Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5153

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
C/15/314776 / KG ZA 21-169
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Enige mate van subjectiviteit is inherent aan de beoordeling van kwalitatieve criteria. Slechts indien sprake is van aperte – procedurele dan wel inhoudelijke – onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. Dat is hier niet het geval. De beoordelingscommissie heeft – mede gelet op de aan haar toekomende beoordelingsvrijheid – in redelijkheid tot de score ‘goed’ in plaats van de score ‘uitstekend’ kunnen komen. Vorderingen tot intrekking van de gunningsbeslissing en tot herbeoordeling van de inschrijving worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2021/1650
JAAN 2021/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/314776 / KG ZA 21-169

Vonnis in kort geding van 30 juni 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUREAU VOOR OVERHEIDSCOMMUNICATIE B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COMMUNICATIEMENSEN.NU B.V.,

gevestigd te Den Haag,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHAALX B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

advocaat mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

zetelend te Haarlem,

gedaagde,

advocaat mr. J.H.C.A. Muller te ’s-Gravenhage,

en

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOXA COMMUNICATIE B.V.,

gevestigd te Tilburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BABBAGE COMPANY B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in het incident, tussenkomende partijen in de hoofdzaak,

advocaat mr. A.J. van de Watering te Rotterdam.

Partijen zullen hierna enerzijds (gezamenlijk in enkelvoud) Partners in Communicatie en anderzijds de Provincie genoemd worden. Tussenkomende partijen zullen respectievelijk Doxa en Babbage worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 april 2021 met 7 producties

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, zijdens Doxa en Babbage

  • -

    de mondelinge behandeling, waarin de tussenkomst van Doxa en Babbage – na door de voorzieningenrechter ter zitting gepasseerd bezwaar van Partners in Communicatie tegen de tussenkomst door Doxa – is toegestaan

  • -

    de pleitnota’s van Partners in Communicatie, de Provincie en van Doxa en Babbage.

1.2.

Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:

  • -

    zijdens Partners in Communicatie:

  • -

    [naam] , Bureau voor Overheidscommunicatie

  • -

    [naam] , SchaalX, en

  • -

    [naam] ,

bijgestaan door mr. Brackmann voornoemd,

  • -

    zijdens de Provincie:

  • -

    [naam] , Senior Inkoopadviseur

  • -

    [naam] , Teamsenior Communicatiebeleid en Middelen (regisseur/verbinder)

  • -

    [naam] , Advocaat in dienstbetrekking

bijgestaan door mr. Muller voornoemd,

  • -

    zijdens Doxa en Babbage:

  • -

    [naam] (Doxa Communicatie B.V.);

  • -

    [naam] (Babbage Company B.V.); en

  • -

    [naam] (Babbage Company B.V.)

bijgestaan door mr. Van de Watering voornoemd en mr. R. van den Brink, kantoorgenoot van mr. Van de Watering

  • -

    OnlyHuman Groep B.V. – toehoorder (via Skype)

  • -

    [naam] , TenderSuccess – toehoorder.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Provincie heeft een Europese openbare aanbesteding ‘Inhuur Communicatie-professionals 2021’ (hierna: de Aanbesteding) uitgeschreven voor het sluiten van een Raamovereenkomst met drie (3) Opdrachtnemers voor het leveren van communicatie professionals, op basis van het gunningcriterium economisch meest voordelige inschrijving (EMVI). Zowel Partners in Communicatie als Doxa en Babbage hebben tijdig en volledig op de Aanbesteding ingeschreven.

2.2.

In de Inschrijvingsleidraad Inhuur Communicatie Professionals (hierna: de Leidraad) is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

(…)

(…)

2.3.

In haar inschrijving op de Aanbesteding heeft Partners in Communicatie onder meer het volgende opgenomen:

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

2.4.

Bij schrijven van 12 maart 2021 heeft de Provincie aan Partners in Communicatie medegedeeld voornemens te zijn om voornoemde opdracht te gunnen aan Future Communications Consultants BV (hierna Future), Doxa en Babbage, wier inschrijvingen de Provincie als economisch meest voordelige inschrijvingen heeft beoordeeld. De inschrijving van Partners in Communicatie is als 4e gerangschikt, na respectievelijk Future, Doxa en Babbage. In die brief is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

(…)

2.5.

Bij e-mail van 29 maart 2021 heeft (de advocaat van) Partners in Communicatie aan de Provincie onder meer het volgende geschreven:

(…)

(…)

2.6.

De Provincie heeft bij e-mail van 31 maart 2021 aan (de advocaat van) Partners in Communicatie onder meer medegedeeld dat de inhoud van bovenstaande mail en de concept-dagvaarding voor haar geen aanleiding geeft om de inschrijving van Partners in Communicatie opnieuw te beoordelen danwel de gunningsbeslissing in te trekken.

3 Het geschil

3.1.

Partners in Communicatie vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. Primair:

(i) de Provincie te veroordelen de gunningsbeslissing (van 12 maart 2021) in te trekken en ingetrokken te houden, en

(ii) de Provincie te gebieden om de inschrijving van Partners in Communicatie te herbeoordelen met inachtneming van het te dezen te wijzen vonnis ten aanzien van de gronden voor herbeoordeling en door een nieuwe beoordelingscommissie die voldoet aan de vooraf verstrekte informatie wat betreft de kwaliteit en kwantiteit, en

(iii) de Provincie te gebieden om na de herbeoordeling van de inschrijving van Partners in Communicatie een nieuwe gunningsbeslissing te nemen;

2. Subsidiair:

(i) de Provincie te veroordelen de gunningsbeslissing (van 12 maart 2021) in te trekken en ingetrokken te houden, en

(ii) de Provincie te gebieden om de inschrijving van Partners in Communicatie te herbeoordelen met inachtneming van het te dezen te wijzen vonnis ten aanzien van de gronden voor herbeoordeling, en

(iii) de Provincie te gebieden om na de herbeoordeling van de inschrijving van Partners in Communicatie een nieuwe gunningsbeslissing te nemen;

3. Meer subsidiair: een andere maatregel te treffen die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van Partners in Communicatie;

4. In alle gevallen: de Provincie Noord-Holland te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van eiseres, alsmede de nakosten (zonder of met betekening) van het in deze zaak te wijzen vonnis, met de aantekening dat als niet binnen veertien (14) kalenderdagen na wijziging van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende (15e) kalenderdag na dagtekening van het vonnis van UEA Voorzieningenrechter tot aan de dag der algehele voldoening;

5. In alle gevallen: een andere op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000 (zegge: vijfentwintig duizend euro), althans een door U Edelachtbare Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of per dagdeel dat gedaagde in gebreke blijft bij de naleving van het vonnis.

3.2.

Aan haar vordering legt Partners in Communicatie – samengevat – ten grondslag dat zij zich niet kan vinden in de scores die de Provincie aan haar inschrijving heeft toegekend. Uit de motivering van die scores blijkt dat de scores op onjuiste gronden zijn toegekend, en dat de redenen waarom de inschrijving van Future bovenaan is geëindigd ook gelden voor Partners in Communicatie. Zij wil en kan zich daarom niet neerleggen bij de gunningsbeslissing van de Provincie.

3.3.

De Provincie voert – zakelijk weergegeven – tot haar verweer aan dat alleen indien sprake is van onduidelijkheden of aperte inhoudelijke onjuistheden die met zich zouden brengen dat de beoordeling van de inschrijving van Partners in Communicatie als ‘goed’ (in plaats van de door Partners in Communicatie gewenste beoordeling ‘uitstekend’) niet deugt, plaats is voor ingrijpen door de rechter. Dat daarvan sprake is, heeft Partners in Communicatie niet (voldoende steekhoudend) beargumenteerd zodat de vorderingen moeten worden afgewezen, aldus de Provincie.

3.4.

Doxa en Babbage voeren als tussenkomende partijen – kort gezegd – tot hun verweer dat de Provincie de inschrijving van Partners in Communicatie juist heeft beoordeeld, alsmede de gunningsbeslissing deugdelijk heeft gemotiveerd. De inschrijvingen van Doxa en Babbage zijn tijdig en geldig ingediend en zij zijn beide als winnaar uit de bus gekomen, zodat niets aan gunning van de opdracht aan hen in de weg staat, aldus Doxa en Babbage.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

Het verzoek van Doxa en Babbage om te mogen tussenkomen – waartegen Partners in Communicatie wel (althans ten aanzien van Doxa) en de Provincie geen bezwaar hebben gemaakt – is ter zitting toegewezen op de grond dat Doxa en Babbage geacht kunnen worden voldoende belang te hebben bij tussenkomst om benadeling van hun eigen rechten en rechtspositie te voorkomen. De vorderingen van Partners in Communicatie strekken immers mede tot intrekking van de gunningsbeslissing, welke vordering – bij toewijzing ervan – ook de rechten en rechtspositie van Doxa en Babbage direct raken. Voorts heeft te gelden dat het geding ten gevolge van de tussenkomst niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt.

In de hoofdzaak

4.2.

Uit vaste rechtspraak van het HvJ EU (zie onder meer HvJ EU 29 april 2004, C-496/99 P, ECLI:NL:XX:2004:BG2419 (Succhi di Frutta), punten 108 en 110) volgt dat de aanbestedende dienst het beginsel van gelijke behandeling moet respecteren. Dit beginsel beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Het betekent derhalve dat voor deze offertes voor alle mededingers dezelfde voorwaarden moeten gelden. De aanbestedende dienst dient voorts het transparantiebeginsel in acht te nemen (zie genoemd arrest Succhi di Frutta, punt 111). Dat beginsel heeft in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Deze eisen betreffen mede de door de aanbestedende dienst te hanteren beoordelingssystematiek.1

4.3.

Het standpunt van Partners in Communicatie is – kort gezegd – dat de Provincie op de kwalitatieve gunningscriteria een onjuiste inhoudelijke beoordeling heeft uitgevoerd. Volgens Partners in Communicatie had zij op (minimaal één van) de onderdelen 2, 3 en 4 een ‘uitstekend’ behoren te krijgen in plaats van de beoordeling ‘goed’ die zij op elk van desbetreffende onderdelen heeft gekregen.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat enige mate van subjectiviteit inherent is aan de beoordeling van kwalitatieve criteria. Weliswaar staat dat (enigszins) op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft – op zichzelf – nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht c.q. die beginselen. Van belang is dat (i) zodanige criteria worden geformuleerd dat het voor een kandidaat-inschrijver volstrekt duidelijk is aan welke kwaliteitseisen hij moet voldoen, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en (iii) de aanbestedende dienst zijn uiteindelijke keuze motiveert op een wijze die het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk maakt om (a) de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen en (b) te controleren of de beoordeling de (voorlopige) gunningsbeslissing rechtvaardigt. Voor het overige komt de rechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwaliteitscriteria. Aan de aangewezen – deskundige – beoordelaars moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund. Dat klemt temeer nu van de rechter niet kan worden verlangd dat hij specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Slechts indien sprake is van – procedurele dan wel inhoudelijke – onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.2

Onderdeel 2: Opleiding en deskundigheidsbevordering

4.6.

In onderdeel 2 van het subgunningscriterium kwaliteit (paragraaf 5.2.2 van de Leidraad, als hierboven geciteerd in 2.2) is onder meer opgenomen dat de Provincie verwacht dat de communicatieprofessionals van inschrijvers een opleidingsaanbod krijgen dat relevant is voor werken bij de Provincie, waarbij de inschrijver borgt dat er zo min mogelijk verschil is tussen enerzijds mensen die in dienst zijn bij de inschrijver en anderzijds zzp’ers die door de inschrijver worden ingehuurd. De hoogte van de te behalen score op dit onderdeel is afhankelijk van (1) de mate van volledigheid van het plan van aanpak van de inschrijver, (2) de mate van borging (SMART), (3) de relevantie van het opleidingsaanbod voor werken bij de Provincie en (4) het (gebrek aan) onderscheid tussen vaste medewerkers en ZZP’ers.

4.7.

In de motivering van de (voorgenomen) gunningsbeslissing van 12 maart 2021 (zie 2.4) is opgenomen dat Partners in Communicatie op dit criterium een ‘goed’ scoort. Ter motivering van die score heeft de Provincie onder meer aangegeven dat de thema’s die in het opleidingsaanbod van Partners in Communicatie aan de orde komen relevant zijn voor de Provincie, dat kandidaten vooraf een uitgebreide screening hebben en dus over vakkennis moeten beschikken, dat Partners in Communicatie voor opleidingsprogramma’s, kennissessies en intervisie zorgt en dat voldoende wordt geboden, maar dat “[h]et wel onduidelijk [is] hoeveel gebruik er van wordt gemaakt. Dit maakt dat het geen beschreven een score goed krijgt.” Voorts heeft de Provincie ter verdere motivering van de beoordeling van de inschrijving van Partners in Communicatie in het kort weergegeven wat Future op dit onderdeel heeft geboden om een ‘uitstekend’ te scoren: “Deze partij biedt alle ingehuurde professionals een speciaal inwerkprogramma dat specifiek gericht is op de provincie Noord-Holland, voordat zij bij de provincie aan de slag gaan. Daarnaast is het onderscheid tussen vaste medewerkers en zzp’ers bij deze partij zeer gering. Hiermee biedt deze inschrijver naar het oordeel van de beoordelingscommissie een onderscheidende meerwaarde, bovenop hetgeen is uitgevraagd ”.

4.8.

Partners in Communicatie heeft in haar inschrijving opgesomd welke opleidings-mogelijkheden zij aan kandidaten biedt. Ter zitting heeft Partners in Communicatie betoogd dat in de uitvraag van de Provincie niet wordt gevraagd naar het gebruik dat kandidaten van de aangeboden opleidingsmogelijkheden maken, terwijl zij daar wel op is beoordeeld, hetgeen volgens haar zou moeten leiden tot herbeoordeling. Dat betoog volgt de voorzieningenrechter niet. Met de Provincie is de voorzieningenrechter van oordeel dat het doel van dit subgunningscriterium onmiskenbaar is dat kandidaten die bij de Provincie aan de slag gaan ook daadwerkelijk ‘beschikken’ over de gevraagde kennis. Dat Partners in Communicatie haar kandidaten de mogelijkheid biedt om die kennis op te doen (bijvoorbeeld door middel van gratis toegang tot bepaalde kennisbronnen en korting voor ZZP’ers), is uiteraard – zoals de Provincie terecht stelt – nog geen beschrijving van hoe Partners in Communicatie ervoor zorgt dat de door haar aan te dragen kandidaten die vakkennis ook werkelijk hebben. De gevraagde borging is daarmee niet (voldoende) uiteengezet. Daaraan draagt bij dat de Provincie onweersproken tot haar verweer heeft aangevoerd dat circa 90% van de door Partners in Communicatie aan te dragen kandidaten ZZP’ers zijn, die niet verplicht zijn om van het door Partners in Communicatie geboden opleidingsaanbod gebruik te maken. Dat Partners in Communicatie de aanwezigheid van de vereiste vakkennis bij door haar aan te dragen kandidaten ‘garandeert’, zoals zij ter zitting heeft benadrukt, maakt het voorgaande niet anders. Niet duidelijk blijft immers hoe zij die garantie gestand zal doen, terwijl Future – aldus de Provincie in haar voorlopige gunningsbeslissing – die borging wel duidelijk(er) heeft omschreven in haar inschrijving. Bij die stand van zaken acht de voorzieningenrechter het niet onbegrijpelijk of onredelijk dat de beoordelingscommissie de inschrijving van Partners in Communicatie als ‘goed’ in plaats van ‘uitstekend’ heeft beoordeeld. Van onjuistheden of onduidelijkheden is dan ook geen sprake.

Onderdeel 3: Wervingsproces

4.9.

Blijkens paragraaf 5.2.3 van de Leidraad (zie 2.2) is het doel van dit subgunnings-criterium om inzicht te krijgen in de wijze waarop inschrijvers hun wervingsproces van kandidaten inricht, waarbij de Provincie voldoende geschikte kandidaten aangeboden wenst te krijgen. De hoogte van de te behalen score op dit onderdeel is afhankelijk van (1) de mate van volledigheid van het plan van aanpak van de inschrijver en (2) de mate van borging van hetgeen gevraagd is.

4.10.

Ook op dit onderdeel scoort Partners in Communicatie een ‘goed’, waarbij in de voorlopige gunningsbeslissing is gemotiveerd dat Partners in Communicatie een grote pool van kandidaten en een goede ontzorging voor de Provincie biedt, maar dat “niet [is] beschreven hoe veel kandidaten in de pool daadwerkelijk beschikbaar zijn voor de provincie [en] het ontbreken van deze beschrijving of borging maakt dat u op dit onderdeel een goed scoort”.

4.11.

Volgens Partners in Communicatie is er een verschil tussen ‘inzetbaarheid’, zoals door de Provincie gevraagd in de Leidraad, en ‘beschikbaarheid’, waarop Partners in Communicatie in de voorlopige gunningsbeslissing is beoordeeld. Omdat de Provincie de inschrijving heeft beoordeeld op een aspect dat niet is uitgevraagd, dient de inschrijving herbeoordeeld te worden, aldus Partners in Communicatie. De voorzieningenrechter deelt die zienswijze niet.

4.12.

Met de Provincie is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Provincie in (sub)gunningscriterium 3 niet alleen heeft gevraagd om geschikte kandidaten, maar om “geschikte kandidaten die inzetbaar zijn voor de provincie Noord-Holland voor de belangrijkste functiecategorieën die de provincie kan uitvragen”. Dat impliceert dat de door de Provincie gevraagde kandidaten niet alleen ‘inzetbaar’ (in de zin van ‘geschikt’ en ‘voldoenend aan het gevraagde functieprofiel’) zijn, maar ook ‘beschikbaar’ (in de zin van ‘direct inzetbaar op een vacature binnen de door de Provincie gevraagde termijn’) zijn. Omdat het voor de beoordelingscommissie uit de inschrijving van Partners in Communicatie niet (voldoende) duidelijk was hoeveel van de door Partners in Communicatie aan te dragen kandidaten ook ‘daadwerkelijk beschikbaar’ zijn voor de Provincie, heeft zij aan Partners in Communicatie een ‘goed’ in plaats van een ‘uitstekend’ toegekend. Ook op dit onderdeel ontbreekt in de inschrijving van Partners in Communicatie de gevraagde borging. Bij gebrek aan (gemiddelde) beschikbaarheidscijfers van de kandidaten uit de pool van Partners in Communicatie, is de omvang van die pool voor de Provincie niet toereikend voor wat betreft het (SMART) borgen van voldoende inzetbaarheid van geschikte kandidaten bij de Provincie. Met andere woorden: dat Partners in Communicatie naar eigen zeggen een aanbiedingsgraad van 98% heeft, maakt nog niet dat zij daarmee de Provincie ook voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe zij uit dat aanbod van kandidaten ook daadwerkelijk steeds voldoende beschikbare kandidaten zal (kunnen) bieden.

4.13.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er op dit onderdeel dan ook geen discrepantie tussen de uitvraag door de Provincie en de beoordeling van de inschrijving door Partners in Communicatie. Evenmin is sprake van onjuistheden of onduidelijkheden die tot herbeoordeling van de inschrijving nopen.

Onderdeel 4: Continuïteit

4.14.

Doel van het vierde onderdeel is om “zo min mogelijk hinder of vertraging te ondervinden in het geval van wisseling van kandidaten”, aldus paragraaf 5.2.4 van de Leidraad. Ook op dit onderdeel is de hoogte van de te behalen score afhankelijk van (1) de mate van volledigheid van het plan van aanpak van de inschrijver en (2) de mate van borging van hetgeen gevraagd is.

4.15.

Aan Partners in Communicatie is op dit onderdeel eveneens de beoordeling ‘goed’ toegekend. Als motivering daarvoor is in de voorgenomen gunningsbeslissing onder meer opgenomen dat “[d]e reden dat u geen uitstekend scoort is dat u Opdrachtgever geen dusdanige onderscheidende meerwaarde biedt, dat dit uitstijgt boven op het geen is uitgevraagd”, terwijl Future die meerwaarde volgens de Provincie wel biedt.

4.16.

Ter zitting heeft Partners in Communicatie gesteld dat aan haar inschrijving een ‘uitstekend’ moet worden toegekend als vastgesteld wordt dat haar inschrijving wél onderscheidende meerwaarde biedt. Daarmee miskent Partners in Communicatie naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter, dat het bij de vraag óf een inschrijving onderscheidende meerwaarde biedt erom gaat dat die inschrijving van meerwaarde voor de Provincie is. Bij de beantwoording van die vraag heeft de beoordelingscommissie bovendien in beginsel een ruime beoordelingsvrijheid. Partners in Communicatie heeft in haar inschrijving – onder meer – aangegeven dat 73% van de kandidaten “al jaren aan hen is verbonden” en meerdere opdrachten via hen heeft gedaan, en dat door hen aangedragen kandidaten gemiddeld 2 jaar actief op hun opdracht bleven voor de Provincie. Wat daar ook van moge zijn, was dit voor de beoordelingscommissie – kennelijk – niet (voldoende) van onderscheidende meerwaarde om haar het predicaat ‘ uitstekend’ toe te kennen. Dit is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk. Uit de inschrijving van Partners in Communicatie volgt immers niet hoe zij de mate van borging van hetgeen gevraagd is gestand denkt te gaan doen.

Conclusie

4.17.

Op grond van het voorgaande heeft de beoordelingscommissie – mede gelet op de aan haar toekomende beoordelingsvrijheid – in redelijkheid tot de score ‘goed’ in plaats van de score ‘uitstekend’ kunnen komen op alle bovenstaande onderdelen van het gunningscriterium kwaliteit. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken van (laat staan aperte) – procedurele dan wel inhoudelijke – onjuistheden of onduidelijkheden, zodat voor rechterlijk ingrijpen geen plaats is. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

4.18.

Partners in Communicatie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.647,00

Aangezien zij ter zitting zijn bijgestaan door dezelfde advocaat, worden de kosten aan de zijde van Doxa en Babbage gezamenlijk begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.647,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de voorziening .

5.2.

veroordeelt Partners in Communicatie in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 1.647,00 en aan de zijde van Doxa en Babbage tot op heden begroot op € 1.647,00, beide te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Partners in Communicatie in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 30 juni 2021.3

1 HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1078 (Rico/Gemeente en Xerox), r.o. 3.4.

2 Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage 19 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9894, r.o. 3.5. Zie ook o.a. Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 10 februari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1299, r.o. 4.3.2 en Vzr. Rechtbank Den Haag 14 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4930, r.o. 5.3.

3 Conc.: 936