Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5159

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
8975639
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven dus niet rechtsgeldig. Toekenning gefixeerde schadevergoeding maar afwijzing transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen werknemer. Billijke vergoeding nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0885
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8975639 \ AO VERZ 21-3

Uitspraakdatum: 28 april 2021

Beschikking in de zaak van:

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever],

gevestigd te [plaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werkgever]

gemachtigde: mr. J.J. Dekker

De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of de werknemer terecht op staande voet is ontslagen.

De kantonrechter oordeelt in deze zaak dat het ontslag op staande voet ongeldig is, omdat niet is voldaan aan de onverwijldheidseis. Uit de stukken blijkt dat de werkgever al medio oktober 2020 met de verweten gedragingen bekend was, althans dat daarover ernstige verdenkingen bestonden. De werkgever is echter pas op 16 november 2020 tot ontslag overgegaan. Niet is gebleken dat de werkgever in de tussentijd voldoende voortvarend te werk is gegaan. De werkgever wordt daarom veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. Het verzoek tot betaling van een transitievergoeding wordt afgewezen, omdat de kantonrechter vindt dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De billijke vergoeding wordt op nihil gesteld vanwege de verwijtbaarheid van de werknemer en omdat het inkomensverlies met de gefixeerde schadevergoeding al (ruim) is gecompenseerd. De verzoeken tot betaling van achterstallig salaris en openstaand verlof worden toegewezen. Het gelijktijdige verzoek van de werkgever om werknemer te veroordelen tot betaling van een (gefixeerde) schadevergoeding is behandeld in de procedure met zaaknummer 8981363 AO VERZ 21-7.

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft een verzoek gedaan om ten laste van [werkgever] een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen. [werkgever] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 30 maart 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [werknemer] bij e-mails van 18 en 23 maart 2020 nog stukken toegezonden. [werkgever] heef bij e-mail van 23 maart 2021 nog stukken toegezonden. De zaak is tegelijk behandeld met het op 15 januari 2021 ingediende verzoek van [werkgever] (met zaaknummer 8981363 AO VERZ 21-7) om [werknemer] te veroordelen om aan [werkgever] te betalen een gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7: 677 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) en een vergoeding voor de werkelijk door [werkgever] geleden schade.

2 Feiten

2.1.

[werknemer] , geboren [in 1984] , is op 2 juni 2014 in dienst getreden bij [werkgever] . De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van advocaat-medewerker met een salaris van € 5.000,00 bruto per maand. In de arbeidsovereenkomst is geen relatie- of concurrentiebeding opgenomen.

2.2.

[werkgever] is een advocatenkantoor in [plaats] , waarvan [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ) en [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ) (middellijk) bestuurder zijn. Naast [werknemer] waren tot begin 2021 ook [collega 1] , [collega 2] en [collega 3] als advocaat werkzaam bij [werkgever] .

2.3.

Op enig moment in 2020 is tussen [bestuurder 1] en [bestuurder 2] een onenigheid ontstaan, waardoor zij (mogelijk) niet meer (in de bestaande B.V. constructie) met elkaar verder wilden. In navolging daarop is in september 2020 aan [werknemer] en haar collega’s het aanbod gedaan om met elkaar een kostenmaatschap te vormen tegen een inkoopsom van € 80.000,00 per persoon. [werknemer] heeft dit aanbod (net als haar collega’s) eind september 2020 afgeslagen.

2.4.

Op 20 september 2020 heeft [werknemer] een plattegrond van een nieuw kantoor van het mailadres van [werkgever] naar haar privé mailadres gestuurd.

2.5.

Op 28 september 2020 heeft [werknemer] stukken van dossier [dossier A] naar haar privé mailadres gestuurd. [werkgever] heeft een uitdraai van het softwaresysteem Kleos overgelegd waarop te zien is dat [werknemer] die dag ook een groot aantal documenten/dossiers heeft geopend.

2.6.

Bij e-mail van 13 oktober 2020 heeft de secretaresse van [werkgever] [werknemer] gevraagd om al haar dossiers te controleren en per dossier aan te geven of er uit gedeclareerd en gearchiveerd kan worden. [werknemer] heeft diezelfde dag de gevraagde informatie aan de secretaresse gemaild.

2.7.

Vervolgens (ook op 13 oktober 2020) heeft [bestuurder 1] aan [werknemer] (en haar collega’s) geschreven: ‘Tot mijn verbazing constateerde ik dat jij (met collega’s) dossiers van ons kantoor aan het kopiëren bent, terwijl wij allen weten dat er plannen bestaan waarin jij en anderen de praktijk elders willen voortzetten. Het hoeft nauwelijks betoog dat dit in meerdere opzichten zowel wanprestatie als onrechtmatig handelen impliceert’. [werknemer] is gesommeerd het kopiëren onmiddellijk te staken. [bestuurder 1] is vervolgens boos de werkkamer van [collega 1] binnengelopen en is [collega 1] te lijf gegaan.

2.8.

Bij e-mail van 14 oktober 2020 heeft [werknemer] [bestuurder 1] laten weten dat zij zich van geen kwaad bewust is en daarom niet aan zijn verzoek kan voldoen.

2.9.

In een gesprek op 16 oktober 2020 heeft [werkgever] [werknemer] voorgesteld om met een vaststellingsovereenkomst uit dienst gegaan. In de daarop volgende periode is over een vertrekregeling onderhandeld, uitgaande van een uitdiensttreding per 31 december 2020.

2.10.

Op 7 november 2020 heeft [werknemer] vanaf haar [werkgever] e-mailadres gemaild met een designbureau over een logo voor haar eigen advocatenkantoor in [plaats] : [naam] (waarbij [aanduiding 1] staat voor [collega 3] , [aanduiding 2] voor [collega 1] en [aanduiding 3] voor [werknemer] ).

2.11.

Op 16 november 2020 heeft [werkgever] [werknemer] geconfronteerd met een aantal ontdekkingen. Nadat [werknemer] hierop een reactie heeft gegeven, is zij op staande voet ontslagen. De volgende redenen zijn aan het ontslag ten grondslag gelegd:

- wanprestatie c.q. onrechtmatig handelen door op of omstreeks 13 oktober 2020 het dossier [dossier B] weg te nemen en niet terug te geven ondanks sommaties daartoe van 13 oktober 2020;

- het op of omstreeks 13 oktober 2020 ten onrechte en zonder instemming verwijderen van urenstaten en documenten in dossiers [dossier B] , [dossier C] , [dossier D] , [dossier E] en [dossier F] ;

- het hof Amsterdam middels mail van 5 oktober 2020 voorliegen door corona-gerelateerde verschijnselen te veinzen en correspondentie hierover achter te houden en niet in Kleos te registreren (dossier [dossier D] );

- de rechtbank Noord-Holland op of omstreeks 9 oktober 2020 voorliegen dat [werknemer] niet gemachtigd is omdat er geen contact met cliënt geweest zou zijn, terwijl er op 29 september 23020 een bespreking van 66 minuten met client is geweest (dossier [dossier D] );

- het tussen 1 september en 9 oktober 2020 niet ‘declareerbaar’ noteren van gewerkte tijd, waaronder zittingen en besprekingen, terwijl in die periode wel aantoonbaar zittingen en besprekingen hebben plaatsgevonden.

- het op of omstreeks de maand oktober en november niet meer registreren van nieuwe dossiers in Kleos ( [dossier G] , [dossier A] , [dossier H] , [dossier I] ).

2.12.

Bij brief van 18 november 2020 heeft [werknemer] tegen het ontslag op staande voet geprotesteerd.

2.13.

Op 24 november 2020 heeft [werkgever] een klacht over [werknemer] ingediend bij de Deken. Daarin staat onder meer: ‘Onderstaande opsomming van verwijderde urenstaten, documenten en dossiers geven een duidelijk beeld van verduistering in dienstbetrekking die sinds 13 oktober 2020 aan het licht is gekomen en hebben geleid tot het ontslag op staande voet van mr. [werknemer] op 16 november 2020. (…) Ondertussen zag de administratie dat dossiers en urenstaten werden verwijderd. Dat, in combinatie met het ontkennende gedrag, cumuleerde op 13 oktober 2020 tot een aanvaring tussen [bestuurder 1] en [collega 1] . (…) Eerst op 13 oktober 2020 zal hij door de administratie worden gewezen op het feit dat er dossiers/mappen naar privé mailadressen worden gekopieerd en dossiers en urenstaten worden verwijderd. (…)’

2.14.

