Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6483

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
15/104514-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging. Oplegging ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/104514-21 (P)

Uitspraakdatum: 5 augustus 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juli 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in P.I. Haaglanden, PPC.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T.M. Fikkers en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 april 2021 te Purmerend, althans in Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een klapmes in zijn handen achter die [benadeelde] aan te rennen en/of die [benadeelde] daarbij de woorden toe te voegen "Kom dan ik steek je neer" en/of "ik steek je overhoop", althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdachte ontkent aangever te hebben bedreigd. De verklaring van de aangever is volgens de raadsman onvoldoende betrouwbaar, nu hij heeft verzwegen geweld te hebben gebruikt tegen de verdachte. De aangifte kan daarom niet worden gebruikt voor het bewijs, zodat er volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling voor bedreiging te kunnen komen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Nadere bewijsoverweging

De rechtbank stelt vast dat de in de aangifte beschreven gedragingen van de verdachte, inhoudende dat de verdachte met een uitgeklapt mes achter de aangever aanrende, worden bevestigd door verschillende getuigen. De rechtbank acht de aangifte dan ook voldoende betrouwbaar, zodat deze voor het bewijs wordt gebruikt. Dat de aangever, zoals de raadsman heeft aangevoerd, niet ook heeft verklaard over het geweld dat hij tegen de verdachte zou hebben gebruikt en dat dit wel uit de getuigenverklaringen volgt, maakt het voorgaande niet anders.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aangifte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdediging, ondanks vergeefse oproepingen van de aangever als getuige, niet in de gelegenheid is geweest de aangever te ondervragen. Omdat de (overige) getuigen echter wel in het bijzijn van de verdediging door de rechter-commissaris zijn gehoord en de bewezenverklaring slechts in beperkte mate op de aangifte steunt, zijn – ook nu de aangifte voor het bewijs wordt gebruikt – de rechten van de verdachte op een eerlijk proces in deze procedure voldoende gewaarborgd. Dit geldt temeer nu de verdediging ter terechtzitting desgevraagd niet heeft verzocht om een hernieuwde oproeping van de aangever als getuige.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 april 2021 te Purmerend [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een klapmes in zijn handen achter die [benadeelde] aan te rennen en die [benadeelde] daarbij de woorden toe te voegen "Kom dan ik steek je neer" en "ik steek je overhoop".

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een gevangenisstraf van maximaal de duur van het voorarrest dient te worden opgelegd. Voor zover de rechtbank de ISD-maatregel passend en geboden acht, heeft de raadsman subsidiair verzocht een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Daartoe heeft de raadsman bepleit dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel een zeer ingrijpend karakter heeft en in het geval van de verdachte te verstrekkend is. Weliswaar heeft de verdachte in het verleden onvoldoende meegewerkt met de reclassering, maar hij is na een periode van detentie stabieler geworden en is nu wel bereid de voorwaarden na te leven. De verdachte heeft momenteel een woning en heeft goed contact met de hulpverleners. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zou ervoor zorgen dat hij deze basis verliest.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie of maatregel die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging door met een klapmes in zijn handen achter het slachtoffer aan te rennen en daarbij onder andere te roepen dat hij het slachtoffer zou neersteken. De verdachte heeft hiermee de persoonlijke integriteit van het slachtoffer aangetast en een ernstig gevoel van vrees opgewekt bij het slachtoffer. Dat het incident overdag plaatsvond in een speeltuin voor een flatgebouw, maakt het des te ernstiger nu hierdoor meerdere omstanders, onder wie minderjarige kinderen, getuige zijn geweest van het incident. Het gevoel van veiligheid dat een woonomgeving zou moeten bieden, is voor die omstanders ernstig geschaad.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder geweldsfeiten, onherroepelijk is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport gedateerd 7 juli 2021 van [reclasseringswerkster] , als reclasseringswerkster verbonden aan GGZ reclassering Fivoor, waarin wordt geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op de leggen.

Dit advies is als volgt onderbouwd:

Betrokkene is sinds 1988 bekend bij politie en justitie voor een diversiteit aan delicten waarbij vermogensdelicten en het niet opvolgen van een ambtelijk bevel als delictpatroon aangemerkt kunnen worden. Er is zowel sprake van middelenproblematiek als ook psychische problematiek welke in relatie staan tot het delictgedrag. Betrokkene is in het verleden klinisch opgenomen geweest in het kader van een rechterlijke machtiging en is ook ambulant in behandeling geweest. Hoewel er nog steeds sprake is van delictgedrag kan er gesteld worden dat de frequentie hiervan in de afgelopen jaren is afgenomen. Binnen eerdere contacten met de reclassering heeft betrokkene zich nimmer (voldoende) aan de opgelegde voorwaarden gehouden. Om tot een gedragsverandering te komen is er diagnostiek nodig om de juiste interventies in te kunnen zetten. In eerste instantie was de reclassering van mening dat er gronden waren om de preventieve hechtenis van betrokkene te schorsen. Het was van belang dat betrokkene zijn medewerking zou verlenen aan het tot stand komen van diagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling. Tevens moest hij zich laten begeleiden door Leviaan en meewerken aan middelencontrole daar middelengebruik een verhoogd risico op recidive geeft en het van belang is dat hier meer zicht op komt. Echter bleek dit na de schorsing van betrokkene niet haalbaar. Hij heeft zich niet gehouden aan de voorwaarden en heeft aangegeven bij de reclassering niet mee te werken aan ambulante behandeling of diagnostiek. Nu betrokkene weer in preventieve hechtenis verblijft, geeft hij aan geen problemen te hebben. Hierdoor zien wij geen andere mogelijkheden meer om betrokkene binnen een juridisch kader te begeleiden en blijft er weinig meer mogelijk dan het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD- maatregel. Binnen deze maatregel kan deze diagnostiek alsnog plaats vinden om vervolgens een passend en vooral haalbaar plan van aanpak op te stellen om zodoende delictgedrag in de toekomst te voorkomen.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

Wij zien geen mogelijkheden met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.

De rechtbank kan zich verenigen met het advies van de reclassering en is van oordeel dat, zoals ook de officier van justitie heeft gevorderd, oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat wordt voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Het door de verdachte begane feit betreft immers een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de verdachte is de afgelopen vijf jaren ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en taakstraffen, en onderhavig feit is begaan na tenuitvoerlegging hiervan. Ook moet er, mede gezien de justitiële documentatie van de verdachte en voornoemd reclasseringsadvies waarin het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en eist de veiligheid van personen en goederen oplegging van de maatregel.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet de rechtbank geen mogelijkheden om de behandeling en de begeleiding die de verdachte nodig heeft te laten plaatsvinden binnen het kader van bijzondere voorwaarden of een voorwaardelijke ISD-maatregel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eerdere hulpverleningstrajecten zijn mislukt en de verdachte tijdens een recente schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet heeft meegewerkt aan een ambulante behandeling of diagnostiek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het recidiverisico binnen het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggedrongen. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar moet worden opgelegd.

Teneinde de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 38m, 38n en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit, het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Boots, voorzitter,

mr. C.A.J. van Yperen en mr. M. Goedhart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M. van Fraeijenhove,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 augustus 2021.