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding opleveren waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. Daartoe heeft de officier van justitie onder meer naar voren gebracht dat zij de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht niet aannemelijk acht. Volgens de officier van justitie volgt uit het dossier dat de verdachte degene is geweest die de confrontatie met het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft opgezocht, dat de verdachte niet in zijn kamer is aangevallen, maar juist naar de kamer van het slachtoffer is toegegaan en dat de verwonding die de verdachte heeft opgelopen, is ontstaan door een kopstoot die hij het slachtoffer heeft gegeven.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder, onder omstandigheden, mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Hierin ligt besloten dat moet zijn voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De te hanteren maatstaf luidt dat één en ander aannemelijk moet zijn geworden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie op 21 juli 2020 en ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Hij bevond zich op 14 juli 2020 in zijn eigen kamer en had voor de zoveelste keer te kampen met geluidsoverlast van zijn huisgenoot [slachtoffer 1] . Hij deed daarop zijn kamerdeur open en riep in de richting van de dichte deur van de kamer van [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 1] op moest houden en is daarna weer zijn eigen kamer in gegaan. Vlak daarna zou [slachtoffer 1] opeens op zijn kamerdeur hebben gebonsd en toen de verdachte zijn kamerdeur open deed, zou [slachtoffer 1] hem direct een klap op zijn hoofd hebben gegeven. De verdachte zou daarbij gewond zijn geraakt boven zijn linkeroog. Vervolgens zou de verdachte zijn teruggedeinsd, kwam [slachtoffer 1] achter hem aan de kamer van de verdachte in en ontstond er een worsteling waarbij ze elkaar met beide handen vasthielden. Op dat moment zou de verdachte een mes hebben gepakt dat boven op zijn koelkast lag en [slachtoffer 1] uit zelfverdediging in de rug hebben gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat deze door de verdachte geschetste gang van zaken niet aannemelijk is geworden en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 20 juli 2020 (procesdossier A digitale bladzijde 98) heeft de verdachte die avond rond 20.40 uur, dus kort na de gebeurtenissen op zijn adres, aan deze verbalisant en uit zichzelf andersluidend over het incident verklaard. De verdachte heeft aan [verbalisant] verteld dat [slachtoffer 1] niet luisterde en dat hij vanwege geluidsoverlast op de deur van de kamer van [slachtoffer 1] klopte en dat hij daar toen een klap op zijn hoofd kreeg van [slachtoffer 1] . Voorts heeft de verdachte aan [verbalisant] verteld dat hij toen is teruggegaan naar zijn eigen kamer, daar een mes heeft gepakt waarmee hij [slachtoffer 1] vervolgens heeft gestoken. Deze door de verdachte eerder geschetste gang van zaken vindt ondersteuning in het forensisch onderzoek dat is uitgevoerd in de woning (procesdossier A digitale bladzijde 172 tot en met 174), waaruit volgt dat verschillende bloedsporen zijn aangetroffen in de gang, in de badkamer en op de wanden en de vloer van de kleine kamer aan de voorzijde van de woning (de rechtbank begrijpt: de kamer van [slachtoffer 1] ) en niet tevens in de kamer van de verdachte.
Gelet hierop en nu ook de overige stukken in het dossier geen aanknopingspunten bevatten voor de stelling dat [slachtoffer 1] naar de kamer van de verdachte is gegaan en in die kamer is gestoken, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat op het moment van steken door de verdachte sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding zoals door de verdediging is aangevoerd. Uitgaande van de lezing van de verdachte dat hij naar de kamer van [slachtoffer 1] is toegegaan en daar is geslagen, welke lezing naar het oordeel van de rechtbank ook meer past bij de feitelijke toedracht van het bewezenverklaarde feit, is een mogelijk ontstane noodweersituatie voor de deur van de kamer van [slachtoffer 1] geëindigd op het moment dat de verdachte naar zijn eigen kamer teruggaat. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.


Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezen verklaarde feiten zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Noodweerexces feit 1

Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 1 op het

standpunt gesteld dat aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.

Op grond van de onder 5.3 vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom faalt. Ook dit verweer wordt dus verworpen.

Psychische overmacht feiten 2 en 3

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. De raadsman heeft hierbij verwezen naar zijn uiteenzetting van het beroep op noodweer(exces) voor wat betreft de drang waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden, namelijk de voortdurende gemoedsbeweging die bij de verdachte was ontstaan door de aanval van het slachtoffer.

Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Nu ook uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet blijkt van enige van buiten komende drang, maar juist van een vanuit de verdachte komende drang in de vorm van een voortdurende gemoedstoestand van hem zelf, kan van psychische overmacht in dit geval geen sprake zijn. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren, met aftrek van de duur van het voorarrest.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – in het geval van een veroordeling – verzocht de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 4 jaren op te leggen, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft op 14 juli 2020, kennelijk vanwege geluidsoverlast, zijn huisgenoot, [slachtoffer 1] , in zijn rug gestoken. Hij is het slachtoffer vervolgens achterna gegaan door de woning en heeft hem nog meermalen gestoken. Nadat het slachtoffer de badkamer in was gevlucht, heeft de verdachte die deur open gedaan en heeft hij het slachtoffer in zijn borstkas gestoken. Het slachtoffer is ter plekke aan zijn steekverwondingen overleden.

Vervolgens heeft de verdachte zijn andere huisgenoot, [slachtoffer 2] , die heeft verklaard het steekincident te hebben gezien, bespoten met spiritus en getracht hem met een aansteker in brand te steken. Dit slachtoffer wist te ontkomen en is naar buiten gevlucht. Daarna heeft de verdachte meerdere plaatsen in de woning besprenkeld met terpentine en heeft hij daar opzettelijk brand gesticht.

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt ontnomen: het recht op leven. Het slachtoffer probeerde meermalen aan de verdachte te ontkomen en moet erg angstig zijn geweest in de laatste minuten van zijn leven.

De verdachte heeft daarnaast de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Voorts heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] moeten vrezen voor zijn leven, nadat hij getuige is geweest van een dodelijk steekincident in zijn eigen woning. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding ter terechtzitting is gebleken dat hij nog steeds fysieke en psychische klachten ondervindt van deze gebeurtenissen.

Tot slot heeft de verdachte door zijn handelen (de goederen in) de woning en omliggende woningen in gevaar gebracht.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

  • -

    het op naam van de verdachte staand uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 september 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten;

  • -

    het psychologisch rapport Pro Justitia van 31 augustus 2020 en een aanvulling op dit rapport gedateerd 16 maart 2021, beiden opgesteld door drs. M.L. de Groot.
    De rapporten houden het volgende in:


Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van laagbegaafdheid. Mede hierdoor heeft hij moeite met het hanteren van zijn emoties en verliest hij snel het overzicht in complexe situaties. Daarnaast is sprake van stoornissen in alcohol- en cannabisgebruik, beide in kortdurende remissie onder gecontroleerde omstandigheden (detentie).
Van bovengenoemde stoornissen was tevens sprake tijdens het plegen van het ten laste gelegde (mits bewezen).
Betrokkene verliest in complexe situaties snel het overzicht, waarbij de spanning enorm bij hem kan oplopen en hij de gevolgen van zijn gedrag niet goed kan overzien. Van dergelijk overzichtsverlies lijkt sprake te zijn geweest tijdens het ten laste gelegde. Voorts hebben zijn intellectuele beperkingen en passieve copingstijl ook in indirecte zin bijgedragen aan (de omstandigheden rondom) de ten laste gelegde feiten. Zijn overmatige middelengebruik (met passiviteit tot gevolg) en weerstand om hulp in te schakelen van anderen hebben hierin ook zeker een (indirecte) rol gespeeld.

Geadviseerd wordt om hem de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen (mits bewezen). Betrokkene werd beperkt in zijn wil- en gedrags-keuzes, doordat hij vanuit zijn laagbegaafdheid snel het overzicht over complexe situaties (de rechtbank begrijpt: verliest).

Bovendien is hij vanuit zijn beperkte intellectuele draagkracht niet goed in staat om gedragsalternatieven tegen elkaar af te wegen en hiervan de lange termijn gevolgen te beoordelen, wanneer de spanning bij hem oploopt.

- het over de verdachte uitgebracht reclasseringsrapport van 26 april 2021 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland.

De rechtbank kan zich met deze conclusies van de rapporten verenigen en neemt deze over. De rechtbank beschouwt de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten dan ook als verminderd toerekeningsvatbaar.

De op te leggen straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat alleen oplegging van een langdurige onvoorwaardelijk gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Doodslag betreft een van de ernstigste feiten in het strafrecht. Ook de bewezenverklaarde poging tot doodslag en opzettelijke brandstichting rechtvaardigen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van al deze feiten, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 10 jaren in dit geval evenwel passend en geboden, met aftrek van de duur van het voorarrest. Voor een deels voorwaardelijk op te leggen straf, zoals de raadsman heeft verzocht, is gelet op de lange duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen plaats.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte (de veroordeelde) in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering (Sv), aan de orde is.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Feit 2

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft namens [bedrijf] een vordering tot schadevergoeding van € 65.840,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van feit 2 zou hebben geleden.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu de vordering niet is onderbouwd.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat de vordering niet is onderbouwd en zal gelet hierop bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de proceskosten die de verdachte tot dusver heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

Feit 3

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.025,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële- en immateriële schade die zij als gevolg van feit 3 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 25,- materiële schade en € 5.000,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de gehele vordering toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering gelet op het standpunt dat de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft hij zich met betrekking tot de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de immateriële schade heeft hij verzocht dit te matigen tot een bedrag van € 500,- en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering wegens onvoldoende onderbouwing daarvan.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 25,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit 3. Tevens komt de rechtbank vergoeding van geleden immateriële schade billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank is echter van oordeel dat de gestelde immateriële schade niet geheel voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-, nu dit bedrag de rechtbank billijk voorkomt en bovendien niet is betwist, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van de verdachtes onder feit 3 bewezen verklaarde (in het kort: poging tot doodslag) handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 45, 57, 157 en 287 Sr.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 impliciet primair (moord), en onder 3 impliciet primair (poging tot moord) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair, onder 2 en onder 3 impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Feit 2

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Feit 3

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 525,-, bestaande uit € 25,- als vergoeding voor de materiële schade en € 500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Schadevergoedingsmaatregel

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 525,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. C.A.J. van Yperen en mr. M.M.J. de Jager, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Winter,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2021.

mr. De Jager is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.