Bij e-mail van 2 december 2020 heeft [werknemer] [werkgever] laten weten dat zij haar eigen kantoor is gestart en heeft zij gevraagd 33 dossiers te verstrekken van cliënten die hebben gevraagd of [werknemer] hun belangen kan blijven behartigen. [werkgever] heeft (na bemiddeling door de Deken) meerdere dossiers aan [werknemer] verstrekt.

2.15.

[collega 2] , [collega 1] en [collega 3] hebben zich begin 2021 bij [naam] aangesloten.

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven;

II. te verklaren voor recht dat [werknemer] niet gehouden is tot terugbetaling van enig bedrag aan [werkgever] ;

III. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 11.610,00;

IV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 13.500,00;

V. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 40.100,00;

VI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van € 2.700,00 aan achterstallig salaris over de periode 1-16 november 2020, alsmede € 3.233,00 aan niet-genoten vakantiedagen;

VII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het in VI genoemde;

VIII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen;

3.2.

[werknemer] heeft aan haar verzoeken – samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. [werknemer] betwist de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen (deels) en stelt dat, zouden zij juist zijn, zij geen ontslag op staande voet rechtvaardigen. Er is dus geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Het ontslag is bovendien niet onverwijld gegeven en de persoonlijke omstandigheden zijn niet meegewogen. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig.

3.3.

Omdat de opzegging in strijd is met artikel 7:671 BW, heeft [werknemer] recht op een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. De verzochte billijke vergoeding bestaat uit inkomensschade (zonder ontslag op staande voet zou het dienstverband op zijn vroegst per 1 juni 2021 zijn geëindigd) en € 5.000,- aan reputatieschade. De gefixeerde schadevergoeding is gelijk aan het loon over de periode van 16 november 2020 tot 1 februari 2021. Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [werknemer] , moet [werkgever] ook worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding.

4 Het verweer

4.1.

[werkgever] verweert zich en stelt dat alle verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [werknemer] heeft zich bewust, voor eigen gewin en ten nadele van [werkgever] opzettelijk ernstig misdragen en gelogen. [werkgever] heeft voldoende aangetoond dat [werknemer] zich heeft schuldig gemaakt aan de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde gedragingen die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Het ontslag is ook onverwijld gegeven. Na de ontdekkingen op 13 oktober 2020 is Kluwer lang met onderzoek bezig geweest. Pas daarna was duidelijk wat (en in welke omvang) [werknemer] precies had gedaan. Doordat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, moet de verzochte verklaring voor recht, de billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding worden afgewezen. [werknemer] kan ook geen aanspraak maken op een transitievergoeding, aangezien haar handelen ernstig verwijtbaar is.

4.2.

De verklaring voor recht dat [werknemer] niets meer aan [werkgever] verschuldigd is moet worden afgewezen omdat deze niet is onderbouwd. Het verzoekt tot betaling van achterstallig loon over de periode van 1 tot 16 november 2020 moet ook worden afgewezen. [werkgever] heeft op goede gronden verrekend met vorderingen die zij op [werknemer] heeft (gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW en schadevergoeding). Subsidiair wordt verzocht de wettelijke verhoging en rente te matigen.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het op 16 november 2020 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

5.2.

Het verzoek van [werknemer] is ontvankelijk, omdat zij het tijdig (binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd) heeft ingediend (artikel 7:686a lid 4 BW).

5.3.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.

Ontslag op staande voet

5.4.

Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag. Als dringende reden worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.6.

Een vereiste voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is dat het onverwijld wordt gegeven. Het gaat er daarbij om dat de werkgever na het ontdekken van de als dringende reden kwalificerende handeling onverwijld handelt en zo spoedig mogelijk ontslag verleent. Te lang wachten met het instellen van onderzoek naar een mogelijke dringende reden is in strijd met de eis van onverwijldheid. De kantonrechter is van oordeel dat het gegeven ontslag niet aan deze onverwijldheidseis voldoet. Op basis van de e-mail van [bestuurder 1] van 13 oktober 2020 (waarin [werknemer] beschuldigd wordt van het onrechtmatig kopiëren van dossiers), de woede uitbarsting van [bestuurder 1] diezelfde dag en de klachtbrief van 24 november 2020 aan de Deken (waarin is vermeld dat het verwijderen van urenstaten, documenten en dossiers al omstreeks 13 oktober 2020 bij [werkgever] bekend was) gaat de kantonrechter ervan uit dat [werkgever] medio oktober 2020 al met verweten gedragingen bekend was, althans daarvoor serieuze verdenkingen had. De kantonrechter vindt het verweer van [werkgever] , dat zij zich in de brief aan de Deken heeft vergist in het tijdspad, niet aannemelijk. De stelling van [werkgever] dat het verwijderen en niet registreren van uren pas veel later (na onderzoek door Kluwer) aan het licht is gekomen, is niet met stukken onderbouwd. Zo is door [werkgever] niet duidelijk gemaakt wanneer zij Kluwer opdracht tot onderzoek heeft gegeven, hoe en wanneer dat onderzoek is uitgevoerd en wanneer dat onderzoek is afgerond. Hierdoor is voor de kantonrechter niet vast te stellen of [werkgever] na 13 oktober 2020 voldoende voortvarend te werk is gegaan. [werkgever] heeft nog aangevoerd dat zij pas op 16 november 2020 bekend is geworden met onregelmatigheden in dossiers [dossier E] en [dossier F] . Ook daarvan is geen bewijs overgelegd, terwijl de juistheid daarvan gemotiveerd is betwist door [werknemer] . Het kan [werkgever] bovendien niet baten, omdat dit slechts één van de vele gedragingen is die aan het ontslag ten grondslag is gelegd.

5.7.

De conclusie van het voorgaande is dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Hieruit volgt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De opzegging van de arbeidsovereenkomst in daardoor strijd met artikel 7:671 lid 1 BW.

Gefixeerde schadevergoeding

5.8.

Omdat de arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn is opgezegd, heeft [werknemer] recht op de gefixeerde schadevergoeding (artikel 7:672 lid 11 BW), bestaande uit het loon over de periode van 16 november 2020 tot 1 februari 2021. [werkgever] heeft de juistheid van het gevorderde bedrag van € 13.500 bruto niet betwist, zodat dit zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 16 december 2020, een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).

Transitievergoeding

5.9.

Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding wordt afgewezen, omdat de kantonrechter van oordeel is dat [werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (artikel 7:673 lid 7 onder c BW). Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.10.

Eén van de ontslagredenen is dat [werknemer] gewerkte uren niet heeft geregistreerd in de periode van 1 september tot 9 oktober 2020, zodat deze uren niet gedeclareerd konden worden. De kantonrechter is van oordeel dat deze ontslagreden voldoende is aangetoond. Zo heeft [werkgever] een grafiek overgelegd, waarop is te zien dat de omzet van [werknemer] sinds september 2020 scherp is gedaald tot bijna nihil in oktober 2020. Verder is een overzicht van de geschreven tijd in september 2020 overgelegd, waaruit blijkt dat [werknemer] op 19 werkdagen geen tijd heeft geschreven. Uit een printscreen van haar digitale agenda blijkt echter dat er die dagen wel werkzaamheden gepland stonden, zoals een zitting bij het Hof Amsterdam op 7 september en zitting bij de rechtbank Haarlem op 10 september 2020. Verder is een overzicht van de tijdsregistratie overgelegd, waaruit volgt dat [werknemer] in die periode in totaal 13,36 uur voor niet nader gespecificeerde werkzaamheden heeft geschreven op een algemeen, niet declarabel dossier. De ontslagreden dat [werknemer] sinds oktober/november 2020 geen nieuwe dossiers meer heeft geopend in Kleos, betreft in feite hetzelfde verwijt: er zijn voor die dossiers wel werkzaamheden verricht, maar de daarmee gemoeide tijd is niet geregistreerd (want er is die zaken geen dossier geopend, waarop de tijd kon worden geschreven).

5.11.

[werknemer] ontkent niet dat zij gewerkte tijd niet heeft geregistreerd, maar stelt dat het vanwege het thuiswerken lastiger was haar uren te registreren, dat zij daar nog geen tijd voor had gehad door de hectische stressvolle periode op kantoor en privé en dat zij van plan was die tijd op een later moment alsnog te registreren, maar dat dat er door het ontslag niet van is gekomen. Ten aanzien van de nieuwe dossiers voert [werknemer] aan dat er nog niet of nauwelijks werk was verricht, dat binnen [werkgever] niet is vastgelegd wanneer een nieuw dossier moet worden geopend en dat de secretaresse vaak nieuwe dossiers opent.

5.12.

Het verdienmodel in de advocatuur is ‘uurtje-factuurtje’, waarbij het uitgangspunt is dat [werknemer] als advocaat verplicht is een deugdelijke, correcte tijdsregistratie te voeren. Gelet op de erkenning door [werknemer] dat zij niet alle gewerkte tijd heeft geschreven, staat vast dat zij hierin tekort is geschoten. De kantonrechter vindt het niet geloofwaardig dat [werknemer] hier nog niet aan toe gekomen was. [werkgever] heeft (onbetwist) gesteld dat thuis op dezelfde manier gewerkt (en tijd geregistreerd) kan worden als op kantoor, zodat niet valt in te zien waarom het voeren van een correcte tijdsregistratie door het thuiswerken bemoeilijkt wordt. Bovendien strookt dat niet met het feit dat (uit de omzetgrafiek blijkt dat) [werknemer] in de periode van maart tot september 2020 – ondanks het thuiswerken – kennelijk wel in staat was haar tijd te registreren. De kantonrechter vind het vanwege het tijdsbestek tussen de verrichte werkzaamheden (september/oktober) en het ontslag op staande voet (16 november 2020) ook niet aannemelijk dat [werknemer] van plan was de werkzaamheden later nog te registreren. Ten aanzien van het niet openen van nieuwe dossiers strookt het verweer van [werknemer] , dat er nog nauwelijks werk was verricht, niet met stukken van [werkgever] waaruit blijkt dat [werknemer] (in elk geval in dossiers [dossier J] en [dossier A] ) wel werkzaamheden heeft verricht.

5.13.

De kantonrechter stelt vast dat de periode waarin [werknemer] gestopt is met het (correct) schrijven van haar gewerkte tijd en haar omzet is gedaald tot bijna nihil, samenvalt met de periode waarin zij:

- ( heimelijk) voorbereidingen voor haar nieuwe kantoor is gaan treffen (20 september 2020 is de plattegrond gemaild);

- 13,36 uur aan niet nader gespecificeerde tijd op het algemene niet declareerbare dossier heeft geschreven, zonder daarvoor een deugdelijke verklaring te geven;

- op 28 september 2020 talloze documenten en dossiers heeft geopend, zonder daarvoor een deugdelijke verklaring te geven (het verzoek van de secretaresse om dossiers na te lopen was pas van 13 oktober 2020);

- op 28 september 2020 dossierstukken ( [dossier A] ) naar haar privé-adres heeft gemaild zonder dat daarvoor een noodzaak/aanleiding is gebleken.

De kantonrechter gaat er gelet op dit alles vanuit dat het niet ‘per ongeluk’ is geweest dat [werknemer] haar gewerkte tijd niet heeft geregistreerd. Dit is [werknemer] aan te rekenen, omdat zij haar werkgever daarmee inkomsten onthoudt.

5.14.

Een andere ontslaggrond is dat [werknemer] ten onrechte en zonder instemming van [werkgever] urenstaten en documenten heeft verwijderd. Ter onderbouwing hiervan heeft [werkgever] een overzicht overgelegd van handelingen van [werknemer] in Kleos, waarop is te zien dat [werknemer] op 13 oktober 2020 een (aanzienlijk) aantal urenstaten (en documenten) heeft verwijderd uit de dossiers [dossier D] , [dossier F] , [dossier E] , [dossier C] en [dossier B] .

5.15.

[werknemer] erkent dat zij uren heeft verwijderd, maar stelt dat zij dit heeft gedaan naar aanleiding van het verzoek van de secretaresse van [werkgever] op 13 oktober 2020 om haar dossiers na te lopen. Zij heeft de dossiers toen in lijn met de voorwaarden van de Raad voor de Rechtsbijstand gecontroleerd op doelmatigheid en daarbij wellicht per ongeluk iets verkeerd verwijderd, aldus [werknemer] . Dit zou komen doordat [werknemer] op stel en sprong 200 dossiers moest doorlichten in een toch al stressvolle periode. Ten aanzien van de dossiers [dossier D] en [dossier C] geeft [werknemer] nog aan dat zij tijd heeft verwijderd, omdat deze op een ander dossier geschreven had moeten worden, maar dat zij er door het ontslag op staande voet niet aan toe is gekomen die tijd op het juiste dossier te boeken. Ten aanzien van de dossiers [dossier F] , [dossier E] en [dossier B] geeft [werknemer] aan dat zij uren heeft verwijderd om te voorkomen dat deze per ongeluk alsnog in rekening zouden worden gebracht, terwijl de afspraak was dat deze cliënten kosteloos zouden worden bijgestaan. Tot slot stelt [werknemer] dat het verwijderen van uren gebruikelijk is in de advocatuur.

5.16.

De kantonrechter vindt de argumenten van [werknemer] niet geloofwaardig. Allereerst is van belang dat de secretaresse [werknemer] op 13 oktober 2020 uitsluitend heeft gevraagd aan te geven of dossiers uit gedeclareerd of (digitaal) gearchiveerd konden worden. [werknemer] heeft geen opdracht gekregen om urenstaten (en documenten) te verwijderen en zij heeft de kantonrechter er ook niet van kunnen overtuigen waarom dat noodzakelijk zou zijn. Het argument dat de uren anders alsnog per ongeluk gedeclareerd zouden kunnen worden, overtuigt evenmin. [werkgever] heeft daar (onbetwist) tegenin gebracht dat in een dergelijk geval het uurtarief op nul gezet kan worden, zodat de bestede tijd wel zichtbaar blijft maar niet in rekening wordt gebracht. Het verweer van [werknemer] dat zij onjuist geschreven tijd heeft verwijderd om die later op het juiste dossier te boeken, maar dat dat er door het ontslag niet meer van is gekomen is, vindt de kantonrechter vanwege het tijdsbestek tussen het verwijderen van de uren en het ontslag op staande voet, niet geloofwaardig. Tot slot herkent de kantonrechter niet dat het in de advocatuur gebruikelijk zou zijn om (grote hoeveelheden) gewerkte uren te verwijderen. Gelet hierop (en in het licht van wat in 5.12 en 5.13 is overwogen) gaat de kantonrechter er vanuit dat de uren/documenten niet per ongeluk maar doelbewust zijn verwijderd door [werknemer] . Dit is [werknemer] aan te rekenen.

5.17.

Het verweer van [werknemer] dat [werkgever] door haar handelwijze niet is benadeeld omdat het toevoegingszaken zijn waarvoor alleen een forfaitaire vergoeding wordt ontvangen, treft geen doel. Ter zitting heeft [werknemer] bevestigd dat het niet registreren of verwijderen van gewerkte tijd in toevoegingszaken van invloed is/kan zijn op de pro rata verrekening van de forfaitaire vergoeding. Deze vergoeding wordt na afronding van de zaak uitbetaald aan de toegevoegde advocaat. De vergoeding voor lopende dossiers die [werknemer] van [werkgever] heeft meegenomen, wordt dus in zijn totaliteit aan haar uitbetaald, waarna zij een deel - naar rato van de bij [werkgever] verrichte werkzaamheden – aan [werkgever] moet betalen. Indien niet alle in dienst van [werkgever] verrichte werkzaamheden correct zijn geregistreerd, kan [werkgever] bij die verrekening dus worden benadeeld. Dat is anders wanneer [werknemer] deze (niet geschreven/verwijderde) uren correct zou hebben meegenomen in haar verrekeningsvoorstellen, maar dat is niet gebleken. Tot slot wordt ook het verweer van [werknemer] gepasseerd, dat in sommige dossiers kosteloze bijstand is afgesproken. Daarmee blijft namelijk overeind dat in de andere dossiers waarin tijd is verwijderd/niet geschreven, wel betaalde bijstand is verleend, zodat [werkgever] daarin wel benadeeld is/kan worden.

5.18.

De ontslaggrond dat [werknemer] dossier [dossier B] op 13 oktober 2020 heeft weggenomen en ondanks sommatie niet aan [werkgever] heeft teruggegeven, is niet komen vast te staan. [werknemer] heeft dat gemotiveerd betwist, waarna door [werkgever] geen nader bewijs is overgelegd. Datzelfde geldt voor de ontslaggrond dat [werknemer] tegen het Hof Amsterdam en de rechtbank Noord-Holland heeft gelogen over corona-gerelateerde klachten respectievelijk het ontbreken van een machtiging. Hoewel het er de schijn van heeft dat [werknemer] dit heeft gedaan om ervoor te zorgen dat zittingen zouden worden aangehouden tot na de start van haar eigen kantoor, heeft [werknemer] dit gemotiveerd betwist, waarna nadere bewijslevering door [werkgever] is uitgebleven.

Billijke vergoeding

5.19.

Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, is de verschuldigdheid van een billijke vergoeding gegeven. Het geven van een ongeldig ontslag op staande voet moet immers als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever worden aangemerkt.

5.20.

Voor wat betreft de hoogte van de billijke vergoeding geldt dat deze – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Het komt verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan mede worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen. Verder kan rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden. Bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt, dienen bovendien de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatig ontslag te worden betrokken.

5.21.

De kantonrechter ziet met inachtneming van het voorgaande aanleiding de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [werknemer] , zoals hiervoor is overwogen, ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Verder is in aanmerking genomen dat het dienstverband ook zonder het ontslag op staande voet snel zou zijn beëindigd vanwege de plannen van [werknemer] om voor zichzelf te beginnen. Uit de e-mails van 20 september 2020 (plattegrond nieuw kantoor) en 7 november 2020 (logo nieuwe kantoor) blijkt dat de voorbereidingen daarvoor ten tijde van het ontslag al in volle gang waren. In de vaststellingsovereenkomst waarover vóór het ontslag is onderhandeld, was dan ook een uitdiensttreding per 31 december 2020 opgenomen. Daarvan uitgaande is de inkomensschade door het ontslag op staande voet al (ruim) gecompenseerd door de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter zal gelet op het voorgaande ook het verzoek van [werknemer] om bij wijze van billijke vergoeding € 5000,00 aan reputatieschade toe te kennen, afwijzen.

Verklaring voor recht terzake het ontslag op staande voet

5.22.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het verzoek van [werknemer] om voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, worden toegewezen.

Verklaring voor recht terzake terugbetaling

5.23.

Het verzoek om voor recht te verklaren dat [werknemer] niets meer aan [werkgever] hoeft terug te betalen, is door [werknemer] niet toegelicht of (feitelijk) onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.

Uitbetaling achterstallig salaris en openstaand verlof

5.24.

Ten aanzien van het achterstallig salaris heeft [werkgever] erkend dat het loon van 1 tot 16 oktober 2020 van € 2.700,00 bruto niet aan [werknemer] is voldaan. [werkgever] heeft een beroep gedaan op verrekening met vorderingen op [werknemer] , die onderwerp van geschil zijn in de procedure met zaaknummer 8981363 AO VERZ 21-7.

5.25.

Voor verrekening is vereist dat de vorderingen vaststaan, dat wil zeggen dat hun bestaan en de omvang niet onzeker is. De kantonrechter oordeelt dat daaraan in dit geval niet is voldaan, zodat het beroep op verrekening faalt. De door [werkgever] verzochte gefixeerde schadevergoeding is in de andere procedure afgewezen. Het verzoek om voor recht te verklaren dat [werknemer] aansprakelijk is voor door [werkgever] geleden/te lijden schade is weliswaar toegewezen, maar de omvang van de schade is nog onzeker en niet eenvoudig vast te stellen. Omdat [werkgever] geen verweer heeft gevoerd tegen het door [werknemer] gevorderde bedrag, zal dat worden toegewezen.

5.26.

Gelet op het voorgaande slaagt ook het verrekeningsberoep ten aanzien van de openstaande verlofdagen niet. [werkgever] zal daarom worden veroordeeld tot uitbetaling van de openstaande verlofdagen. Daarbij wordt uitgegaan van 5 dagen en 6 uren, zoals door [werkgever] genoemd, omdat [werknemer] de juistheid daarvan niet heeft weersproken.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.27.

De wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het achterstallig salaris en het openstaande verlofsaldo worden eveneens toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 15%. De wettelijke rente wordt niet gematigd.

Proceskosten

5.28.

De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat zij (grotendeels) ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven;

6.2.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een gefixeerde schadevergoeding van € 13.500,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2020 tot de dag van algehele betaling;

6.3.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 2.700,00 bruto aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele betaling;

6.4.

veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] uit te betalen het openstaande verlofsaldo van 5 dagen en 6 uren, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele betaling;

6.5.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 1.254,00, te weten:

griffierecht € 507,00

salaris gemachtigde € 724,00 ;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W . Aardenburg, kantonrechter en op 28 april 2021 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter