Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6467

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-07-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
8947845 \ CV EXPL 20-10943
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Werknemer vordert met terugwerkende kracht vakantietoeslag over zijn ploegentoeslag. De kantonrechter oordeelt dat werknemer op grond van het bepaalde in de destijds geldende cao geen recht heeft op vakantietoeslag over de ploegentoeslag en wijst de vordering af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8947845 \ CV EXPL 20-10943

Uitspraakdatum: 14 juli 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger

tegen

De naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen

gedaagde

verder te noemen: KLM

gemachtigde: mr. J.M. van Slooten

Samenvatting

Werknemer vordert met terugwerkende kracht vakantietoeslag over zijn ploegentoeslag over de periode 3 juli 2015 tot en met 31 mei 2019. De kantonrechter oordeelt dat werknemer op grond van het bepaalde in de destijds geldende cao geen recht heeft op vakantietoeslag over de ploegentoeslag. In de cao is rechtsgeldig afgeweken van artikel 15 WML. Daarnaast kan de ploegentoeslag niet aangemerkt worden als een gegarandeerde vaste toeslag de toeslagen waarover wel vakantiegeld wordt berekend), omdat de hoogte van de ploegentoeslag variabel is en derhalve niet gegarandeerd is in de zin van de cao.

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft bij dagvaarding van 22 december 2020 een vordering tegen KLM ingesteld. KLM heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 14 juli 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [werknemer] en KLM hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

2 De feiten

2.1.

In deze zaak gaat het over de vraag of KLM over de periode 3 juli 2015 tot en met 31 mei 2019 vakantietoeslag over de ploegentoeslag is verschuldigd. Er wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.2.

[werknemer] , geboren [in 1980] , is sinds 1 juni 2009 werkzaam bij KLM in de functie van TUG Driver tegen een bruto maandsalaris van € 2.941,20 exclusief emolumenten, waaronder een maandelijkse ploegentoeslag van laatstelijk € 806,35 bruto.

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO KLM Grondpersoneel (hierna: de cao) van toepassing verklaard.

2.4.

[werknemer] werkt volgens een basisrooster in ploegendienst. Op basis van Bijlage 3D van de cao heeft hij derhalve recht op een maandelijkse ploegentoeslag. Deze ploegentoeslag wordt berekend aan de hand van het basisrooster. Dit basisrooster kan (een aantal keer per jaar) veranderen. In de van toepassing zijnde cao’s over de periode 3 juli 2015 tot en met 31 mei 2019 is in artikel 10.3 lid 2 de volgende bepaling opgenomen met betrekking tot de berekening van het vakantiegeld: ‘(…) Werknemers in actieve dienst met standplaats Nederland, ontvangen een vakantie uitkering van 8% over het in de periode 1 juni van het voorafgaande kalenderjaar tot en met 31 mei van het lopende kalenderjaar ontvangen salaris of ziekengeld/uitkering volgens Bijlage 7. Voor de berekening van de vakantie-uitkering wordt onder salaris mede begrepen de gegarandeerde vaste toeslagen. (…)

2.5.

Per 1 juni 2019 is de cao gewijzigd waardoor KLM vanaf die datum vakantiebijslag over de ploegentoeslag is verschuldigd

2.6.

Bij brief van 3 juli 2020 heeft [werknemer] KLM gesommeerd tot betaling van het achterstallige vakantiegeld over zijn ploegentoeslag over de vijf voorgaande jaren, door hem berekend op een bedrag van in totaal € 3.600,-- met wettelijke verhoging en rente. KLM heeft hieraan geen gehoor gegeven.

3 De vordering

3.1.

[werknemer] vordert dat KLM bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 2.815,80 aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Daarbij vordert [werknemer] betaling van een bedrag van € 491,96 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2.

[werknemer] legt aan de vordering ten grondslag – kort en niet volledig weergegeven – dat de ploegentoeslag moet worden aangemerkt als een gegarandeerde vaste toeslag, waarover op grond van de cao vakantietoeslag berekend moet worden. Uit de relevante cao-bepalingen valt niet af te leiden dat de cao-partijen beoogd zouden hebben om uit te sluiten dat over de ploegentoeslag vakantietoeslag moet worden berekend. Die bepalingen maken zelfs expliciet duidelijk (in artikelen 1.15 en 10.3) dat gegarandeerde vaste toeslagen weldegelijk meetellen bij de berekening van de vakantietoeslagen.

4 Het verweer

4.1.

KLM betwist de vordering en concludeert tot afwijzing. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [werknemer] heeft geen recht op de gevorderde vakantietoeslag, omdat in de cao conform artikel 16 lid 1 WML rechtsgeldig is afgeweken van het wettelijk recht op vakantiebijslag. Artikel 16 lid 1 WML bevat, anders dan [werknemer] betoogt, geen verplichting om in de cao te benoemen over welke looncomponenten geen vakantiegeld is verschuldigd.

4.2.

Daarnaast qualificeert de ploegentoeslag niet als gegarandeerde vaste toeslag zoals opgenomen in artikel 10.3 lid 2 cao. Op verschillende plaatsen in de cao wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen enerzijds de ploegentoeslag en anderzijds de gegarandeerde vaste toeslagen. De ploegentoeslag is per definitie niet gegarandeerd, omdat deze steeds afhankelijk is van het basisrooster waarin de medewerkers zijn ingeroosterd.

5 De beoordeling

5.1.

In de onderhavige zaak ligt voor de vraag of KLM (reeds) in de periode van 3 juli 2015 tot en met 31 mei 2019 verplicht was om vakantiebijslag over de ploegentoeslag te berekenen.

5.2.

[werknemer] kan vooreerst niet worden gevolgd in zijn (overigens pas ter comparitie voorgedragen) preliminaire betoog dat KLM in het onderhavige geval op onjuiste wijze het loon in de zin van artikel 6 WML heeft bepaald door daar een extra categorie aan toe te voegen (“de gemiddelde vaste toeslag”), die niet alleen is uitgezonderd van het ruime loonbegrip van artikel 6 lid 2 WML, maar daardoor ook buiten het loonbegrip van artikel 15 WML is komen te vallen. Hierdoor hoeft over die toeslag geen vakantiebijslag betaald te worden en is van een afwijking van artikel 15 WML niet eens sprake. Aldus [werknemer] .

5.3.

KLM heeft dit betoog afdoende weerlegd door erop te wijzen i) dat in artikel 10.3 van de cao is vastgelegd over welke looncomponenten vakantiebijslag wordt betaald: 8% van het salaris waarbij onder “salaris” mede wordt begrepen “de gegarandeerde vaste toeslagen”, ii) dat het hierbij gaat om een regeling die (derhalve wél) afwijkt van artikel 15 WML en iii) dat die afwijking is toegestaan op grond van artikel 16 lid 1 WML, nu aan lid 2 van die bepaling de hand wordt gehouden.

5.4.

Partijen zij het erover eens dat de door [werknemer] ontvangen ploegentoeslag niet qualificeert als “salaris” in de zin van de artikelen 1.15 en 10.1 van de cao. Hierdoor spitst het onderhavige geschil zich toe op de vraag of de ploegentoeslag wél kan worden aangemerkt als een gegarandeerde vaste toeslag als bedoeld in artikel 10.3 lid 2 van de cao (zoals hiervoor in 2.4 weergegeven). In het bevestigende geval had deze toeslag ook reeds voor 1 juni 2019 betrokken dienen te worden bij de berekening van de door KLM aan [werknemer] verschuldigde vakantiebijslag.

5.5.

[werknemer] neemt bij zijn bevestigende beantwoording van voornoemde vraag het standpunt in dat hij altijd in een basisrooster én ploegendienst zijn werkzaamheden heeft verricht (“vast rooster”) en dat hij daardoor “automatisch” (en dus gegarandeerd) recht heeft op de daarbij behorende vaste toeslag.

5.6.

KLM voert hiertegen aan dat het bij de vaste ploegentoeslag die zij aan [werknemer] is verschuldigd, gaat om niet meer dan een variabele toeslag waarvan de hoogte telkens afhangt van wisselende factoren waaronder allereerst het al niet ingeroosterd zijn in een basisrooster en vervolgens het specifieke basisrooster dat op [werknemer] in een bepaalde periode van toepassing is. Zo kan de hoogte van deze toeslag verschillen door generieke (bijv. nieuwe dienstregeling, verandering van bedrijfsdrukte) of specifieke (bijv arbeidsongeschiktheid) oorzaken. Hierdoor (door deze wisselingen) kan nooit sprake zijn van een gegarandeerde toeslag, aldus KLM, die tevens wijst op de tekst van artikel 10.14 van de cao over de Jubileumuitkering waarin onder meer wordt bepaald: Onder het gegarandeerde vaste inkomen wordt verstaan het salaris (incl. gegarandeerde vaste toeslagen), de vakantie- en eindejaarsuitkering en de eventuele vaste ploegen- of overbruggingstoeslag.

5.7.

Het standpunt van KLM komt erop neer dat de ploegentoeslag weliswaar qualificeert als een vaste toeslag maar niet tevens als een gegarandeerde vaste toeslag, nu deze toeslag een variabel karakter heeft en daardoor niet als “gegarandeerd” in de zin van de cao kan gelden, gelet ook op de zojuist weergegeven redactie van artikel 10.14 van de cao.

5.8.

KLM voegt hieraan nog toe dat zij meerdere toeslagen aan werknemers uitbetaalt, die zowel vast als niet-variabel zijn, zoals: de garantietoeslag (bij wisseling tussen verschillende salarishuizen), de schaduwuitkering (bij wisseling van functiegroep met nadelige salaris gevolgen) en de OSG-toeslag (bij nadelige salarisgevolgen door wijziging van het salarissysteem).

5.9.

De kantonrechter is van oordeel dat het standpunt van KLM - dat de cao aldus dient te worden uitgelegd en begrepen dat de vaste ploegentoeslag niet als een gegarandeerde vaste toeslag dient te worden verstaan – toereikende ondersteuning vindt in de zojuist weergegeven definitie-bepaling in artikel 10.14 van de cao, in samenhang met de kennelijke afhankelijkheid van de hoogte van de ploegentoeslag van de telkens (mogelijk) wisselende inroostering van de werknemer in het basisrooster, naast het gegeven dat er meerdere toeslagen bestaan die (wél) een gegarandeerd karakter hebben (en dus ook een vaste omvang of hoogte).

5.10.

Het voorgaande betekent dat [werknemer] vergeefs klaagt dat de door hem (gemiddeld) ontvangen ploegentoeslag voor 1 juni 2019 niet is betrokken bij de berekening van de hem toekomende vakantiebijslag. Zijn tot slot (eveneens eerst ter comparitie voorgedragen) betoog dat artikel 10.3 van de cao discriminerend en ontoelaatbaar nadelig is voor mannen wordt evenmin gevolgd, nu niet valt in te zien dat vrouwen bij KLM voor 1 juni 2019 werden voorgetrokken door de enkele omstandigheid dat meer mannen in ploegendienst werkten zonder vakantiebijslag over hun ploegentoeslag te ontvangen (gelijk vrouwen in die periode).

5.11.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [werknemer] zal afwijzen.

5.12.

De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [werknemer] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor KLM worden vastgesteld op een bedrag van € 747,00 aan salaris van de gemachtigde van KLM;

6.3.

verklaart vorenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter