Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5470

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
20/2197
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving wegens gebruik van paddocks ten behoeve van een manege. Afstandseisen en meldingsplicht.

Niet in geschil is dat de paddocks, wegens het intensieve gebruik dat ervan wordt gemaakt, zijn aan te merken als dierenverblijven. In dit geval is de (afwijkende) minimumafstand van 50 meter tussen dierenverblijven en geurgevoelige objecten die is opgenomen in een gemeentelijke verordening niet van toepassing. Voor de uitleg van wat onder het begrip veehouderij moet worden verstaan, is in de verordening verwezen naar het begrip veehouderij als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij. Een veehouderij als bedoeld in die wet betreft een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en die is bestemd voor onder meer het houden van dieren. De manege is evenwel geen omgevingsvergunningplichtige inrichting. Dit betekent dat de afstandseis van minimaal 100 meter op grond van artikel 3.117, eerste lid en onder a, van het Activiteitenbesluit geldt. Aan die afstandseis wordt niet voldaan.

Voor het oprichten van de paddocks is daarnaast nooit een milieuvergunning verleend en nooit een melding gedaan. Dit betekent dat de paddocks als dierenverblijf zonder daartoe vereiste melding en dus in strijd met artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit zijn opgericht en worden gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/2197 en HAA 21/2331 (gevoegde zaken)


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaken tussen

1 devennootschap onder firma [eiser 1] ,

en haar vennoten

2. [eiser 2] ,

en

3. [eiser 3],

allen te [woonplaats] , eisers, hierna aan te duiden als de vof,

gemachtigden: mr. L.C.A.C. Hoogewerf en mr. J.R. Duin, advocaten te Hoorn,

en

4 [eiser 4]

en

5. [eiser 5] ,

beiden te [woonplaats] , eisers

gemachtigden: mr. W. de Vis en mr. S. Smit, advocaten te Alkmaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik, verweerder

gemachtigden: mr. M. Schaper, senior beleidsmedewerker juridische zaken in dienst van de gemeente, en mr. S. Voorsluijs, in dienst van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeken van eisers 4 en 5 van 9 januari 2019 om handhaving met betrekking tot de manege van de vof aan [het perceel] (het perceel) afgewezen.

Op 28 februari 2020 heeft verweerder het bezwaar van eisers 4 en 5 gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft de mededeling zowel in een brief aan de vof als in een brief aan eisers 4 en 5 gedaan. De brieven zijn niet geheel gelijkluidend. Op 2 maart 2020 heeft verweerder een rectificatie van de aan de vof gerichte brief gezonden aan eiser 2.

De vof heeft beroep ingesteld tegen het bericht van 28 februari 2020. Het beroep is geregistreerd onder nummer 20/2197.

Op 11 mei 2020 heeft verweerder in een brief gericht aan eiser 2 een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat een dwangsom wordt verbeurd van €1.000,00 per keer dat paddock1 A langer dan twee uur per dag wordt gebruikt en € 1.000,00 per keer dat paddock B langer dan twee uur per dag wordt gebruikt, elk met een maximum van € 10.000,00 en een begunstigstermijn van één dag.

Op 11 mei 2020 heeft verweerder in een tweede brief aan eisers 4 en 5 meegedeeld dat hij hun verzoek om handhaving alsnog heeft toegewezen en daarbij verwezen naar de aan eiser 2 gerichte brief van 11 mei 2020 strekkende tot het opleggen van de last onder dwangsom.

De vof heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij op 15 mei 2020 verzonden besluit heeft verweerder de begunstigingstermijn van de lsat onder dwangsom van 11 mei 2020 herzien en deze verlengd tot en met de dag van de zitting in de procedure ter verkrijging van de voorlopige voorziening bij de rechtbank Noord-Holland op 23 juni 2020.

Bij brief van 26 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter partijen bericht dat het besluit op het door eisers 4 en 5 gemaakte bezwaar, waarover is bericht bij de brief van 28 februari 2020, gelet op artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), eerst met het bericht van 11 mei 2020 volledig is geworden, zodat het beroep van de vof daartegen – dus het besluit vervat in de combinatie van de brieven van 28 februari 2020, 2 maart 2020 en 11 mei 2020 - is gericht. De voorzieningenrechter heeft aangegeven dat hij het verzoek om voorlopige voorziening daarom aanmerkt als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep.

Bij uitspraak van 23 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening van de vof in de zaak geregistreerd onder het nummer HAA 20/2663 toegewezen, in die zin dat het de vof is toegestaan om de paddocks A en B op het perceel van de manege te (blijven) gebruiken voor verblijf van 4 paarden en 2 shetlanders totdat op het beroep (toen nog uitsluitend geregistreerd onder het nummer HAA 20/2197) is beslist.

Bij op 4 mei 2021 verzonden besluit heeft verweerder de last, meegedeeld op 11 mei 2020, ingetrokken en vervangen door een gewijzigde, aan eiser 2 gerichte last onder dwangsom met een begunstigingstermijn tot een maand na de uitspraak op het beroep in de zaak geregistreerd onder het nummer HAA 20/2197. Verweerder gelast enerzijds de overtreding het niet melden van paddock A als dierenverblijf op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag en anderzijds de overtreding die inhoudt dat (de rand van) paddock B op minder dan 50 meter van een geurgevoelig object, de woning van eisers 4 en 5, is gelegen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per week, ongedaan te maken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 mei 2021 heeft de vof de rechtbank te kennen gegeven zich niet met het besluit van 4 mei 2021 te kunnen verenigen.

Op 18 mei 2021 hebben eisers 4 en 5 beroep ingesteld tegen het besluit van
4 mei 2021. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 21/2331.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021. De rechtbank heeft de zaken gevoegd. De zaak is tegelijk behandeld met de zaak 20/3157 en HAA 20/3003 (gevoegde zaken). Van de zijde van de vof is eiser 2 verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Eiser 4 is verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. In de bijlage zijn enige bepalingen opgenomen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche (Vfl), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Gemeentewet en de Awb. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Feiten

2.1

Op het perceel bevindt zich sinds 1979 een manege. De vof exploiteert de manege sinds (medio) 2016. Op het terrein zijn twee paddocks, in deze uitspraak aan te duiden als paddock A en paddock B. Het perceel waar eisers 4 en 5 wonen aan [adres] , grenst aan het perceel van de manege.

2.2

Bij brief van 9 januari 2019 hebben eisers 4 en 5 – voor zover thans nog van belang - bij verweerder in verband met geuroverlast die zij stellen te ondervinden van de manege, een verzoek om handhaving ingediend.

2.3

Op 24 januari 2019 heeft een toezichthouder naar aanleiding van het verzoek van eisers 4 en 5 een controle uitgevoerd op het perceel. Hij constateerde dat een grote paddock van 1.950 m2 op het perceel aanwezig is (in deze uitspraak aangeduid als paddock A) waarop paarden en pony’s onbeperkt verblijven. De dieren staan alleen bij slecht weer in de stallen.

2.4

Tussen partijen is niet langer in geschil dat paddock A en paddock B moeten worden aangemerkt als dierenverblijf in de zin van artikel 1.1 Activiteitenbesluit. Naar aanleiding van het bezwaar van eisers 4 en 5 heeft verweerder nogmaals controles laten uitvoeren op het perceel op achtereenvolgens 24 juli 2019, 18 september 2019 en 23 september 2019. In het rapport van 24 september 2019 dat van de controles is opgemaakt, is vermeld dat de paddocks A (van 1.950 m2) en B (van 230 m2) als dierenverblijf worden gebruikt. De afstand van (de rand van) paddock A tot de gevel van de woning van eisers 4 en 5 is 60 meter en de afstand van (de rand van) paddock B tot die woning was toen 38,5 meter.

2.6

Verweerder heeft vervolgens het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 genomen. Aan de last onder dwangsom heeft hij ten grondslag gelegd dat niet wordt voldaan aan de wettelijke minimumafstand van 100 meter van de paddocks tot de gevel van de woning van eisers 4 en 5. Daardoor is sprake van strijd met artikel 3.117, eerste lid en onder a, van het Activiteitenbesluit. Hij wijst er op dat volgens hem geen sprake is van een overtreding als de paddocks uitsluitend worden gebruikt voor het gedurende enkele uren per dag luchten van de paarden.

Procedurele overwegingen

3.1

Zoals de voorzieningenrechter ook al heeft overwogen is de (deel)beslissing van 28 februari 2020 op het bezwaar in strijd met artikel 7:11, tweede lid, Awb, omdat bij de beslissing op bezwaar bij het herroepen van het primaire besluit tot afwijzing van het (handhavings)verzoek, niet tevens tegelijk een vervangend besluit in de plaats van het primaire besluit is gesteld2. Eerst op 11 mei 2020 heeft verweerder een besluit genomen ter vervanging van het herroepen primaire besluit. De rechtbank merkt de besluiten van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 daarom tezamen aan als het besluit op het bezwaar van eisers 4 en 5 tegen het primaire besluit.

3.2

Verweerder heeft het besluit op bezwaar van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 bij besluit van 15 mei 2020 gewijzigd voor zover het de begunstigingstermijn betreft. De vof kan zich (ook) niet verenigen met het besluit van 15 mei 2020. Het beroep van de vof heeft, gelet op artikel 6:19, eerste en tweede lid, Awb dan ook van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit.

3.3

Hangende het beroep van de vof heeft verweerder het besluit van 4 mei 2021 genomen. Dit besluit kan gelet op de strekking ervan niet anders worden beschouwd dan als een besluit dat strekt tot intrekking en vervanging van de besluiten van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 en van 15 mei 2020. De vof kan zich ook niet verenigen met het besluit van 4 mei 2021. Het beroep van de vof heeft, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dan ook van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

3.4

Zoals reeds overwogen hebben eisers 4 en 5 tegen het besluit van 4 mei 2021, dat voor hen een gewijzigd besluit op bezwaar betreft, afzonderlijk beroep ingesteld.

4. De rechtbank zal in het hierna volgende allereerst de beroepsgronden van beide eisende partijen gericht tegen het besluit van 4 mei 2021 beoordelen. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de vof nog belang heeft bij een beoordeling van haar beroep gericht tegen de (ingetrokken en vervangen) besluiten van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 en van 15 mei 2020 en zo ja, hun beroep ook in zoverre inhoudelijk beoordelen.

Het besluit van 4 mei 2021

Formeel

5.1

De vof betoogt dat verweerder haar in strijd met artikel 4:8 Awb voorafgaand aan het nemen van het besluit van 4 mei 2021 niet in de gelegenheid heeft gesteld daarover een zienswijze naar voren te brengen.

5.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder de vof - of eiser 2, tot wie hij het besluit met name richt - voorafgaand aan het nemen van het besluit van 4 mei 2021 niet in de gelegenheid heeft gesteld over zijn voornemen dat besluit te nemen, een zienswijze naar voren te brengen. Het besluit is daarom in strijd met artikel 4:8 van de Awb genomen. Anders dan verweerder nog oppert, kunnen eerdere uitlatingen van eiser in bezwaar of beroep, die zagen op eerdere besluiten, niet als zienswijze ten aanzien van het voorgenomen en op 4 mei 2020 genomen besluit worden aangemerkt. Er bestaat geen aanleiding dit aan het besluit van 4 mei 2021 klevende gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 Awb, omdat voldoende aannemelijk is dat de vof door dit gebrek is benadeeld.

5.3

De beroepsgrond slaagt. Het beroep van de vof tegen het besluit van 4 mei 2021 is reeds hierom gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal in het hierna volgende bezien of er aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 mei 2021 in stand blijven.

Materieel

6. Verweerder stelt zich in het besluit van 4 mei 2021 op het standpunt dat, nu beide paddocks op het perceel als dierenverblijven zijn aan te merken, voor het oprichten van die dierenverblijven de afstandsregels uit de Geurverordening gelden alsmede een meldingsplicht op grond van het Activiteitenbesluit. Voor paddock A geldt volgens verweerder op grond van de Geurverordening een minimumafstand van 50 meter tot aan woningen van derden. Aan die afstand wordt volgens verweerder voldaan (de afstand bedraagt namelijk 60 meter). Voor het gebruik als dierenverblijf en daarmee het oprichten ervan hebben eisers sub 1 tot en met 3 volgens verweerder – in strijd met artikel 1.10 Activiteitenbesluit –geen melding ingediend.

Voor paddock B geldt volgens verweerder op grond van de Geurverordening een minimumafstand van eveneens 50 meter tot aan woningen van derden en aan die afstand wordt niet voldaan, omdat de (rand van de) paddock op circa 38 meter van de woning van eisers 4 en 5 is gelegen. Dit levert volgens verweerder strijd op met artikel 4, eerste lid, sub a, onder 2, van de Geurverordening. Ook is ten aanzien van deze paddock sprake van strijd met artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit, omdat ook het in gebruik nemen van dat dierenverblijf niet is gemeld. Volgens verweerder kan de vof zich niet beroepen op bestaande rechten, omdat voor (het intensief gebruiken van) de paddocks als dierenverblijf (in het verleden) nooit een milieuvergunning is verleend en niet eerder een melding is ingediend.

7.1

De vof beroept zich op bestaande rechten. Volgens haar had de in het verleden verleende milieuvergunning ook betrekking op de paddocks en konden deze bovendien vergunningvrij worden opgericht.

7.2

Bij besluit van 25 oktober 1994 is op grond van de toenmalige tekst van de Wm een milieuvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben op het perceel van een inrichting voor het houden van paarden met een kantine. Vergunning is verleend voor het houden van 28 paarden en 10 pony’s. De paddocks komen niet voor op de tekening behorende bij de (aanvraag om) vergunning. In de tekst van het besluit worden de paddocks niet genoemd en in de bij de vergunning horende voorschriften is niet naar paddocks verwezen. Dit betekent dat de paddocks geen deel uitmaken van de inrichting waarvoor in 1994 vergunning is verleend. De enkele stelling van de vof dat de paddocks toen al wel aanwezig moeten zijn geweest, omdat er te weinig ruimte was in de stallen voor 38 paarden en pony’s, werpt hierop geen ander licht. Dat geldt ook voor de verklaringen van omwonende [naam 1] en paardendierenarts [naam 2] die de vof nog heeft ingebracht, en waaruit volgens hen is op te maken dat de paddocks altijd al intensief werden gebruikt. Zelfs als dat op basis van de verklaringen moet worden aangenomen, brengt dat, anders de vof heeft verondersteld, niet met zich mee dat dat gebruik op basis milieuwetgeving al die tijd al was vergund. Verder is niet in geschil dat voor het oprichten van de paddocks, toen de inrichting onder het Besluit landbouw en naderhand onder het Activiteitenbesluit kwam te vallen en daarom niet meer vergunningplichtig was, als dierenverblijf nooit een melding is ingediend. Voor het oordeel dat de paddocks vanuit milieuwetgevingstechnisch oogpunt vergunning- dan wel meldingsvrij konden worden en zijn opgericht bestaat verder geen grond. Hetgeen eisers in dit kader naar voren hebben gebracht, houdt namelijk kennelijk verband met een andere vraag, namelijk of voor de paddocks een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en eventueel gebruiken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en eventueel c, Wabo is vereist.

7.3

De beroepsgrond slaagt niet en kan niet leiden tot het oordeel dat geheel van handhaving moet worden afgezien.

8. Ter zitting is komen vast te staan dat niet (langer) in geschil is dat de paddocks, vanwege het intensieve gebruik dat ervan wordt gemaakt, zijn aan te merken als dierenverblijven als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Voor het oprichten van de paddocks is, zoals onder 7.2 is overwogen, nooit een milieuvergunning verleend en nooit een melding gedaan. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de paddocks als dierenverblijf zonder daartoe vereiste melding en dus in strijd met artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit zijn opgericht en worden gebruikt.

9.1

Eisers 4 en 5 betogen dat tussen de paddocks en hun woning, anders dan verweerder en de vof betogen, een minimumafstand van 100 meter in plaats van 50 meter dient te worden aangehouden. Zij voeren hiertoe, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van State van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3322, aan dat de Geurverordening, waarin verkorte afstandsnormen zijn opgenomen, in de voorliggende situatie niet van toepassing is, omdat in de Geurverordening voor het begrip veehouderij is verwezen naar artikel 1 Wgv en dat begrip uitsluitend betrekking heeft op vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in de milieuwetgeving. De manege is echter een zogeheten type B inrichting als bedoeld in (onder meer) het Activiteitenbesluit, waarvoor geen vergunningplicht (meer) geldt.

9.2

De rechtbank zal ten behoeve van de beoordeling van het betoog van eisers 4 en 5 allereerst vaststellen welke verordening in de gemeente, gebaseerd op de Wgv, ten tijde van het besluit van 4 mei 2021 geldt. De rechtbank stelt in dit verband vast dat op 14 mei 2021 in het Gemeenteblad van de gemeente Medemblik, nummer 149816, is gepubliceerd de Vfl. Daarin is, onder meer, vermeld dat wordt besloten de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Medemblik 2014 gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Vfl in te trekken en dat, onder meer, dat besluit op 1 april 2021 in werking treedt.

Uit de artikelen 139, eerste lid, en 142 van de Gemeentewet in samenhang bezien, volgt dat een besluit van het gemeentebestuur dat algemeen verbindende voorschriften inhoudt, niet eerder verbindt dan wanneer het is bekendgemaakt in het gemeenteblad en dat bekendgemaakte besluiten in beginsel in werking treden met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. In dit geval is voor de inwerkingtreding een ander tijdstip aangewezen, namelijk 1 april 2021. Het voorgaande betekent dat de Vfl ten tijde van het besluit van 4 mei 2021 reeds in werking was en verweerder die verordening had dienen toe te passen. Dit heeft verweerder in het besluit van 4 mei 2021 niet onderkend.

9.3

De rechtbank stelt echter vast dat voor het oprichten van de paddocks als dierenverblijven op grond van artikel 3.117, eerste lid en onder a, van het Activiteitenbesluit in beginsel een minimumafstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten geldt, tenzij bij een verordening op grond van artikel 6 Wgv andere afstanden zijn vastgesteld. Dan gelden, zo staat in artikel 3.118, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, die andere afstanden.

In het voor de voorliggende zaak relevante artikel 6, eerste lid en onder a, Vfl is een andere afstand vastgesteld. Op grond van die bepaling geldt een minimumafstand van 50 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Voor de uitleg van wat onder het begrip veehouderij moet worden verstaan, wordt blijkens bijlage 1 behorende bij de Vfl verwezen naar het begrip veehouderij als bedoeld in artikel 1 Wvg. Een veehouderij als bedoeld in die wet betreft een krachtens artikel 1.1, derde lid, Wabo aangewezen inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en die is bestemd voor onder meer het houden van dieren.

9.4

Niet in geschil is dat de manege niet is aangewezen als omgevingsvergunningplichtige inrichting voor wat betreft de milieuwetgeving. Daarmee valt de manege niet onder een krachtens artikel 1.1, derde lid, Wabo aangewezen categorie van inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en dus niet onder het begrip veehouderij als bedoeld in artikel 1 Wvg waarnaar in de Vfl is verwezen. Dit brengt, zoals in de door eisers 4 en 5 genoemde uitspraak van de Raad van State van 14 december 2016 ook is overwogen, met zich mee dat de afstand van 50 meter uit artikel 6, eerste lid en onder a, Vfl niet van toepassing is in het onderhavige geval. De rechtbank is ook overigens van oordeel dat het gelet op artikel 6, derde lid, Wvg – en op het eerste gezicht schijnbaar in weerwil van het bepaalde in artikel 3.118, eerste lid, van het Activiteitenbesluit – bij een geurverordening op grond van de Wvg uitsluitend mogelijk is ten behoeve van omgevingsvergunningplichtige inrichtingen andere afstanden vast te stellen, namelijk andere afstanden dan voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen op grond van artikel 4 Wvg gelden.

9.5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat tussen de paddocks en geurgevoelige objecten, waaronder de woning van eisers 4 en 5, op grond van artikel 3.117, eerste lid en onder a, van het Activiteitenbesluit een afstandseis van minimaal 100 meter geldt. Verweerder heeft dit in het besluit van 4 mei 2021 niet onderkend. Daarmee heeft verweerder niet onderkend dat (ook) wat betreft paddock A sprake is van een overtreding van de afstandseisen, nu deze paddock op minder dan 100 meter van de woning van eisers 4 en 5 is gelegen. Wat betreft paddock B heeft verweerder weliswaar onderkend dat niet aan de afstandseisen is voldaan, maar heeft hij aan de vaststelling van de overtreding de verkeerde wettelijke bepaling en een onjuiste minimumafstand aan het besluit ten grondslag gelegd.

9.5

De beroepsgrond van eisers 4 en 5 slaagt.

10. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder van handhavend optreden moet afzien.

11.1

De vof betoogt dat het besluit van 4 mei 2021 in strijd is met het vertrouwensbeginsel en dat verweerder hun belangen onvoldoende heeft meegewogen. Bij de vof is het gerechtvaardigde vertrouwen ontstaan dat sprake is van een legale situatie. Uit navraag bij verweerder voordat de vof de manege aankocht in 2016, is niet gebleken dat sprake was van overtreding van (milieu)normen. Ook uit verslagen van over de jaren heen verrichte controles op het perceel is niet gebleken van enige overtreding met betrekking tot geur. Ook in latere jaren, toen naar aanleiding van klachten van eisers 4 en 5 controles zijn verricht, zijn, aldus de vof, geen overtredingen geconstateerd. De manege is bovendien al sinds 1979 op het perceel gevestigd. Het aantal paarden op het perceel is de afgelopen jaren enorm afgenomen. Met de afname van het aantal paarden is ook de vermeende geuroverlast afgenomen. De paarden worden al jarenlang in de paddocks gehouden. Het is niet redelijk dat de paarden niet meer gehouden kunnen worden op een wijze die al sinds jaren plaatsvindt. Het is aldus de vof ook uit dierenwelzijnsoogpunt noodzakelijk dat de paarden zo veel mogelijk in de paddocks verblijven. De vof voert daarmee een zwaarwegend belang aan bij het intensief kunnen blijven gebruiken van de paddocks.

11.2

Het beroep dat de vof op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, slaagt niet. In rapporten die van controles op het perceel zijn opgemaakt, is zo nu en dan vermeld dat aan de regels van het Activiteitenbesluit is voldaan. Uit de controlerapporten kan echter niet worden opgemaakt dat de toezichthouders de situatie op het perceel hebben bezien vanuit de wetenschap dat de paddocks als dierenverblijven zijn aan te merken waarvoor een melding moe(s)t worden ingediend en waarvoor een afstandseis van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten geldt. In de rapporten is (dan ook) nergens expliciet en concreet (namens verweerder) vermeld dat verweerder niet handhavend zal optreden tegen het niet melden van het oprichten van de paddocks en het niet voldoen aan de afstandseis van 100 meter. Ook impliciet kunnen dergelijke toezeggingen niet in de controlerapporten worden ingelezen. Ook in de mededelingen die aan de vof rond de overname van de manege in 2016 van de zijde van (ambtenaren van) verweerder zouden zijn gedaan, valt geen toezegging af te leiden, die meebrengt dat handhaving op grond van de thans vastgestelde feiten en omstandigheden in strijd met gerechtvaardigd gewekt vertrouwen zou moeten worden aangemerkt. De mededeling dat verweerder toen geen overtredingen van milieuregels bekend waren, is daarvoor te algemeen en onvoldoende. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder bij afweging van de relevante belangen, te weten het algemene belang dat is gediend bij handhaving, de belangen van omwonenden en met name eisers 4 en 5, en de belangen van de vof, in redelijkheid aan eerstgenoemde belangen een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen gelet op de aard en omvang van de overtredingen.

11.3

Het betoog van de vof dat het vertrouwensbeginsel aan handhaving in de weg staat, dan wel dat verweerder anderszins gehouden is handhaving achterwege te laten, slaagt daarom niet.

12. Hetgeen onder 9 is overwogen, brengt echter ook mee dat er geen aanleiding is te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 4 mei 2021 in stand blijven, reeds omdat dat besluit gebaseerd is op een onjuiste minimumafstandseis. De rechtbank hecht eraan in dit verband ook op te merken dat het niet in de rede ligt de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten voor zover het betrekking heeft op de op zichzelf terecht geconstateerde overtreding inzake de meldingsplicht ten aanzien van de paddocks. Het is namelijk niet reëel het indienen van een melding te verlangen voor iets dat om een andere reden (afstandseisen) ter plaatse niet is toegestaan. Slechts indien de paddocks alsnog op de vereiste minimale afstand zouden komen te liggen en dat is vastgesteld, ligt het in de rede van de vof te verlangen dat zij voor het oprichten daarvan (alsnog) een melding indient.

13. Als gevolg van de vernietiging van het besluit van 4 mei 2021 herleeft het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 (en het wijzigingsbesluit van 15 mei 2020, dat ziet op de begunstigingstermijn) weer. Reeds daarom heeft de vof belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep gericht tegen dat besluit.

Het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020

Formeel

14.1

De vof betoogt ook ten aanzien van deze besluiten dat verweerder haar in strijd met artikel 4:8 Awb voorafgaand aan het nemen ervan niet in de gelegenheid heeft gesteld daarover een zienswijze naar voren te brengen.

14.2

De rechtbank is, onder verwijzing naar hetgeen onder 5 is overwogen, van oordeel dat deze beroepsgrond ook in dit verband slaagt. Het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 (en het wijzigingsbesluit van 15 mei 2020) is in strijd zijn met artikel 4:8 van de Awb. Er is geen aanleiding dit aan deze besluiten klevende gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 Awb.

14.3

Het beroep van de vof tegen het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 (en het wijzigingsbesluit van 15 mei 2020) is reeds hierom gegrond. Ook dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal in het hierna volgende bezien of er aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van dit te vernietigen besluit in stand blijven.

Materieel

15.1

De vof betoogt dat het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en dat de daarbij gestelde begunstigingstermijn van een dag te kort is. Verweerder heeft volgens de vof niet gespecificeerd wat hij in het kader van het opheffen van de overtreding door het beëindigen van het gebruik als dierenverblijf onder intensief gebruik van de paddocks verstaat, zodat voor eisers niet duidelijk is waar zij aan toe zijn. Evenmin is duidelijk hoeveel paarden dan in de paddocks mogen staan.

15.2

De rechtbank overweegt daarover als volgt. In de tabel die is opgenomen in het deel van het besluit van 11 mei 2020 is vermeld dat de paddocks voor maximaal 2 uur per dag mogen worden gebruikt. Daarbij is echter niet vermeld voor hoeveel paarden dit toegestane gebruik geldt, of dit per paard geldt en of het gaat om een aaneengesloten periode van 2 uur of dat de 2 uur ook mag worden opgeknipt. De vof betoogt dan ook terecht dat voor hen niet duidelijk is wat van hen wordt verlangd.

15.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat de gestelde begunstigingstermijn van een dag te kort was. Deze termijn ging blijkens het deel van het besluit van 11 mei 2020 in de dag na verzending van het besluit. Eerst na ontvangst van dat deel van het besluit kon de vof dan ook bekend raken met die termijn, waardoor voor hen, bij ontvangst van het besluit de volgende dag, nog minder dan 24 uur resteerde aan de last te voldoen. Die termijn acht de rechtbank, mede gelet op het feit dat de last levende have betrof, onredelijk kort.

15.4

De betogen slagen. Er is reeds hierom geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 in stand blijven. Aan een bespreking van de beroepsgrond van de vof dat de bedragen van de opgelegde dwangsommen te hoog zijn, komt de rechtbank niet toe.

Het besluit van 15 mei 2020

16. Met de vernietiging van de besluiten van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 en van 4 mei 2021 komen de lasten onder dwangsom die daarbij zijn opgelegd, te vervallen. Het besluit van 15 mei 2020 heeft daarom op zichzelf geen betekenis meer, zodat de vof geen belang meer heeft bij een beoordeling daarvan. Hun beroep gericht tegen dat besluit is dan ook niet-ontvankelijk.

Conclusie

17.1

De beroepen van beide eisende partijen tegen het besluit van 4 mei 2021 zijn gegrond. Eisers 4 en 5 hebben immers, zo volgt uit het hiervoor overwogene, terecht aangevoerd dat verweerder van een onjuiste minimum afstand tussen paddock en hun geurgevoelige woning uitging. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van de vof tegen het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 is ook gegrond. Ook dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van de vof tegen het besluit van 15 mei 2020 is niet-ontvankelijk.

17.2

Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaar van eisers 4 en 5 tegen het primaire besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Omdat de lasten onder dwangsom als gevolg van deze uitspraak komen te vervallen, terwijl wel vaststaat dat met betrekking tot beide paddocks sprake is van strijd met de in artikel 3.117, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde afstandseis van 100 meter en daarmee van een overtreding, ziet de rechtbank aanleiding op basis van artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorlopige voorziening te treffen, om te voorkomen dat het (intensief) gebruik van de paddocks, in afwachting van het nieuw te nemen besluit op bezwaar, in strijd is met genoemde bepaling uit het Activiteitenbesluit en de vof geen kenbare redelijke termijn is gegund om aan de overtreding een einde te maken en bovendien enige last opnieuw moet worden geformuleerd. Bovendien is er dan gelegenheid voor partijen om te bezien of mede op andere wijze aan de wederzijdse belangen tegemoet kan worden gekomen. De rechtbank zal bij wijze van voorlopige voorziening bepalen, gelijk de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 23 juni 2020 in de zaak geregistreerd onder het nummer HAA 20/2663 had bepaald, dat het de vof is toegestaan om paddocks A en B op het perceel te gebruiken voor het verblijf van 4 paarden en 2 shetlanders totdat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eisers 4 en 5 tegen het primaire besluit heeft genomen.

Griffierecht en proceskosten

18. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan elk van eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door elk van eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 2.136,00 (waarvan € 1.068,00 ten behoeve van de vof en € 1.068,00 ten behoeve van eisers 4 en 5) (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen van de vof en eisers 4 en 5 tegen het besluit van 4 mei 2021 gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 mei 2021;

- verklaart het beroep van de vof tegen het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020 gegrond;

- vernietigt het besluit van 28 februari 2020 en 11 mei 2020;

- verklaart het beroep van de vof tegen het besluit van 15 mei 2020 niet-ontvankelijk;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eisers 4 en 5 tegen het primaire besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het de vof is toegestaan om paddocks A en B op het perceel te gebruiken voor het verblijf van 4 paarden en 2 shetlanders totdat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eisers 4 en 5 tegen het primaire besluit heeft genomen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,00 aan de vof te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,00 aan eisers 4 en 5 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de vof tot een bedrag van € 1.068,00;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 4 en 5 tot een bedrag van
€ 1.068,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.I.K. Baart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 1.1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen landbouwhuisdieren worden gehouden.

Artikel 1.10

1. Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.

2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.

Artikel 3.117

1. Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor vindt niet plaats, indien de afstand tussen enig binnen de inrichting gelegen dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging:

a. minder dan 100 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, (…).

Artikel 3.118

1. De artikelen 3.115 tot en met 3.117 zijn niet van toepassing, voor zover bij verordening op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij andere waarden of afstanden zijn vastgesteld. In dat geval vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf niet plaats, indien na die oprichting, uitbreiding of wijziging de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt op geurgevoelige objecten, groter is dan de in de verordening vastgestelde belasting dan wel, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object kleiner is dan in de verordening vastgestelde afstand.

Wet geurhinder en veehouderij

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Artikel 4

1. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt:

a.ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, (…)

Artikel 6

3 Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze:

a.ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, (…).

Verordening fysieke leefomgeving Medemblik 1ste tranche

Artikel 1.1

Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 6.1

1. Als deelgebied A van het grondgebied als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid van de Wet geurhinder en veehouderij (verder Wgv) wordt aangewezen de gebieden binnen de bebouwde kom, gesplitst in een deelgebied A1 (woongebieden met een stedelijk karakter) en een deelgebied A2 (woongebieden met een landelijk karakter).

Artikel 6.2

1. In afwijking van artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object:

in het deelgebied A2 ten minste 50 meter, mits:

a. het rundvee ten minste 120 dagen en minimaal zes uur per dag weidegang krijgt, of het

rundvee wordt gehuisvest in een emissiearm dierenverblijf, dat voldoet aan de maximale

emissiewaarde als bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij;

b. niet meer dan 200 stuks rundvee, exclusief bijbehorend jongvee, of 50 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

Bijlage 1

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij

anders bepaald, verstaan onder veehouderij: zoals aangegeven in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (…).

Gemeentewet

Artikel 139

1. Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad.

Artikel 142

De bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 1.1

3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken. Bij de maatregel worden als categorie in ieder geval aangewezen de inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort.

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:8

1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:11

2 Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

1 Een paddock is een omheinde plaats nabij een paardenrenbaan. Partijen bedoelen met een paddock een buitenterrein op het perceel waar de vof haar manege exploiteert. Dat buitenterrein is omheind, althans afgezet. De vof laat daar paarden en pony’s (delen van dagen) buiten verblijven.

2 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2147.