Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:530

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
300937
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen recht op vervangende schadevergoeding vanwege het ontbreken van verzuim; geen verzuim want ten eerste geen fatale termijn en ten tweede voldoet ingebrekestelling niet aan de eisen want er is niet in aangegeven wat de concrete gebreken zijn, zodat voor schuldenaar niet duidelijk is welke activiteiten hij moet ondernemen om aan ingebrekestelling te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Alkmaar

AJB/LH

zaaknummer / rolnummer: C/15/300937 / HA ZA 20-187

Vonnis van 20 januari 2021

in de zaak van

[eiser] HANDELENDE ONDER DE NAAM RESTAURANT TRAMONTI,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaten mr. C.I.M. Bouwes Bavinck te Amsterdam en mr. A.P. Grishkova te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] , HANDELENDE ONDER DE NAAM FOCUS AANNEMERSBEDRIJF,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.T.P. Koenis te Hoorn NH.

Partijen zullen hierna Tramonti en Focus genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 maart 2020 met producties 1-30;

- de conclusie van antwoord met producties 1-22;

- het vonnis van 1 juli 2020;

- de akte tot het in het geding brengen van stukken met productie 31 van de zijde van Tramonti;

- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2020;

- de aantekeningen mondelinge behandeling van de zijde van Focus;

- de pleitaantekeningen van de zijde van Tramonti.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 15 januari 2019 hebben [eiser] , thans handelende onder de naam Tramonti en eerder handelende onder de naam Valentino, (hierna: Tramonti) en [gedaagde] , handelende onder de naam Focus, (hierna: Focus) een aannemingsovereenkomst gesloten inhoudende dat Focus de pizzeria van Tramonti aan de [adres] zou verbouwen en Tramonti daarvoor aan Focus een bedrag van € 27.225,– inclusief btw zou betalen. In de overeenkomst staat onder meer:

''Startdatum 18-01-2019 tot 17-02-2019.

Looptijd werkzaamheden: 25 dagen, oplevering op 18-02-2019.

(…)

Aanbetaling: 4.000,00 euro bij aanvang van het werk. Het overige bedrag zal gespreid betaald worden over de vier weken dat de opdracht voortduurt.''

2.2.

Op 3 maart 2019 hebben de eigenaren van Tramonti (de heer [eiser] ) en Focus (mevrouw [gedaagde] ) hun naam onder een A4-tje gezet met de volgende handgeschreven tekst:

''Beverwijk

03-03-2019

Hierbij mvr. [gedaagde] de eigenaar van aannemersbedrijf Focus als opdrachtnemer van werkzaamheden aan [adres] verklaar ik na ons gesprek vandaag dat de werkzaamheden zou op woensdag 13-03-2019 opgeleverd zijn.

Ik ontvang vandaag een bedrag van 3500 € van de heer [eiser] dan heb ik in totaal 23.500,00 euro ontvangen. op vrijdag 08-03-2019 gaan we opnieuw kijken en als 90% van de werkzaamheden klaar is ontvang ik nog 2000,00 euro.

De rest van totaal offerte bedrag ontvang ik na de oplevering en binnen 3 dagen. Dat is onze nieuwe overeenkomst boven onze offerte. (…)''

Partijen refereren aan deze tekst als ''de aanvullende overeenkomst''. De rechtbank zal deze terminologie ook hanteren.

2.3.

Op 8 maart 2019 hebben Tramonti en Focus een meerwerkovereenkomst gesloten inhoudende dat Focus aanvullende werkzaamheden zou verrichten (het maken en plaatsen van accordeondeuren, het maken van drie wandtafels en het schilderen van wanden) voor Tramonti en dat Tramonti aan Focus daar een bedrag van € 1.573,00 inclusief btw voor betaalt.

2.4.

Op 18 maart 2019 heeft Tramonti een e-mail verstuurd aan Focus. De e-mail vermeldt, voor zover relevant:

''(…)

Datum: 18-03-2019

Onderwerp: ingebrekestelling

Geachte mevrouw [gedaagde]

Op 14-01-2019 heb ik met u een overeenkomst afgesloten (…) betreft de verbouwingswerkzaamheden aan [adres] .

Helaas heeft u de afspraken die wij gemaakt hebben nog niet volledig uitgevoerd. Ik heb de volgende klachten:

* Opleverdatum was 18-02-2019 maar tot op heden (18-03-2019) is met veel van de werkzaamheden, welke in de offerte beschreven staan, nog niet eens begonnen. De werkzaamheden die al gestart zijn, zijn nog niet afgerond. Een daadwerkelijke oplevering heeft daarom dan ook nooit plaatsgevonden.

* Er is sprake van veel te veel technische fouten en is erg laag van kwaliteit.

(…)

Ik verzoek u vriendelijk binnen 10 dagen na de datum van deze brief alle werkzaamheden gaan uitvoeren en opleveren.

Mocht u in gebreke blijven, bent u in verzuim en kunt u de overeenkomst als ontbonden beschouwen. Bovendien stel ik u in dat geval aansprakelijk voor alle schade die ik geleden heb en nog zal lijden. (…)''

2.5.

Op 18 maart 2019 heeft Tramonti nog een tweede e-mail aan Focus gestuurd. In deze e-mail doet Tramonti een voorstel aan Focus om, kort gezegd, kosten voor herstelwerkzaamheden en afrondende werkzaamheden te delen.

2.6.

Op 19 maart 2019 heeft Tramonti een e-mail aan Focus gestuurd. Deze e-mail vermeldt, voor zover relevant:

''Onderwerp: niet overeengekomen tot een oplossing

Geachte mevrouw [gedaagde] ,

Helaas bent u ook niet akkoord gegaan met mijn laatste voorstel om onderling de contract op te zeggen, wat u zelf via sms gevraagd had.

U gaf zelf aan dat de rest van de werkzaamheden binnen vijf werkdagen klaar zou zijn, daarom heb ik u gisteren twee keer meer tijd gegeven om het project compleet gaan uitvoeren en opleveren.

(…)

De oplevering zou plaatsvinden op 01-04-2019 dan zal ik niet tot nu toe gemaakte extra kosten bij u gaan verhalen, mocht er op deze datum de werkzaamheden op [adres] niet klaar en opgeleverd zijn dan ben ik noodzakelijk om een rechtelijke procedure tegen u te starten en al extra gemaakte kosten vanaf starten van het project en ook toekomstige kosten bij u gaan verhalen.

(…)

Nogmaals: u krijgt van mijn tot 01-04-2019 om de hele project uitvoeren en opleveren. (…)''

2.7.

Op 9 april 2019 heeft de advocaat van Tramonti aan Focus een brief gestuurd. De brief vermeldt onder meer:

''Betreft: Valentino: Omzettingsverklaring

(…)

Focus komt gebrekkig of niet na

(…)

Valentino is dan ook genoodzaakt de afronding en het herstel van de gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden door een derde te laten verrichten. Valentino vordert daarom niet langer nakoming van de Overeenkomst en Meerwerkovereenkomst maar schadevergoeding voor de herstelkosten. Deze brief moet dan ook worden aangemerkt als een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW. (…)''

3 Het geschil

3.1.

Tramonti vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) Focus veroordeelt tot betaling van € 27.201,32, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, op grond van artikel 6:87 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 februari 2019 ter zake van schade voortvloeiende uit niet-nakoming van de overeenkomst;

b) Focus veroordeelt tot betaling van € 4.506,01, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, op grond van artikel 6:87 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 2 april 2019 ter zake van schade voortvloeiende uit niet-nakoming van de Meerwerkovereenkomst;

c) de Aanvullende overeenkomst ontbindt overeenkomstig artikel 6:267 lid 2 BW;

d) Focus veroordeelt tot terugbetaling van € 400 als ongedaanmakingsverbintenis na ontbinding van de Aanvullende Overeenkomst;

e) Focus veroordeelt in de kosten van het geding, de kosten van het conservatoire beslag daaronder begrepen, alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.

3.2.

Tramonti heeft de vordering onder a) als volgt onderbouwd. Focus moet Tramonti een bedrag van € 27.201,32 betalen op grond van een verbintenis tot vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 BW). Focus had een verbintenis tot nakoming jegens Tramonti aangezien Focus en Tramonti op 15 januari 2019 met elkaar een aannemingsovereenkomst hadden gesloten inhoudende dat Focus verbouwingswerkzaamheden zou verrichten aan de pizzeria van Tramonti voor een aanneemsom van € 27.225,00 inclusief btw, waarbij de werkzaamheden op 18 februari 2019 opgeleverd zouden zijn. Die verbintenis tot nakoming van de verbouwingswerkzaamheden door Focus is door middel van een schriftelijke omzettingsverklaring namens Tramonti omgezet in een verbintenis tot schadevergoeding: Tramonti heeft Focus bij brief van 9 april 2019 medegedeeld dat hij vervangende schadevergoeding wil in plaats van nakoming. Focus verkeerde op dat moment in verzuim. De prestatie tot het verrichten van verbouwingswerkzaamheden bleef immers uit terwijl deze wel opeisbaar was. Focus had de werkzaamheden namelijk niet, zoals tussen partijen was overeengekomen, op 18 februari 2019 opgeleverd. De werkzaamheden zijn bovendien niet of niet deugdelijk uitgevoerd. Het door Tramonti gevorderde schadebedrag bestaat uit € 22.538,33 voor herstelwerkzaamheden en afronding van de overeengekomen werkzaamheden en daarnaast uit een bedrag van € 4.662,99 aan materiaalkosten die op grond van de overeenkomst voor rekening van Focus zouden komen.

3.3.

Tramonti heeft de vordering onder b) als volgt onderbouwd. Focus moet Tramonti een bedrag van € 4.506,01 betalen op grond van een verbintenis tot vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 BW). Focus had een verbintenis tot nakoming jegens Tramonti aangezien Focus en Tramonti op 8 maart 2019 met elkaar een meerwerkovereenkomst hebben gesloten inhoudende dat Focus aanvullende werkzaamheden zou verrichten (het maken en plaatsen van accordeondeuren, het maken van drie wandtafels en het schilderen van wanden) voor Tramonti voor een bedrag van € 1.573,00. Die verbintenis tot nakoming van de verbouwingswerkzaamheden door Focus is door middel van een schriftelijke omzettingsverklaring namens Tramonti omgezet in een verbintenis tot schadevergoeding: Tramonti heeft Focus bij brief van 9 april 2019 medegedeeld dat hij schadevergoeding wil in plaats van nakoming. Focus verkeerde op dat moment in verzuim. De (deugdelijke) prestatie tot het verrichten van verbouwingswerkzaamheden bleef immers uit. De werkzaamheden zijn niet uitgevoerd. Het door Tramonti gevorderde schadebedrag bestaat uit € 2.516,80 voor herstelwerkzaamheden en afronding van de overeengekomen werkzaamheden en daarnaast uit een bedrag van € 1.989,21 aan materiaalkosten die op grond van de overeenkomst voor rekening van Focus zouden komen.

3.4.

Tramonti heeft de vorderingen onder c) en d) als volgt onderbouwd. Tramonti vordert ontbinding van de aanvullende overeenkomst die partijen op 3 maart 2019 hebben gesloten omdat Focus is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit deze aanvullende overeenkomst. Partijen zijn toen overeengekomen dat Focus 90% van de werkzaamheden uit de overeenkomst van 15 januari 2019 zou hebben afgerond uiterlijk op 8 maart 2019, in welk geval Tramonti een bedrag van € 2.000,00 zou betalen, en dat Focus alle werkzaamheden afgerond zou hebben op 13 maart 2019; en Tramonti zou een aanbetaling doen van € 400,00. Focus heeft de werkzaamheden niet tijdig afgerond. De aanvullende overeenkomst moet worden ontbonden en de uit hoofde daarvan reeds geleverde prestaties moeten worden teruggedraaid.

3.5.

Focus heeft al deze vorderingen en stellingen van Tramonti gemotiveerd betwist en onder meer aangevoerd dat Tramonti zelf in verzuim verkeert omdat Tramonti niet de (juiste) spullen leverde waarmee Focus moest werken, Tramonti de wijze van uitvoering van de werkzaamheden steeds wijzigde waardoor het werk vertraging opliep, en Tramonti haar betalingsverplichtingen jegens Focus niet nakwam. Daarnaast heeft Focus een beroep op verrekening van de kosten van het meerwerk gedaan.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal de vorderingen van Tramonti hierna behandelen.

de vordering onder a)

4.2.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vordering onder a) voorop dat voor een geslaagd beroep op vervangende schadevergoeding op basis van artikel 6:87 BW ten tijde van de omzettingsverklaring (9 april 2019) een toestand van verzuim aan de zijde van Focus vereist is.

4.3.

Die toestand van verzuim was er naar het oordeel van de rechtbank echter niet. Anders dan Tramonti stelt, ziet de rechtbank de in de overeenkomst van 15 januari 2019 genoemde opleveringsdatum van 18 februari 2019 niet als een fatale termijn voor nakoming in de zin van artikel 6:83 sub a BW.

4.4.

De rechtbank merkt hierbij op dat het voor de uitleg van deze bepaling over de oplevertermijn niet louter aankomt op de letterlijke bewoordingen ervan, maar ook op hetgeen partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid mochten afleiden en verwachten.

4.5.

In de overeenkomst, geciteerd onder 2.1 van dit vonnis, staat op dit punt slechts vermeld ''tot 17-02-2019'', ''oplevering op 18-02-2019'', en ''de vier weken dat de opdracht voortduurt.'' De rechtbank ziet in de tekst van deze bepalingen in de overeenkomst geen enkele verwijzing naar een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW, bij gebreke van nakoming waarvan Focus direct in verzuim zou komen te verkeren.

4.6.

De ter zitting ingenomen stelling van Tramonti dat het fatale karakter volgt uit de mondelinge communicatie tussen partijen ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst, aangezien Tramonti aan Focus kenbaar heeft gemaakt dat het voor Tramonti belangrijk was om in maart 2019 weer te kunnen openen, faalt eveneens. Focus heeft namelijk betwist dat partijen mondeling hebben besproken dat 18 februari 2019 als fatale datum zou hebben te gelden, laat staan dat partijen daarover iets hebben afgesproken. De rechtbank moet dan ook constateren dat niet vaststaat dat een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW overeengekomen is.

4.7.

Maar ook indien er veronderstellenderwijs vanuit gegaan zou worden dat de termijn van 18 februari 2019 in de overeenkomst wél een fataal karakter had, kan Tramonti zijn vordering daar niet op baseren. Tramonti heeft Focus immers na 18 februari 2019 meerdere keren gelegenheid gegeven om alsnog na te komen: eerst in de aanvullende overeenkomst van 3 maart 2019 en vervolgens nog eens in de e-mails van 18 maart 2019 en de e-mail van 19 maart 2019. Hiermee heeft Tramonti zelf een- en andermaal aan Focus kenbaar gemaakt niet vast te houden aan de datum van 18 februari 2019 en aldus het door hem gestelde fatale karakter van de termijn ondergraven.

4.8.

Het voorgaande betekent dat verzuim aan de zijde van Focus alleen kon intreden na een deugdelijke ingebrekestelling. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop: ''Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft'' (artikel 6:82 BW lid 1).

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat de e-mail van 18 maart 2019 (zie hiervoor onder 2.4), die als enige van de door Tramonti verzonden e-mails en berichten blijkens aanduiding van het onderwerp en inhoud in aanmerking komt als ingebrekestelling, niet voldoet aan de eisen van een zodanige ingebrekestelling. Weliswaar kan in deze e-mail een schriftelijke aanmaning aan het adres van Focus worden gelezen en wordt Focus in gebreke gesteld en wordt een termijn voor nakoming gesteld (10 dagen na datum e-mail), maar uit de e-mail kan op geen enkele manier worden opgemaakt ter zake van welke concrete gebreken en nalatigheden Focus in gebreke wordt gesteld en waarvan precies nakoming of herstel wordt gevorderd, en dat is wel een vereiste om te kunnen spreken van een adequate ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 BW. Er wordt slechts in algemene en vage zin opgemerkt dat ''met veel van de werkzaamheden nog niet is begonnen'', dat (andere) ''werkzaamheden nog niet zijn afgerond, dat ''er is sprake van veel te veel technische fouten'', dat ''het werk erg laag van kwaliteit is'', en dat Focus wordt verzocht ''alle werkzaamheden te gaan uitvoeren en opleveren''. Hieruit kunnen geen concrete gebreken en nalatigheden worden afgeleid, zodat het voor Focus niet duidelijk was welke activiteiten van haar nu precies werden verlangd om aan de ingebrekestelling te voldoen.

4.10.

Het voorgaande betekent dat Focus (dus) ook niet in een toestand van verzuim is gekomen na ingebrekestelling.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat de omzettingsverklaring van 9 april 2019 van Tramonti en het daarop gebaseerde beroep op vervangende schadevergoeding op basis van artikel 6:87 BW geen effect hebben gesorteerd ten aanzien van de overeenkomst van 15 januari 2019. De vordering onder a) zal daarom worden afgewezen.

de vordering onder b)

4.12.

De rechtbank zal thans de vordering onder b) betreffende de vervangende schadevergoeding wegens niet nakoming van de meerwerkovereenkomst beoordelen.

4.13.

Onder verwijzing naar al hetgeen hiervoor ten aanzien van de overeenkomst van 15 januari 2019 is overwogen, overweegt de rechtbank als volgt. Tramonti heeft met betrekking tot de meerwerkovereenkomst van 8 maart 2019 niet gesteld dat partijen een oplevertermijn zijn overeengekomen, laat staan een fatale termijn. De rechtbank constateert dat een dergelijke oplevertermijn of een opleverdatum met een fataal karakter niet in de tekst van de overeenkomst is vermeld. Tramonti heeft ter zitting ook erkend dat die daar inderdaad niet in vermeld staan. De rechtbank ziet voorts niet dat de ingebrekestelling van 18 maart 2019 zich op enigerlei wijze richt op de meerwerkovereenkomst van 8 maart 2019. Gesproken wordt slechts over ''een overeenkomst van 14 januari 2019 (de rechtbank leest: 15 januari 2019)''. Dat is de overeenkomst die onderwerp is van de vordering onder a). Een en ander betekent dat ook ten aanzien van de meerwerkovereenkomst niet kan worden vastgesteld dat Focus in verzuim is komen te verkeren als gevolg van een niet-presteren na ommekomst van een overeengekomen fatale termijn of een niet-presteren na verloop van een termijn voor nakoming die bij enige ingebrekestelling is gesteld.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de omzettingsverklaring van 9 april 2019 van Tramonti en het daarop gebaseerde beroep op vervangende schadevergoeding op basis van artikel 6:87 BW evenmin effect hebben gesorteerd ten aanzien van de meerwerkovereenkomst. Ook de vordering onder b) zal daarom worden afgewezen.

de vorderingen onder c) en d)

4.15.

De rechtbank zal de vorderingen onder c) en d) tezamen beoordelen, zijnde de vordering tot ontbinding op basis van artikel 6:265 BW van de aanvullende overeenkomst, zoals geciteerd onder 2.2 van dit vonnis, en in het verlengde daarvan de vordering tot veroordeling van Focus tot terugbetaling van een bedrag van € 400,– bij wijze van ongedaanmakingsverbintenis.

4.16.

De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop: ''Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt'' (artikel 6:265 lid 1 BW).

4.17.

De vordering onder c) zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang. Nog daargelaten dat separate ontbinding van de aanvullende overeenkomst juridisch ondoenlijk is, zou de ontbinding niet leiden tot enig nuttig effect.

4.18.

Voor ontbinding is onder meer een overeenkomst vereist (zie 4.15), maar de aanvullende overeenkomst kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als een zelfstandige, voor ontbinding vatbare overeenkomst, die prestaties behelst die ongedaan gemaakt kunnen worden. Inhoudelijk draagt de ''aanvullende overeenkomst'' het karakter van een aanvulling op of bijlage bij de overeenkomst van 15 januari 2019. Het betreft immers alleen een nadere afspraak op één punt van de overeenkomst: een aangepaste oplevertermijn. Dat, zoals Tramonti stelt, ook een extra betaling door Tramonti aan Focus van € 400,– zou zijn overeengekomen (bovenop het bedrag dat uit hoofde van de overeenkomst van 15 januari 2019 reeds overeengekomen was) wordt verworpen nu Focus dit heeft betwist en Tramonti hierna, hoewel dat wel op zijn weg had gelegen, geen feiten en omstandigheden ter onderbouwing van deze stelling meer heeft gesteld. Daarmee is deze stelling van Tramonti niet vast komen te staan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de aanvullende overeenkomst alleen ziet op een nadere oplevertermijn. Tramonti benadrukt dit accessoire karakter van de aanvullende overeenkomst op de overeenkomst van 15 januari 2019 overigens zelf in de dagvaarding onder randnummer 39: ''de aanvullende overeenkomst is in essentie slechts een aansporing voor Focus geweest om de werkzaamheden op 13 maart 2019 alsnog op te leveren''. De vormgeving van de aanvullende overeenkomst (handgeschreven op één A4-tje met alleen de namen van partijen eronder, terwijl de overeenkomst van 15 januari 2019 getypt is en door partijen voorzien van hun handtekeningen) illustreert dit onzelfstandige karakter.

4.19.

Los hiervan geldt dat een overeengekomen uitstel van de opleverdatum naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gezien als een terugdraaibare prestatie. De ontbinding zou derhalve geen enkel nut hebben. Tramonti heeft dit ter zitting bevestigd.

4.20.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde ontbinding van de aanvullende overeenkomst c.a. niet toewijsbaar is. De vorderingen onder c) en d) zullen daarom worden afgewezen.

resumerend en proceskosten

4.21.

Uit al het voorgaande volgt dat de vorderingen van Tramonti (a tot en met d) zullen worden afgewezen.

4.22.

Tramonti zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding van Focus worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Focus worden begroot op € 1.390,00 aan salaris advocaat (2 punten tarief III) en € 937,00 wegens griffierecht, in totaal een bedrag van € 2.327,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af.

5.2.

veroordeelt Tramonti in de proceskosten van Focus, tot op heden begroot op een bedrag van € 2.327,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2021.