Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5168

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
HAA 19/5607
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek herbestrating omgeving Florapark Haarlem

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5607


uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de raad van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A Geleijnse).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 (het primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om opheffing van de geheimhouding afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op grond van artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht 2017 heeft de rechtbank ten aanzien van de door verweerder overgelegde stukken waarvan verweerder heeft aangegeven dat alleen de rechtbank hiervan kennis mag nemen, gehandeld alsof de rechtbank heeft besloten dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om kennis te nemen van de onder beperkte kennisneming overgelegde stukken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mevrouw [naam 1] , projectmanager openbare ruimte bij de gemeente Haarlem en mr. [naam 2] , jurist bij de afdeling juridische zaken van de gemeente Haarlem.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

Namens Hart voor Haarlem heeft raadslid Van Zetten het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: het college) gevraagd om de financiële gegevens uit twee documenten toegestuurd te krijgen. Deze documenten bevatten prijsafspraken met aannemer [naam 3] B.V. (hierna: [naam 3] ) over de aan- en verkoop van straatstenen voor het Floraplein. Deze documenten zijn eerder verstrekt met weglakking van de financiële gegevens.

1.2

Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college besloten de documenten te verstrekken met oplegging van geheimhouding op grond van artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet op de financiële informatie in deze twee documenten. Het gaat om de financiële informatie in het meer-/minderwerkrapport van [naam 3] over het bijleveren van waalformaten en afvoeren van rijnformaten van 20 april 2018 en bladnummer 12 van 14 van het rapport afwijkingen meer-/minderwerk van [naam 3] van 9 januari 2018.

1.3

Bij besluit van 31 januari 2019 heeft verweerder op grond van artikel 25 van de Gemeentewet de door het college opgelegde geheimhouding bekrachtigd.

1.4

Bij brief van 6 februari 2019 heeft eiser een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (hierna: Wob-verzoek) ingediend en gevraagd om volledige openbaarmaking van de documenten met betrekking tot de verkoopprijzen en inkoopprijzen van nieuwe en oude klinkers c.q. straatstenen betrokken bij de herbestrating van de omgeving Florapark. Tevens is verzocht om het Wob-verzoek op te vatten als een verzoek tot opheffing van de geheimhouding.

1.5

Bij brief van 29 maart 2019 heeft [naam 3] haar zienswijze gegeven en aangevoerd dat in de documenten bedrijfsgevoelige informatie staat in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Door het openbaar maken van deze informatie wordt [naam 3] niet enkel geschaad in haar concurrentiegevoelige belangen bij nog komende aanbestedingen, maar bijvoorbeeld ook in haar belangen bij de verdere verkoop van de ingekochte materialen. Verzocht wordt primair het verzoek tot openbaarmaking te weigeren en subsidiair de passages die zien op bedragen die verband houden met in- en verkoop van klinkers c.q. straatstenen (waaronder ook de door [naam 3] gehanteerde eenmalige kosten en opslagpercentages/-bedragen) onleesbaar te maken.

1.6

Bij besluit van 4 april 2019 heeft het college onder meer besloten geen informatie te verstrekken over de financiële gegevens waarop de geheimhouding rust welke door de raad is bekrachtigd. Het verzoek tot openbaarmaking van die gegevens is opgevat als een verzoek om de geheimhouding op te heffen en doorgezonden aan verweerder.

Standpunten van partijen

2.1

In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om opheffing van de geheimhouding op de financiële informatie in de twee documenten afgewezen. Verweerder heeft besloten de geheimhouding in stand te laten ter bescherming van de economische en financiële belangen van de gemeente en ter voorkoming van onevenredige benadeling van de bij de documenten betrokken partijen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob. In de korte periode na de bekrachtiging van de geheimhouding zijn de gronden waarop de geheimhouding is opgelegd niet gewijzigd. Bovendien zijn de werkzaamheden nog in volle gang.

2.2

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de geheimhouding in stand gelaten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de openbaarmaking van de financiële gegevens leidt tot onevenredige benadeling van [naam 3] . Deze benadeling bestaat enerzijds uit het in de toekomst onder druk komen te staan en verslechteren van de onderhandelingspositie van [naam 3] en anderzijds een mogelijke negatieve impact op de concurrentiepositie van [naam 3] . Daarnaast wordt bij openbaarmaking het financiële en economische belang van de gemeente geschaad als bekend wordt welke prijs de gemeente bereid is te betalen voor werkzaamheden van een dergelijk project.

2.3

Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de beroepsgronden zich beperken tot de prijzen van de straatstenen, welke zijn opgenomen in het meer-/minderwerkrapport over het bijleveren van waalformaten en afvoeren van rijnformaten van [naam 3] van 20 april 2018.

Beoordeling

3.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling staat bij een verzoek om opheffing van de geheimhouding ter beoordeling of ten tijde van dat verzoek nog voldoende grond bestond voor de geheimhouding. Daarbij toetst de rechter of het bestuursorgaan zich, gelet op de inhoud van de verzochte informatie ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich een belang als bedoeld in artikel 10 van de Wob voordoet en of het bestuursorgaan in het betrokken geval in redelijkheid op grond van de Gemeentewet geheimhouding kan opleggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het uitgangspunt van de Wob is dat informatie betreffende bestuurlijke aangelegenheden openbaar is. Openbaarheid is de regel, geheimhouding uitzondering.

3.2

De rechtbank stelt vast dat het geschil enkel betrekking heeft op het openbaar maken van de prijzen van de straatstenen opgenomen in het meer-/minderwerkrapport van [naam 3] . Door eiser is in beroep onweersproken gesteld dat de transactie in kwestie een onderdeel was van een reconstructie rondom het Haarlemse Floraplein. Omdat er te weinig originele stenen zouden zijn om het werk uit te voeren heeft de gemeente een oude partij historische straatstenen (waalformaten) geruild tegen een toereikende partij nieuwe straatstenen (rijnformaten) van de aannemer. Eiser wil weten welke aankoop- en verkoopprijzen bij deze ruil zijn gehanteerd. Het verzoek betreft aldus een specifiek onderdeel in een groter project. Daarbij geldt dat de omstandigheden waaronder de transactie gesloten is eveneens heel specifiek zijn, waarbij een ruil tot stand komt om een acuut probleem in een lopend project op te lossen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in geslaagd is inzichtelijk te maken wat het belang van verweerder is om deze specifieke informatie niet openbaar te maken. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat bij openbaarmaking bekend zal worden welke prijs de gemeente bereid is te betalen voor werkzaamheden voor een dergelijk project. Maar het gaat in dit geval niet om het verrichten van werkzaamheden, maar om een (in omvang beperkte) uitruil van materiaal. Ook eisers standpunt dat inzicht in deze gegevens ertoe kan leiden dat potentiële opdrachtgevers exact zullen weten onder welke omstandigheden de gemeente bereid is een dergelijke overeenkomst aan te gaan, kan de rechtbank niet volgen. De omstandigheden waaronder deze transactie tot stand kwam, waren zeer specifiek. Aangenomen mag worden dat de kans zeer klein is dat een vergelijkbare situatie zich opnieuw zal voordoen. Voor toekomstige transacties zullen de gehanteerde prijzen dan ook weinig houvast kunnen bieden, althans het tegendeel is niet aannemelijk gemaakt. Om dezelfde redenen is ook onevenredige benadeling aan de zijde van [naam 3] onvoldoende duidelijk geworden. De prijzen geven ook slechts een zeer beperkt inzicht in de financiële bedrijfsvoering van [naam 3] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van de geheimhouding niet in redelijkheid opweegt tegen het belang van de openbaarmaking.

4. Op grond van het voorgaande is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen en rekening houden met deze uitspraak. Dat kan leiden tot een nieuwe motivering dan wel een nieuw besluit waarbij de informatie alsnog bekend wordt gemaakt. Gelet op die laatste optie geeft de rechtbank geen toepassing aan de mogelijkheid van een bestuurlijke lus.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, voorzitter, en mr. J.J. Maarleveld en mr. M.P. de Valk, leden, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.