Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6496

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-07-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
9237732 AO VERZ 21-32
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wegens het ontbreken van een duidelijke en ondubbelzinnige, op beëindiging gerichte wilsverklaring is geen sprake is van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkneemster. Werkneemster dient, zodra zij kan re-integreren, te worden toegelaten tot het werk. Werkneemster heeft recht op loon en overige emolumenten. Toewijzing wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./repnr.: 9237732 \ AO VERZ 21-32

Uitspraakdatum: 26 juli 2021 bvv

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. J. Jong

tegen

de stichting Stichting Paardrijden Gehandicapten “De Blijde Ruiters”,

gevestigd te Zaandam

verwerende partij

verder te noemen: De Blijde Ruiters

gemachtigde: [xxx] en [yyy] .

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om, voor het geval komt vast te staan dat [verzoekster] op 27 maart 2021 haar arbeidsovereenkomst mondeling heeft opgezegd, voor recht te verklaren dat aan die opzegging geen rechtsgevolg toekomt, althans dat De Blijde Ruiters zich niet op die opzegging kan beroepen, althans tot vernietiging van die opzegging over te gaan. De Blijde Ruiters heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 5 juli 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoekster] bij brieven van 28 en 29 juni en 2 juli 2021 stukken toegezonden. De Blijde Ruiters heeft ter zitting nog stukken overgelegd.

2 De feiten

2.1.

De Blijde Ruiters is een stichting die het paardrijden voor gehandicapten op de manege in Zaandam mogelijk maakt. [verzoekster] , geboren [geboortedatum] , is op 4 december 2014 in dienst getreden bij De Blijde Ruiters voor 10,25 uur per week. De laatste functie die [verzoekster] vervulde is die van instructrice met een salaris van € 515,39 bruto per maand.

2.2.

Op 26 maart 2021 is [verzoekster] door [xxx] (voorzitter van De Blijde Ruiters en hierna: [xxx] ) per whatsapp uitgenodigd voor een gesprek met haar en [yyy] (penningmeester van De Blijde Ruiters en hierna: [yyy] ).

2.3.

Op 27 maart 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en [xxx] en [yyy] namens De Blijde Ruiters.

2.4.

[verzoekster] heeft zich op 29 maart 2021 per whatsapp bij [xxx] ziekgemeld.

2.5.

Op 8 april 2021 heeft de bedrijfsarts van Rienks Arbodienst B.V. een “Terugkoppeling spreekuur” naar De Blijde Ruiters verzonden naar aanleiding van een telefonisch consult met [verzoekster] . De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat [verzoekster] verzuimt in verband met een “reeds bestaande medische aandoening welk geluxeerd is door werkgerelateerd factoren”. Hierdoor is sprake van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, waarbij [verzoekster] tevens energetisch beperkt is. Volgens de bedrijfsarts zijn er arbeidsmogelijkheden die kunnen worden ingezet, mits de werkgerelateerde factoren met goed resultaat worden besproken. De bedrijfsarts heeft daarom een gesprek onder begeleiding van een mediator geadviseerd. Er is een vervolgafspraak gemaakt voor 10 mei 2021.

2.6.

Bij brief van 7 mei 2021 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] De Blijde Ruiters aangeschreven en daarbij een overzicht van de gebeurtenissen gegeven en aangegeven dat

[verzoekster] zich, na het volgende bezoek aan de bedrijfsarts, zou beraden op haar positie.

2.7.

Op 14 mei 2021 heeft [yyy] per brief namens het bestuur gereageerd richting [verzoekster] . In deze brief is onder meer opgenomen dat [verzoekster] er tijdens het gesprek van 26 (de kantonrechter begrijpt: 27) maart 2021 voor heeft gekozen haar ontslag in te dienen en heeft [yyy] het besluit van [verzoekster] om haar dienstverband bij De Blijde Ruiters te beëindigen bevestigd. Ook is medegedeeld dat met een opzegtermijn van twee maanden de arbeidsovereenkomst eindigt per 31 mei 2021.

2.8.

Bij brief van 15 mei 2021 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] gereageerd en medegedeeld dat van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verzoekster] geen sprake is geweest, dat [verzoekster] tot eind april werd geschorst en dat [verzoekster] zich vervolgens ziek heeft gemeld. Voor zover [verzoekster] al een opzegging heeft gedaan, dan herroept zij deze opzegging voor zover nodig.

2.9.

Op 18 mei 2021 heeft [yyy] nogmaals namens De Blijde Ruiters richting (de gemachtigde van) [verzoekster] per brief gereageerd. [yyy] heeft laten weten dat De Blijde Ruiters [verzoekster] houdt aan haar opzegging en dat De Blijde Ruiters wel een gesprek met [verzoekster] wilde voeren over haar opzegging maar dat [verzoekster] zich ziek heeft gemeld.

2.10.

Op 4 juni 2021 heeft de bedrijfsarts een “Terugkoppeling spreekuur” naar De Blijde Ruiters verstuurd naar aanleiding van een gesprek met [verzoekster] . De bedrijfsarts heeft opnieuw geconcludeerd dat er arbeidsmogelijkheden zijn die kunnen worden ingezet, mits de werkgerelateerde factoren met goed resultaat worden besproken en heeft geadviseerd bemiddelingsgesprekken in te zetten om tot een oplossing te komen. Er is een vervolgafspraak gemaakt voor 2 juli 2021. Deze afspraak is niet doorgegaan omdat [xxx] [verzoekster] uit dienst heeft gemeld bij de arbodienst.

2.11.

Vanaf juni 2021 heeft De Blijde Ruiters [verzoekster] geen loon betaald.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter voorwaardelijk, voor het geval vast komt te staan dat [verzoekster] op 27 maart 2021 haar arbeidsovereenkomst mondeling heeft opgezegd, voor recht te verklaren dat aan die opzegging geen rechtsgevolg toekomt, althans dat De Blijde Ruiters zich niet op die opzegging kan beroepen, althans tot vernietiging van die opzegging over te gaan. Daarnaast verzoekt [verzoekster] veroordeling van De Blijde Ruiters om haar, vanaf het moment dat ze is hersteld, weer toe te laten tot de bedongen arbeid onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag en De Blijde Ruiters te veroordelen om ook na 31 mei 2021 het verschuldigd brutoloon van € 515,39 per maand, te vermeerderen met de vaste vergoeding voor meerwerk van € 50,97 bruto en een studiekostenvergoeding van € 30,00 netto per maand te betalen aan [verzoekster] , te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijk rente. Tot slot verzoekt [verzoekster] veroordeling van De Blijde Ruiters in de proces- en nakosten.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag - kort weergegeven - dat zij haar arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd. Zij heeft dat ook niet willen doen. Zij kan zich het gesprek van 27 maart 2021 niet meer in detail herinneren, maar tijdens die bespreking heeft zij zeker niet haar arbeidsovereenkomst definitief en zonder voorbehoud opgezegd en al helemaal niet met een opzegtermijn tot 31 mei 2021. [verzoekster] heeft in haar emoties en boosheid misschien iets geroepen dat, als De Blijde Ruiters zo door zou gaan, zij zelf een ontslagbrief zou sturen; dat heeft zij niet gedaan. [verzoekster] kan zich ook al helemaal niet herinneren dat er daarna gesproken zou zijn over de mogelijke gevolgen voor haar van een opzegging. In de whatsappcorrespondentie van na 27 maart 2021 wordt ook met geen woord gesproken over een opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verzoekster] en de gevolgen daarvan. [verzoekster] heeft veel plezier in haar werk bij De Blijde Ruiters en wil na oplossing van het geschil daar graag weer terugkeren.

3.3.

De Blijde Ruiters verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan - samengevat - dat

[verzoekster] tijdens het gesprek op 27 maart 2021 zelf meerdere malen heeft aangegeven per direct te gaan stoppen bij De Blijde Ruiters. [xxx] en [yyy] hebben tijdens dit gesprek aangegeven dat [verzoekster] hier nog even rustig over na moest denken en dat er na het weekend contact opgenomen zou worden. [verzoekster] heeft ervoor gekozen niet met De Blijde Ruiters in gesprek te gaan. Na een periode van zes weken zonder dat [verzoekster] contact wenste, kon De Blijde Ruiters niet anders concluderen dan dat [verzoekster] niet terug zou komen op haar besluit. De Blijde Ruiters heeft over het contact dat [verzoekster] met de bedrijfsarts heeft gehad geen inhoudelijke informatie ontvangen. Een ziekmelding is ook niet aan de orde, omdat [verzoekster] reeds ontslag genomen had.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat de zaak is ingeleid met een verzoekschrift. Volgens artikel 7:686a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen de gedingen die op het in, bij of krachtens afdeling 9 van Boek 7 BW bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift. Afdeling 9 heeft als titel “Einde van de arbeidsovereenkomst”. Hoewel de vordering die [verzoekster] heeft ingediend niet met zoveel woorden in deze afdeling wordt genoemd, heeft deze wel betrekking op het einde van de arbeidsovereenkomst. Daarvan uitgaande kan die vordering, ook om proceseconomische redenen, bij verzoekschrift worden ingediend. De kantonrechter zal dan ook tot een inhoudelijke beoordeling overgaan. De Blijde Ruiters heeft hiertegen overigens ook geen verweer gevoerd.

4.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat of dat deze is geëindigd door een mondelinge opzegging door [verzoekster] op 27 maart 2021.

4.3.

Voor de beoordeling is artikel 3:33 BW van belang, waarin is bepaald dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Naar vaste rechtspraak vereist de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.

4.4.

Ter zitting hebben partijen toegelicht waarom er op 27 maart 2021 een gesprek heeft plaatsgevonden en hoe dat gesprek is verlopen. Er was sprake van veel onrust op de manege en De Blijde Ruiters wilde onderzoeken waar die onrust vandaan kwam. Omdat er diverse signalen waren dat [verzoekster] en [zzz] (voormalig bestuurslid van De Blijde Ruiters, en hierna: [zzz] ), bij die onrust betrokken waren, zijn zij ieder afzonderlijk uitgenodigd voor een gesprek. Aan zowel [zzz] als [verzoekster] is tijdens dit gesprek verzocht de maand april vrijaf te nemen, zodat kon worden geïnventariseerd waar het fout ging. Of is gezegd dat [verzoekster] werd geschorst of op non-actief werd gesteld is tussen partijen in geschil, maar duidelijk is wel dat [verzoekster] dringend werd gevraagd een maand niet op de manege te komen. [verzoekster] kon zich hierin niet vinden en werd erg boos, omdat zij niet de gelegenheid kreeg haar kant van het verhaal te vertellen.
erkent dat zij in haar boosheid en uit verdriet heeft gezegd dat De Blijde Ruiters een ontslagbrief kon verwachten. [verzoekster] heeft een dergelijke brief vervolgens nooit verzonden, maar zich in plaats daarvan twee dagen na het gesprek ziekgemeld.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die is gericht op vrijwillige en eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Wanneer een werknemer in een emotionele toestand tijdens een gesprek mondeling aankondigt te willen stoppen, kan niet, althans niet zonder meer, worden aangenomen dat deze werknemer daadwerkelijk de wil heeft om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, met alle gevolgen van dien. Daar mocht De Blijde Ruiters ook niet vanuit gaan. Het lag in die situatie op de weg van De Blijde Ruiters als werkgever om te verifiëren of [verzoekster] daadwerkelijk de bedoeling had de arbeidsovereenkomst op te zeggen en of zij besefte wat de gevolgen van een eenzijdige opzegging voor haar zouden zijn. Dat heeft De Blijde Ruiters ten onrechte niet gedaan. Dit geldt temeer nu het gebleven is bij een mededeling tijdens het gesprek. [verzoekster] heeft immers tijdens het gesprek gezegd dat zij een ontslagbrief zou sturen, maar zij heeft dit vervolgens niet gedaan. Daaruit had De Blijde Ruiters redelijkerwijs moeten opmaken dat [verzoekster] haar dienstverband niet daadwerkelijk wilde beëindigen. Het feit dat [verzoekster] volgens De Blijde Ruiters zes weken lang niets meer van zich heeft laten horen, maakt evenmin dat [verzoekster] ervan uit mocht gaan dat [verzoekster] haar arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. De Blijde Ruiters miskent hiermee dat [verzoekster] sinds 29 maart 2021 arbeidsongeschikt is, waarbij zij onder meer beperkt is in het persoonlijk en sociaal functioneren (waaronder het omgaan met conflicten). Dat is zij blijkens het laatste advies van de bedrijfsarts nog steeds. De Blijde Ruiters had hier rekening mee moeten houden. Zeker in die situatie mocht De Blijde Ruiters niet van een opzegging uitgaan. Dat er mogelijk iets mis is gegaan in de communicatie tussen De Blijde Ruiters en de arbodienst, ligt in de risicosfeer van De Blijde Ruiters als werkgever en kan niet aan [verzoekster] worden tegengeworpen.

4.6.

Het ontbreken van een duidelijke en ondubbelzinnige, op beëindiging gerichte wilsverklaring van [verzoekster] leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst. De door [verzoekster] voorwaardelijk gevorderde verklaring voor recht zal, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze is ingesteld, worden afgewezen.

4.7.

Omdat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd, duurt de arbeidsovereenkomst voort. [verzoekster] dient daarom te worden toegelaten tot het werk zodra zij arbeidsmogelijkheden heeft en de bedrijfsarts van oordeel is dat [verzoekster] kan re-integreren. De vordering van [verzoekster] zal in zoverre worden toegewezen. Gelet op de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] acht de kantonrechter het op dit moment te onzeker om aan de toelating tot het werk een dwangsom te verbinden. Uiteraard dient De Blijde Ruiters zich te houden aan de adviezen van de bedrijfsarts en haar overige wettelijke re-integratie-verplichtingen na te komen.

4.8.

[verzoekster] heeft omdat de arbeidsovereenkomst nog bestaat ook recht op loon. Het gevorderde loon, de vaste vergoeding voor meerwerk en de studiekostenvergoeding vanaf 31 mei 2021 worden daarom toegewezen. De Blijde Ruiters heeft geen verweer gevoerd tegen de door [verzoekster] gevorderde bedragen. De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat De Blijde Ruiters te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. Het niet (door)betalen van het loon ligt binnen de risicosfeer van De Blijde Ruiters.

4.9.

De proceskosten komen voor rekening van De Blijde Ruiters, omdat zij ongelijk krijgt. Daarbij wordt De Blijde Ruiters ook veroordeeld tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verzoekster] worden gemaakt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt De Blijde Ruiters om [verzoekster] vanaf het moment dat zij hersteld zal zijn toe te laten tot de bedongen werkzaamheden;

5.2.

veroordeelt De Blijde Ruiters om na 31 mei 2021 aan [verzoekster] te betalen het aan haar verschuldigde brutoloon van € 515,39 per maand, te vermeerderen met de vaste vergoeding voor meerwerk van € 50,97 bruto en een studiekostenvergoeding van € 30,00 netto per maand, te vermeerderen met wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente steeds vanaf de dag van opeisbaarheid;

5.3.

veroordeelt De Blijde Ruiters tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op € 583,00, te weten:

griffierecht € 85,00

salaris gemachtigde € 498,00,

veroordeelt De Blijde Ruiters tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [verzoekster] worden gemaakt;

5.4.

wijst het verzoek voor het overige af;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. S. Slijkhuis, kantonrechter en op 26 juli 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter