Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6584

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
HAA 21/3107
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen voorlopige voorziening. Aanleg van een 20 kV elektriciteitsverbinding. Artikel 2, aanhef en onder achttien, van Bijlage II Bor. Wetgever heeft bedoeld vergunningplicht van ondergrondse leidingstelsels uit te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0178
JOM 2021/399
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/3107

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2021 in de zaak tussen

[verzoeker 1] , te [woonplaats 1] , en [verzoeker 2], te [woonplaats 2] , voor zichzelf en als vennoten van de vennootschap onder firma Firma [firma] , te [woonplaats 1]

[verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6] , te [woonplaats 2]

[verzoeker 7] , te [woonplaats 3] , en [verzoeker 8], te [woonplaats 2] , voor zichzelf en als vennoten van de vennootschap onder firma Firma Bloembollenbedrijf [verzoeker 7] , te [woonplaats 3]

[verzoeker 9] , te [woonplaats 4] , en [verzoeker 10] en [verzoeker 11] , te [woonplaats 2]

tezamen: verzoekers

gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede, advocaat te Groningen

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder
gemachtigden: B. van Yperen, A.A. de Bruijn en E. Menzel, allen in dienst van de gemeente.

Als derde-partij neemt aan het geding deel: de naamloze vennootschap Liander N.V., te Duiven,

gemachtigden: mr. I.S. Termaat en mr. J.W.M. Hagelaars, advocaten te Nijmegen.

Procesverloop

In het besluit van 8 april 2021 heeft verweerder aan Liander N.V. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend voor de aanleg van een 20 kV-elektriciteitsverbinding (inclusief herstelwerkzaamheden) vanaf onderstation De Weel richting Schagen en Campina, door middel van grond verdringende techniek in combinatie met open ontgraving, gestuurde boringen en persingen op diverse percelen, op het aanvraagformulier aangeduid als [adres] , ’t Veld. Verweerder heeft dit besluit op 12 april 2021 gepubliceerd.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Voorts hebben verzoekers in dit bezwaarschrift een handhavingsverzoek ingediend.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om bij voorlopige voorziening de omgevingsvergunning te schorsen.

Verzoekers hebben op 28 juli 2021 de voorzieningenrechter verzocht een ordemaatregel te treffen. Op 30 juli 2021 hebben verzoekers dit verzoek ingetrokken naar aanleiding van een bericht van Liander van 29 juli 2021 dat de geplande werkzaamheden op de percelen van verzoekers tot 9 augustus 2021 uitgesteld worden.

Verweerder heeft op 28 juli 2021 het verzoek om handhaving afgewezen. Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 augustus 2021 op zitting behandeld. Verzoekers werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde bijgestaan door ingenieur [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Liander is vertegenwoordigd door haar gemachtigden, vergezeld van mr. [naam 2] , werkzaam bij Liander.

Ter zitting hebben verzoekers hun verzoek aangevuld. Zij verzoeken tevens om schorsing van het besluit op het verzoek om handhaving en om een verbod aan Liander om de werkzaamheden aan te vangen.

Na de zitting hebben verzoekers een separaat verzoek om voorlopige voorziening ingediend waarin zij - wederom - verzoeken om schorsing van het besluit op het verzoek om handhaving en om een verbod aan Liander om de werkzaamheden aan te vangen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1

In het besluit van 8 april 2021 heeft verweerder aan Liander een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de aanleg van een 20 kV-elektriciteitsverbinding (inclusief herstelwerkzaamheden) (hierna: het werk) van circa 3,5 kilometer vanaf onderstation De Weel richting Schagen en Campina. Deze elektriciteitsverbinding zal Liander door middel van grond verdringende techniek in combinatie met open ontgraving, gestuurde boringen en persingen op diverse percelen, op het aanvraagformulier aangeduid als [adres] , in ’t Veld, uitvoeren.

Verzoekers zijn eigenaren van enkele van de percelen waardoor de aanleg van de verbinding is voorzien. Het perceel van de familie [verzoeker 3] betreft een woonperceel, de andere percelen betreffen agrarische grond voor de bollenteelt.

2.2

De percelen van verzoekers waarop het werk is voorzien, liggen in de bestemmingsplannen ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’ en ‘’t Veld, Oude Niedorp en Zijdewind – De Weel’. De werkzaamheden worden uitgevoerd op gronden met de enkelbestemmingen ‘Verkeer’, ‘Agrarisch met waarden’, ‘Wonen’ en ‘Gemengd’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’. Op het perceel van de familie [verzoeker 3] rust – uitsluitend - de bestemming ‘Wonen’. Op de percelen van de overige verzoekers rust de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. In de planregels met betrekking tot de bestemming Agrarisch met waarden is een vergunningsregeling voor het uitvoeren van werken opgenomen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, Wabo.

2.3

Het voorziene tracé van de elektriciteitsverbinding brengt met zich mee dat de percelen van verzoekers worden doorkruist. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Voorts hebben verzoekers in het bezwaarschrift een handhavingsverzoek ingediend.

2.4

Verweerder heeft op 28 juli 2021 het verzoek om handhaving afgewezen. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de aanleg van ondergrondse buis- en leidingstelsels gelet op artikel 2, aanhef en onder achttien en onder d van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningvrij is. Er is, anders dan verzoekers aanvoeren, daarom volgens verweerder geen vergunning vereist zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo. Omdat op (een deel van) de gronden waar de aanlegwerkzaamheden plaatsvinden een (dubbel)bestemming Waarden” of “Archeologie 4’ rust waarvoor een vergunningsstelsel als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, Wabo geldt, is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk nodig en verleend. Uit het archeologisch onderzoek dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning is ingediend en daar deel van uitmaakt, blijkt dat er geen (archeologische) waarden worden geschaad zodat verweerder geen beletsel zag voor de verlening van die vergunning.

3. Artikel 2, aanhef en onder achttien en onder d van Bijlage II van het Bor, dat het enige artikel is in Hoofdstuk II “Categorieën van gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist”, luidt voor zover van belang: Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: (…) 18. een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening voor zover het betreft: (…) d. ondergrondse buis- en leidingstelsels(…).

4. Verzoekers hebben ter zitting verzocht het verzoek om voorlopige voorziening uit te breiden met een verzoek dat betrekking heeft op het afgewezen handhavingsverzoek. Zij verzoeken de voorzieningenrechter een maatregel te treffen, omdat Liander een overtreding zou begaan door zonder een omgevingsvergunning voor van de bestemmingsplannen afwijkend gebruik een elektriciteitsverbinding te realiseren. Liander heeft zich verzet tegen het uitbreiden van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter laat de aanvulling van het verzoek om voorlopige voorziening echter toe, omdat er samenhang is tussen de beide verzoeken en dezelfde rechtsvraag aan de orde is en partijen ter zitting voldoende gelegenheid hebben gehad zich uit te laten over het verzoek voor zover dat het handhavingsverzoek betreft. In het na de zitting ingediende aanvullende verzoek om voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter geen grond tot heropening van het onderzoek. Aangezien de rechtbank thans reeds op hetzelfde, ter zitting gedane verzoek, beslist, is er ook geen aanleiding afzonderlijk nogmaals op datzelfde verzoek te beslissen.

5. Het bezwaar van verzoekers tegen de verleende omgevingvergunning en het afgewezen handhavingsverzoek is gebaseerd op de stelling dat een omgevingsvergunning is vereist voor het neerleggen en hebben van de elektriciteitsverbindingen, omdat dit neerleggen en/of hebben van die verbinding aldaar op grond van de bestemmingsplannen niet zou zijn toegestaan. Voorts voeren zij aan dat wat betreft de omgevingsvergunning verweerder ten onrechte heeft beslist op de aanvraag, omdat de aanleg van de elektriciteitsverbindingen en de afwijkingsvergunning onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en verweerder dus niet op de aanvraag mocht beslissen voor de aanvraag was aangevuld met een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo (gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan).

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen (tweede) omgevingsvergunning is vereist omdat de aanleg van ondergrondse buis- en leidingstelsels gelet op artikel 2, aanhef en onder achttien en onder d van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningvrij is. Liander heeft onder meer ten verwere aangevoerd dat de aanleg en instandhouding van de elektriciteitsverbindingen een planologische irrelevante activiteit zou zijn, zodat voor het gebruik van de gronden van verzoekers geen vergunning voor gebruik in strijd met een bestemmingsplan kan zijn vereist.

7. De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of artikel 2, aanhef en onder achttien en onder d van Bijlage II van het Bor met zich mee brengt dat geen omgevingsvergunning is vereist voor het aanbrengen aldaar en/of de gronden gebruiken voor het hebben van die elektriciteitsverbindingen.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist en baseert dit oordeel op de volgende argumentatie. Artikel 2, aanhef en onder achttien, van Bijlage II Bor ziet op het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de infrastructuur of openbare (nuts)voorzieningen en bevindt zich in Hoofdstuk II, Categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist. In de aanhef van artikel 2 zijn de activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, afgebakend tot (alle) activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de Wabo. In het achttiende onderdeel is die vrijstelling nader omschreven. Niet in geschil is dat de (ondergrondse) leidingen geen bouwwerk zijn waaraan in de aanhef van onderdeel achttien primair wordt gerefereerd. Hoewel in onderdeel achttien weliswaar primair wordt aangesloten bij bouwwerken, zijn toch in onderdeel d ook ondergrondse leidingen vergunningvrij verklaard, zonder een beperking tot ondergrondse leidingen die tevens bouwwerk zijn. Mede gelet op de door Liander aangehaalde Nota van toelichting bij het Besluit omgevingsrecht, waarbij dit onderdeel is ingevoerd en waar de besluitgever toelicht dat ook grotere doorvoerleidingen vergunningvrij (kunnen) zijn, en het feit dat uit de titel van het Hoofdstuk waarin het bedoelde artikel 2 is opgenomen en de aanhef van het artikel, volgt – ondanks de moeizame formulering van de aanhef van het onderdeel achttien – dat dat de besluitgever bedoeld heeft vergunningplicht in verband met bestemmingsplanregels voor ondergrondse leidingstelsels geheel uit te sluiten. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat het aanleggen van leidingen zoals hier aan de orde niet vergunningplichtig is. Dat betekent dat er in het kader van artikel 2.7 Awb, het artikel dat ziet op het aanvragen van omgevingsvergunningen voor onlosmakelijke activiteiten, geen verplichting kan zijn voor Liander ook een vergunning voor afwijkend gebruik van het bestemmingsplan aan te vragen. Voorts is er om dezelfde geen grond voor preventief handhavend optreden door verweerder tegen de voorgenomen aanleg en het hebben van de verbindingen op de percelen van verzoekers. De (andere) verweren van Liander, wat daar ook van zij, kan de voorzieningenrechter daarom onbesproken laten.

9. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot zowel de verleende omgevingsvergunning als de afwijzing van het verzoek om handhaving af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.L. van Broekhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.