Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5191

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
20/3806
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om naturalisatie afgewezen. Ernstige vermoedens gevaar voor openbare orde. RWN. Rehabilitatietermijn niet verstreken. Geen bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beleid. Ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3806


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Aygur),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: I. Boon).

Procesverloop

In het besluit van 31 januari 2020 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

In het besluit van 5 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021 met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 1 oktober 2018 een verzoek om naturalisatie ingediend.

2. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verweerder heeft hiertoe redengevend geacht dat uit informatie van de Justitiële Documentatiedienst is gebleken dat eiser door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland op [datum 1] 2016 is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren wegens het handelen in strijd met artikel 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (het behulpzaam zijn bij illegale toegang tot Nederland). De veroordeling is onherroepelijk geworden op [datum 2] 2018. De proeftijd loopt daardoor nog tot [datum 3] 2021. Volgens verweerder is geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat ten aanzien van eiser geen ernstige vermoedens bestaan als voornoemd. Er is daarom geen reden om af te wijken van het in de Handleiding neergelegde beleid.

3. Eiser betoogt dat geen sprake is van een actueel gevaar voor de openbare orde. Hij heeft alleen zijn neefje naar [plaats] gebracht. Eiser heeft een lichte straf gekregen juist omdat zijn bedoelingen niet verkeerd waren. De meervoudige kamer heeft in de strafprocedure ontkend dat eiser een gevaar is voor de openbare orde. Verweerder heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd door enkel te verwijzen naar uitspraken en standaard beleid.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen als op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. Verweerder heeft beleid geformuleerd ten aanzien van de vraag wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit beleid is neergelegd in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: De Handleiding).

6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2194, dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde.

7. Uit het bestreden besluit maakt de rechtbank op dat verweerder het verzoek heeft afgewezen op grond van de Handleiding, paragraaf 1, onder 3, aanhef en onder c en 4.

Deze artikelen luiden als volgt:

De naturalisatie wordt geweigerd, als:

3. er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Daarbij is niet relevant of de sanctie voorwaardelijk is opgelegd. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden is afwijking mogelijk. Van een serieuze verdenking is onder meer sprake, als (c) de vreemdeling zich nog in een proeftijd bevindt.

4. aan de vreemdeling in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan.

8. De proeftijd van eiser is gaan lopen na het onherroepelijk worden van de uitspraak op [datum 2] 2018. Pas als deze proeftijd is verstreken, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid. Dat is pas op [datum 2] 2021.
Voorts staat vast dat de rehabilitatietermijn nog niet is verstreken. Eiser is op [datum 2] 2018 onherroepelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege een misdrijf. Sindsdien zijn nog geen vijf jaren verstreken. Toepassing van het beleid leidt dus tot afwijzing van het verzoek. Dat eiser het door hem begane strafbare feit zelf als een licht strafbaar feit kwalificeert en stelt dat zijn bedoelingen niet verkeerd waren, doet hier niet aan af. Vaststaat dat eiser is veroordeeld voor een feit dat gekwalificeerd wordt als misdrijf.

9. Zoals eveneens uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3238, dient het bevoegd gezag er bij de toepassing van het beleid ten aanzien van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, rekening mee te houden dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken.

10. Bijzondere omstandigheden kunnen volgens de Handleiding hoogstens tot de conclusie leiden dat de eiser geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien eiser wel een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd. Daarvan kan verweerder niet met toepassing van artikel 10 van de RWN afwijken. De vraag rijst of zich bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van het beleid.

Vast staat dat eiser in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van de strafrechter. De uitspraak is van [datum 1] 2016 en zou in beginsel twee weken later onherroepelijk zijn geworden (op [datum 4] 2016). De proeftijd zou in dat geval op [datum 4] 2019 zijn geëindigd. Doordat eiser in hoger beroep is gegaan is de proeftijd pas gaan lopen op [datum 2] 2018 en eindigt deze pas op [datum 2] 2021. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of het instellen van hoger beroep – en daarmee het opschuiven van de proeftijd – mag worden tegengeworpen aan de vreemdeling of dat dit wellicht aanleiding is voor afwijking van het beleid. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het instellen van hoger beroep in alle gevallen voor rekening en risico dienen te komen van de vreemdeling, ook als het hoger beroep wordt ingesteld door het Openbaar Ministerie. Hoewel de rechtbank vraagtekens zet bij het standpunt van verweerder in deze, staat in het onderhavige geval vast dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de rehabilitatietermijn is verlopen en de rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van het beleid op dit punt.

11. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen op grond waarvan verweerder gehouden was tot afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. De omstandigheden laten de ernst van de inbreuk op de rechtsorde waarvoor de voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd namelijk onverlet. De afwijzing is dan ook niet onzorgvuldig of onredelijk.

12. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en heeft verweerder het verzoek dan ook terecht afgewezen. Het betoog van eiser slaagt niet.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE – Wet- en regelgeving

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 7

1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

Artikel 9

1. Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien

a. op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Artikel 10

Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.

Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Paragraaf 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a.

Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid

1. Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:

3. er op het moment van indiening van het verzoek/afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen (zie onder 4). Met sanctie wordt niet alleen bedoeld een straf (geldboete, taak- of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook bijvoorbeeld strafbeschikkingen of transacties (door politie of Openbaar Ministerie (OM) opgelegde boetes). Daarbij is niet relevant of de sanctie voorwaardelijk is opgelegd, en evenmin of de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden is afwijking van het onderstaande mogelijk. Van een serieuze verdenking is onder meer sprake, als:

a. tegen de vreemdeling proces-verbaal wegens misdrijf is opgemaakt, en de strafzaak niet is beëindigd of de strafbeschikking niet is uitgevaardigd;

b. tegen de vreemdeling een strafzaak wegens misdrijf openstaat;

c. de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke gratie; of

d. er sprake is van een nog niet onherroepelijk geworden strafvonnis;

4. in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd (zie paragraaf 5). Met sanctie wordt hier bedoeld iedere:

a. vrijheidsbenemende straf of maatregel;

b. taak- of leerstraf;

c. geldboete van € 810,– of meer;

d. strafbeschikking of transactie van € 810,– of meer;

e. strafbeschikking, transactie of geldboete van € € 405,– of meer, mits er in de periode van vijf jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop meerdere strafbeschikkingen, transacties of geldboeten van € € 405,– of meer zijn uitgevaardigd, opgelegd of betaald, met een totaal van € 1.215,– of meer;

f. een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 810,– of meer.

Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

De vreemdeling mag in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vijf jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:

iedere vrijheidsbenemende straf of maatregel (onder meer gevangenisstraf en TBS) leidt, ongeacht de duur daarvan, tot weigering van naturalisatie of optie;

De naturalisatie of optie wordt geweigerd, als er binnen vijf jaren voor de indiening van het verzoek dan wel het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:

a. of de sanctie voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd;

Overgangsrecht: Wijziging rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar per 1 mei 2018

Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 6, vierde lid, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.

Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.

Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:

• nimmer eerder een (dergelijk) strafbaar feit heeft gepleegd;

• lering heeft getrokken uit het gebeurde;

• thans ieder strafbaar gedrag poogt te vermijden;

• de misdraging heeft gepleegd in een bijzonder moeilijke periode die definitief is afgesloten;

• inmiddels is gehuwd, een kind heeft gekregen en stelt zijn leven aanzienlijk te hebben verbeterd;

• bij internationale werkzaamheden hinder ondervindt van zijn buitenlandse paspoort;

• als enige binnen het gezin geen Nederlander is;

• is veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol en onder behandeling is geweest voor zijn drankprobleem, zodat het gevaar voor recidive klein is;

• is veroordeeld wegens bijvoorbeeld bijstandsfraude en zijn uitkering inmiddels is stopgezet en het teveel ontvangen bedrag wordt terugbetaald, zodat het gevaar voor recidive minimaal is;

• is veroordeeld wegens bijstandsfraude en het delict heeft gepleegd, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, zodat, nu hij de Nederlandse taal beter beheerst, de kans op recidive verwaarloosbaar is;

• minderjarig was toen hij het strafbare feit pleegde;

• geschikt is bevonden voor de functie van beroepsmilitair bij het Ministerie van Defensie.

Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.

Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op model 2.3 (bij naturalisatie) of model 1.14 (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.

De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van artikel 10 RWN worden afgeweken.