Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5176

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
8830243
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van aanneming van werk. Plaatsing dakkapel en aluminium schuifpui. Geschil over wie de overeenkomsten heeft beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8830243 \ CV EXPL 20-8761

Uitspraakdatum: 9 juni 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser sub 1]

2. [eiser sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

eisers in conventie
verweerders in reconventie

verder gezamenlijk te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. N.D. Haverhoek

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]

gevestigd te [plaats]

gedaagde in conventie
eiseres in reconventie

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. S.A. Coster

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 16 oktober 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

Op 29 april 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief d.d. 15 april 2021 een akte wijziging eis en een usb stick met een audio opname van een telefoongesprek tussen partijen overgelegd. Bij brief d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde] op de inhoud van het telefoongesprek gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Op 18 juli 2019 heeft [gedaagde] aan [eiser] een offerte verstrekt voor het plaatsen van een dakkapel en een aluminium schuifpui. Op 14 december 2019 heeft [eiser] [gedaagde] opdracht gegeven deze te plaatsen.

2.2.

Op 16 januari 2020 is de dakkapel ingemeten.

2.3.

Op 31 januari 2020 heeft [eiser] een e-mail gestuurd aan [gedaagde] met vragen over de hoogte van de dakkapel. Op 1, 6 en 7 februari 2020 is er tussen partijen per e-mail gecorrespondeerd. Op 15 februari 2020 hebben partijen een gesprek in de showroom van [gedaagde] gehad. Dezelfde dag heeft [eiser] de aanbetaling ad € 6.209,41 betaald.

2.4.

Per e-mail d.d. 16 maart 2020 heeft [eiser] het volgende – voor zover hier relevant – geschreven aan [gedaagde] :

(…)
Op 4 maart stuurden wij de volgende mail:
Drie weken geleden, op donderdag 15 februari, hebben wij overleg gehad met u en de heer van de schuifpui.
Alles zou netjes op papier gezet worden.
De vergunning voor de dakkapel zou worden aangevraagd.
Tot op heden hebben wij nog niets gehoord/geen mail ontvangen.
Wij zijn benieuwd wat nu de stand van zaken is.

Het antwoord daarop was op 5 maart:
(…)
Mijn excuses voor het vertraagde antwoord. (…)
Volgende week zal ik uw dossier verder behandelen. (…)

Op 5 maart ontvingen wij nog een mail met aangepaste offerte.
(…)

Op zaterdag 7 maart zijn wij in de zaak geweest omdat er nog onduidelijkheden waren in de aangepaste offerte. (…) In het begin van de volgende week zouden wij een vernieuwde aangepaste offerte ontvangen.

Een maand nadat wij met u gesproken hebben over onduidelijkheden in de gemaakte offerte/afspraken zijn we nog niets verder (…)

Op 15 februari hebben wij al aangegeven het vertrouwen in het bedrijf [gedaagde] beschaamd is.
Met de excuses van [betrokkene] ontstond er bij ons weer een beetje vertrouwen.
Daarop hebben wij de aanbetaling overgemaakt.

Ondertussen is het 16 maart, we zijn nu een maand verder.
Van [gedaagde] hebben wij nog steeds niets gehoord over de schuifpui.
Wij wachten nog op de offerte van [betrokkene] m.b.t. de dakkapel.

Wij hebben geen vertrouwen meer in het bedrijf [gedaagde] en willen onze opdrachten ontbinden. (…) We zouden de aanbetaling terug willen ontvangen. (…)

2.5.

Per e-mail d.d. 26 maart 2020 heeft [eiser] het volgende geschreven aan [gedaagde] :

(…)
Anderhalf week geleden hebben wij u onderstaande mail gestuurd.
Tot op heden hebben wij nog geen reactie van u mogen ontvangen.
Dit is precies de reden waarom wij de opdracht willen intrekken.

2.6.

Dezelfde dag heeft [gedaagde] per email geantwoord:

(…)
Nadat u aangaf de orders te willen wijzigen, hebben wij een gesprek met elkaar gehad wat deze wijzigingen allemaal zijn.
[betrokkene] heeft de order voor de dakkapel aangepast en u toegestuurd, u heeft daar nog geen akkoord op gegeven.
De aanpassingen/vragen van de schuifpui liggen bij de leverancier. (…)

Ik vind het betreurenswaardig dat u dit geduld niet kunt opbrengen en dat u besluit de orders te annuleren.

Wij hebben de orders en bestellingen on hold moeten zetten door uw wijzigingen.
Hierdoor is er een gat ontstaan in onze planning en worden de gemaakte kosten van onze leverancier aan ons door berekend.

We zullen de rekening opmaken van de gemaakte kosten.

2.7.

Na ontvangst van deze e-mail hebben partijen een lang telefoongesprek gevoerd.

2.8.

Per e-mail d.d. 30 maart 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] het volgende – voor zover hier relevant – geschreven:

(…)
Naar aanleiding van ons gesprek vorige week doe ik u hierbij deze mail toekomen.

Order: 134145
In de bijlage de aangepaste orderbevestiging van de dakkapel.
Graag uw akkoord (na controle) voor deze bevestiging. (…)

Order: 134146
De volgende punten had ik genoteerd tijdens uw bezoek begin maart:
(…)

Zoals telefonisch besproken wenst u geen ventilatiestand blok.
De aanpassing zijn verstuurd naar de leverancier en er word een nieuwe orderbevestiging gemaakt.
Zodra de prijzen en levertijden bekend zijn zullen wij een aangepaste orderbevestiging sturen aan u.

2.9.

Per e-mail d.d. 8 april 2020 heeft [eiser] hierop gereageerd met enkele vragen over de kleur van de dakkapel en de stand van zaken met betrekking tot de schuifpui.

2.10.

Op 20 april 2020 heeft [eiser] van [gedaagde] een aangepaste offerte ontvangen welke offerte op 21 april is geaccordeerd. Op 25 april heeft [eiser] een e-mail gestuurd dat hij toch iets over het hoofd heeft gezien en waarin hij vraagt waar het prijsverschil tussen de twee offertes in zit.

2.11.

Op 6 mei 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] gevraagd of de schuifpui nu met een kraan aangeleverd moet worden.

2.12.

Op 2 juni 2020 heeft de gemeente laten weten dat de aangevraagde vergunning voor de dakkapel geweigerd is. De bouwkundig tekenaar heeft de tekening hierna aangepast zodat de dakkapel vergunningsvrij gebouwd kon worden.

2.13.

Op 25 juni 2020 hebben partijen een gesprek gevoerd in de showroom van [gedaagde] .

2.14.

Per e-mail d.d. 29 juni 2020 stuurt [gedaagde] het volgende aan [eiser] :

(…)
Zoals belooft komen wij vandaag met een antwoord.
Gezien het verloop van deze 2 orders zijn wij niet meer de juiste partij om dit werk voor jullie uit te voeren.
De gemaakte kosten zal ik opvragen.
Deze kosten zullen wij uit coulance voor 50% dragen, het restant word op jullie rekening terug gestort.

2.15.

Hierna is tussen partijen gecommuniceerd over de specificatie van de kosten en over het (eventueel) annuleren van de schuifpui.

2.16.

Op 21 juli en 27 augustus heeft (de gemachtigde) van [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot terugbetaling van de aanbetaling.

2.17.

Op 27 augustus 2020 heeft [gedaagde] het volgende aan de gemachtigde van [eiser] geschreven: Uw client heeft de opdracht geannuleerd eenzijdig. Wij zullen de aanbetaling gebruiken als annulering kosten om onze gemaakte kosten te dekken.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – dat de kantonrechter:
I. de overeenkomst tussen partijen ontbindt;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 6.209,41 vermeerderd met de wettelijke rente;
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 685,47 aan buitengerechtelijke incassokosten;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] de overeenkomsten eenzijdig heeft beëindigd zodat [gedaagde] de door [eiser] betaalde aanbetaling terug moet betalen.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert aan – samengevat – dat [eiser] met zijn
e-mail d.d. 16 maart 2020 de overeenkomsten eenzijdig heeft beëindigd zonder dat [gedaagde] in verzuim was. [eiser] dient daarom de gehele aanneemsom te betalen verminderd met de ‘besparingen’ voor [gedaagde] .

4.2.

[gedaagde] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter:
I. voor recht verklaart dat de aanneemsommen minus de besparingen van [gedaagde] in totaal € 8.760,40 inclusief btw bedragen;
II. [eiser] veroordeelt tot betaling van € 2.550,99 vermeerderd met de wettelijke rente;
III. [eiser] veroordeelt tot de proceskosten inclusief de nakosten.

4.3.

[gedaagde] legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de aanneemsom minus de besparingen een totaalbedrag van € 8.760,40 bedraagt. Nu [eiser] reeds een aanbetaling van € 6.209,41 heeft voldaan, resteert er nog een bedrag van
€ 2.550,99 dat betaald moet worden.

4.4.

[eiser] betwist de tegenvordering.

5 De beoordeling

de vordering en de tegenvordering

5.1.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2.

Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat hun wederpartij de overeenkomsten heeft ontbonden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] de overeenkomsten beëindigd. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Per e-mails d.d. 16 en 26 maart 2020 heeft [eiser] geschreven dat hij geen vertrouwen meer heeft in [gedaagde] en dat hij de opdrachten wilde ontbinden/intrekken. Hierna, op 26 maart 2020, hebben partijen telefonisch contact gehad en heeft [gedaagde] per e-mail d.d. 30 maart 2020 opnieuw een offerte gestuurd naar [eiser] waarbij hij heeft geschreven: naar aanleiding van ons gesprek vorige week doe ik u hierbij deze mail toekomen. Op 20 april 2020 heeft [gedaagde] nogmaals een (aangepaste) offerte gestuurd naar [eiser] en op 6 mei 2020 heeft [gedaagde] gevraagd of de schuifpui nu met een kraan geleverd moest worden. Na de door [eiser] verstuurde e-mails op 16 en 26 maart 2020 hebben partijen dus nog contact gehad over de (uitvoering van de) orders totdat partijen op 25 juni 2020 in gesprek zijn gegaan met elkaar in de showroom. Pas per e-mail d.d. 29 juni 2020 geeft [gedaagde] aan dat hij niet de juiste partij is om de orders uit te voeren.

5.3.

Gelet op het voorgaande, is de wil van [eiser] , hoewel wellicht eerder gericht op beëindiging van de overeenkomsten, in maart 2020 niet omgezet naar een daadwerkelijke beëindiging. Partijen hebben immers na deze e-mails nog veelvuldig contact gehad over de orders en besproken op welke manier de overeenkomsten uitgevoerd zouden worden. Dit betekent dat de overeenkomsten in maart 2020 zijn voortgezet. Het verweer van [gedaagde] dat de wensen van [eiser] steeds veranderden zodat de opdrachten ook steeds wijzigden, gaat niet op. Ten aanzien van de schuifpui hebben partijen afgesproken dat er nog een aangepaste offerte zou komen met daarin opgenomen de gewilde wijzigingen met betrekking tot de kierstand. Hierover waren partijen dus reeds in overleg. Over de dakkapel heeft [eiser] vanaf het begin aangegeven dat deze gelijk diende te lopen met het plafond van de woning. Dat [eiser] uiteindelijk diverse keren heeft moeten reageren op de hoogte van de dakkapel en op het aanvragen/weigeren van de vergunning kan geen (geldige) reden zijn geweest voor [gedaagde] om de overeenkomst te willen beëindigen. Het is immers [gedaagde] geweest die in beginsel een hoogte van 180 cm in de offerte heeft gezet. Als professional wordt van hem verwacht dat hij weet dat er een vergunningplicht is voor deze hoogte. Gelet op het feit dat een dakkapel van 175 cm hoog ook aan de eisen van [eiser] voldeed (gelijk lopend met het plafond), gaat de kantonrechter aan het verweer van [gedaagde] voorbij. Gelet op het voorgaande, is de conclusie dat [gedaagde] met de e-mail d.d. 29 juni 2020 eenzijdig de overeenkomsten met [eiser] heeft beëindigd wat ertoe leidt dat [gedaagde] de door [eiser] betaalde aanbetaling dient terug te betalen. De vordering in conventie wordt derhalve toegewezen met dien verstande dat, nu de overeenkomsten reeds zijn beëindigd, de vordering tot ontbinding van de overeenkomsten bij gebrek aan belang wordt afgewezen. De vordering in reconventie wordt afgewezen.

5.4.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Tegenover de betwisting door [gedaagde] is niet onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden (anders dan werkzaamheden ter instructie van de zaak) zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

5.5.

De wettelijke rente over de hoofdsom zal als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen.

5.6.

De proceskosten in conventie en reconventie komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 6.209,41 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 oktober 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 106,47
griffierecht € 236,00
salaris gemachtigde € 622,00 ;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van € 218,00 aan salaris van de gemachtigde van [eiser] ;

6.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij.

De griffier De kantonrechter