Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:6296

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-07-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
8986948 \ CV EXPL 21-439
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding afgewezen. Niet gebleken dat gedaagde ten onrechte het LBIO heeft ingeschakeld om alimentatie te innen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

zaaknr/rolnr.: 8986948 \ CV EXPL 21-439

datum uitspraak: 28 juli 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. L.J.W. Govers

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

hierna te noemen [gedaagde]

procederend in persoon.

Samenvatting van de zaak en het vonnis

Deze zaak gaat over de vraag of [eiser] aanspraak kan maken op (onder meer) schadevergoeding omdat [gedaagde] volgens [eiser] ten onrechte het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) heeft ingeschakeld voor de inning van achterstallige alimentatie, waarna het LBIO beslagen heeft laten leggen bij [eiser] . De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Gebleken is dat [eiser] een betalingsachterstand had op het moment dat [gedaagde] het LBIO inschakelde, zodat [eiser] haar niet kan verwijten het LBIO te hebben verzocht de invordering over te nemen.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 14 januari 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft op 24 februari 2021 mondeling geantwoord, waarbij zij ook een conclusie van antwoord heeft ingediend.

1.2.

Op 14 juni 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] een akte ingediend waarmee hij zijn eis heeft vermeerderd en aanvullende producties heeft overgelegd. Ook [gedaagde] heeft voorafgaand aan de zitting een aanvullende productie ingediend.

1.3.

Na afloop van de zitting is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om te bezien of zij een regeling konden treffen. Nadat partijen de kantonrechter hadden geïnformeerd dat dit niet was gelukt, is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

De Rechtbank Noord-Holland heeft op 6 april 2016 de echtscheiding tussen [eiser] en [gedaagde] uitgesproken. Op 28 juni 2016 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

In een tussenbeschikking van 5 april 2017 heeft de Rechtbank Noord-Holland bepaald dat [eiser] per maand € 390 aan kinderalimentatie (€ 195 per kind) aan [gedaagde] dient te betalen met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Blijkens de beschikking is het bedrag maandelijks per vooruitbetaling verschuldigd en wordt het bedrag jaarlijks van rechtswege geïndexeerd, voor het eerst per 1 januari 2018.

2.3.

In een latere beschikking van 14 maart 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] vanaf de datum van die beschikking een bedrag van € 488 aan partneralimentatie aan [gedaagde] is verschuldigd, eveneens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4.

In februari 2020 heeft [gedaagde] het LBIO verzocht de inning van de door [eiser] te betalen onderhoudsbijdragen over te nemen. Op 25 november 2020 heeft het LBIO namens [gedaagde] voor een bedrag van in totaal € 1.620,09 beslag laten leggen onder de Rabobank ten laste van [eiser] voor achterstallige alimentatie en kosten. Nadat de gemachtigde van [eiser] het LBIO had gesommeerd het gelegde beslag op te (laten) heffen, heeft het LBIO bericht de vordering te handhaven.

2.5.

Het bankbeslag is op 9 februari 2021 opgeheven. Op 6 mei 2021 heeft het LBIO opnieuw ten laste van [eiser] bankbeslag laten leggen onder de Rabobank voor achterstallige alimentatie en kosten ten bedrage van € 1.100,09. [eiser] heeft daarna opnieuw betwist dat sprake is van een achterstand en gesommeerd de beslaglegging op te heffen. Het LBIO is hier niet toe overgegaan.

2.6.

Op 9 juni 2021 heeft [gedaagde] het LBIO bericht dat met de die dag van het LBIO ontvangen betaling de achterstand van [eiser] volledig was voldaan en het dossier wat haar betreft kon worden gesloten.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, dat de kantonrechter:
(i) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:

  • -

    twee eigen bijdrages voor de toevoeging advocaat van € 478 en € 533;

  • -

    informatiekosten exploot van 19 november 2020 van € 2,07;

  • -

    explootkosten van 19 november, 25 november en 2 december 2020, van respectievelijk € 97,09, € 211,46 en € 85,41;

  • -

    bankbeslagkosten van € 70 voor het eerste beslag en van € 70 voor het tweede beslag;

  • -

    de vermeende alimentatieachterstand van € 1.224;

  • -

    schade tweede onterechte beslag conform het exploot van 17 mei 2021 van € 1.100,09;

  • -

    een immateriële schadevergoeding van € 1.000 voor het eerste beslag en € 1.000 voor het tweede beslag;

(ii) [gedaagde] verbiedt beslag te leggen uit hoofde van de beschikkingen van 5 april 2017 en 14 maart 2018, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per beslaglegging;
(iii) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, begroot op € 85 aan griffierecht indien de vorderingen tot betaling van de eigen bijdrages toevoeging advocaat worden toegewezen en te vermeerderen met € 1.011 aan salaris gemachtigde indien de gevorderde toevoegingskosten worden afgewezen.

3.2.

[eiser] legt hieraan – kort weergegeven – ten grondslag dat hij geen achterstand heeft bij het betalen van partner- en/of kinderalimentatie. Door (i) ten onrechte het LBIO de opdracht te geven achterstallige alimentatie te innen (waarna het LBIO is overgegaan tot het (laten) leggen van bankbeslag) en (ii) de opdracht aan het LBIO niet in te trekken, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] . [gedaagde] dient de schade die [eiser] als gevolg van de beslagen heeft geleden, te vergoeden. Deze schade bestaat uit (i) betalingen die [eiser] aan de deurwaarder heeft moeten doen en kosten die hij heeft moeten maken in verband met de gelegde beslagen en (ii) immateriële schade. Aan zijn vordering tot immateriële schadevergoeding legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde] (via het LBIO) doelbewust ten onrechte beslag heeft laten leggen en niet bereid is geweest het beslag op te heffen of het teveel geraakte vrij te geven. Ook heeft het beslag onredelijk lang gelegen, terwijl [eiser] had verzocht het beslag zo kort mogelijk te laten duren. Omdat [gedaagde] (via het LBIO) door blijft gaan met het leggen van beslagen, vordert [eiser] ook een verbod tot het leggen van verdere beslagen.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] voert verweer. Zij betwist dat zij ten onrechte het LBIO heeft ingeschakeld en voert aan dat weldegelijk sprake is van een betalingsachterstand. Ook voert [gedaagde] aan dat zij geen invloed heeft op de wijze waarop het LBIO achterstallige betalingen int en de inschakeling van het LBIO ook niet ongedaan kon maken.

5 De beoordeling

5.1.

Artikel 1:408 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt onder meer dat op verzoek van de onderhoudsgerechtigde het LBIO de invordering van onderhoudsgelden op zich neemt. De invorderingskosten worden verhaald op de onderhoudsplichtige. De invordering op verzoek van de onderhoudsgerechtigde vindt alleen plaats indien aannemelijk is gemaakt dat de onderhoudsplichtige binnen maximaal zes maanden voorafgaand aan het verzoek bij ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. De invordering door het LBIO eindigt slechts indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig is betaald aan het LBIO en geen achterstand over de zes maanden voorafgaand aan het verzoek (meer) bestaat (artikel 1:408 lid 6 BW).

5.2.

Aan de orde is de vraag of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door (i) het LBIO in te schakelen om een betalingsachterstand te innen, dan wel (ii) die opdracht niet in te trekken. Daarvoor is in de eerste plaats relevant of op het moment dat [gedaagde] het LBIO heeft benaderd (te weten in februari 2020) [eiser] een betalingsachterstand had. Omdat [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat hiervan geen sprake was, draagt hij van deze stelling de stelplicht en – gelet op de betwisting van die stelling door [gedaagde] – de bewijslast.

5.3.

[eiser] stelt dat hij (toen [gedaagde] het LBIO inschakelde) geen betalingsachterstand had, maar dat hij een bedrag van € 1.071,24 teveel aan partner- en kinderalimentatie heeft voldaan. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat [eiser] een achterstand van € 945,76 had. Zoals ook ter zitting met partijen is besproken, kan dit verschil – van in totaal € 2.017 – blijkens de door partijen overgelegde berekeningen (productie 11 bij dagvaarding en productie 9 bij conclusie van antwoord) als volgt worden verklaard.

Start partneralimentatie

5.4.

Blijkens [eiser] berekeningen stelt hij partneralimentatie te zijn verschuldigd vanaf medio mei 2018, terwijl [gedaagde] het standpunt inneemt dat [eiser] dit vanaf 14 maart 2018 is verschuldigd. Uit de beschikking van de Rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2018 volgt dat [eiser] vanaf de datum van die beschikking partneralimentatie dient te voldoen. De kantonrechter is dan ook met [gedaagde] van oordeel dat 14 maart 2018 heeft te gelden als startdatum voor de partneralimentatie. Nu [eiser] ook volgens zijn eigen berekening over de maanden maart en april 2018 geen partneralimentatie heeft berekend, was hij – toen [gedaagde] het LBIO in februari 2020 inschakelde – voor deze maanden nog betaling aan haar verschuldigd.

Einddatum partneralimentatie

5.5.

Verder twisten partijen over de vraag vanaf welk moment [eiser] verplichting tot het betalen van partneralimentatie is geëindigd. [eiser] stelt zich blijkens zijn berekening op het standpunt dat [gedaagde] vanaf maart 2020 geen aanspraak meer kan maken op partneralimentatie omdat zij vanaf dat moment samenwonend was. [gedaagde] betwist deze stelling gemotiveerd en voert aan dat zij pas vanaf 1 april 2020 samenwonend was. Nu [eiser] zijn stelling niet met stukken onderbouwt, terwijl [gedaagde] een bevestiging van de gemeente van haar verhuisaangifte per 1 april 2020 heeft overgelegd, volgt de kantonrechter [eiser] niet in zijn stelling dat [gedaagde] al vanaf maart 2020 geen recht meer had op partneralimentatie. Dit betekent dat [eiser] over de maand maart 2020 partneralimentatie was verschuldigd, die hij blijkens de beschikking van de Rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2018 bij vooruitbetaling in februari 2020 had moeten voldoen.

Indexatie

5.6.

Ook zijn partijen het blijkens hun berekeningen niet eens over de indexatie van de partneralimentatie. Uit [eiser] berekening volgt dat hij de partneralimentatie over het jaar 2019 niet heeft geïndexeerd en over het jaar 2020 een geïndexeerd maandelijks bedrag van € 497,76 heeft gehanteerd. [gedaagde] voert onderbouwd aan dat de partneralimentatie, inclusief indexatie, over 2019 € 497,76 en over 2020 € 510,20 bedraagt. Aangezien [eiser] de door hem aangehouden indexatie niet heeft toegelicht, volgt de kantonrechter [gedaagde] in haar berekening. Dit brengt mee dat [eiser] over 2019 en 2020 te weinig partneralimentatie had betaald en dus ook om deze reden een betalingsachterstand had toen [gedaagde] het LBIO inschakelde.

Kosten LBIO

5.7.

Het restant van het verschil tussen de door [eiser] enerzijds gestelde voorstand en de door [gedaagde] anderzijds gestelde achterstand ligt erin dat [eiser] stelt een hoger bedrag te hebben betaald dan dat [gedaagde] (onderbouwd) stelt te hebben ontvangen. Indien uit zou worden gegaan van de juistheid van de door [eiser] gestelde (maar niet onderbouwde) betaalde bedragen, kan het verschil worden verklaard door de kostenopslag die het LBIO bij het innen van achterstanden bij de onderhoudsplichtige in rekening brengt. Als gevolg hiervan wordt een gedeelte van de door [eiser] betaalde bedragen door het LBIO ingehouden. Deze opslag komt op grond van artikel 1:408 lid 3 BW voor rekening van [eiser] , zodat dit niet afdoet aan het bestaan van zijn betalingsachterstand in februari 2020.

5.8.

[eiser] stelt nog dat hij in februari 2020 conform een brief van het LBIO een surplus van € 355,98 aan kinderalimentatie heeft verrekend en [gedaagde] dat ten onrechte niet heeft meegenomen in haar berekening. Nu [eiser] deze stelling verder niet heeft toegelicht, moet – als van de juistheid daarvan zou worden uitgegaan – worden aangenomen dat dit verschil eveneens is gelegen in de gehanteerde opslagkosten van het LBIO.

5.9.

Tot slot stelt [eiser] nog dat [gedaagde] in haar berekening een maand teveel aan partner- en kinderalimentatie rekent, omdat zij dit (steeds) een maand te vroeg in rekening brengt. De kantonrechter volgt [eiser] niet in deze stelling, aangezien uit de door [gedaagde] overgelegde berekening blijkt dat zij de bedragen – in lijn met de beschikkingen van de Rechtbank Noord-Holland – bij vooruitbetaling in rekening brengt. Per saldo levert dit geen verschil in de totaal te betalen partner- en kinderalimentatie op, omdat de in rekening te brengen bedragen (uiteindelijk) ook een maand eerder (zullen) stoppen.

5.10.

Het voorgaande brengt mee dat [eiser] een achterstand had op het moment dat [gedaagde] het LBIO inschakelde. Dat [gedaagde] het LBIO ten onrechte heeft verzocht de invordering over te nemen, dan wel de opdracht had moeten intrekken (voor zover zij deze bevoegdheid al had gehad), is dan ook niet gebleken. [eiser] vorderingen tot betaling zullen dus worden afgewezen, evenals het gevorderde verbod tot het leggen van verdere beslagen. Aangezien partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Hendriks en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter