Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5089

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
C/15/293321 / HA ZA 19-583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bouwzaak - aannemingsovereenkomst tot de cascobouw van een vrijstaande woning - opdrachtgevers worden veroordeeld tot betaling van drie openstaande facturen van de aannemer - opdrachtgevers hebben geen vordering op de aannemer die verrekend kan worden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/293321 / HA ZA 19-583

Vonnis van 16 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEVELCONCEPT BOUW B.V.

(de dagvaarding is uitgebracht op verzoek van BOUWBEDRIJF DE JONG ’T VELD B.V.),

gevestigd te ’t Veld, gemeente Hollands Kroon,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.E. Koster te Den Helder,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. F.G. Horsting te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Bouwbedrijf De Jong (vrouwelijk enkelvoud) en [gedaagden] (mannelijk enkelvoud) worden genoemd.

1 De zaak in het kort

1.1.

Het gaat in deze zaak om de cascobouw van een vrijstaande woning. De vraag is of de opdrachtgevers nog drie openstaande facturen van de aannemer moeten betalen en of zij zelf nog een vordering op de aannemer hebben. De rechtbank oordeelt dat dit laatste niet het geval is en dat de opdrachtgevers de facturen moeten betalen.

2 De procedure

2.1.

Het dossier omvat de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 20 augustus 2019 met bijlagen 1 t/m 39,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met bijlagen 1 t/m 42,

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2019, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 oktober 2020 en de daarin genoemde stukken, waaronder het door de rechtbank op 10 maart 2020 ontvangen “verzoek rectificatie dagvaarding” van Bouwbedrijf De Jong.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 Feiten

3.1.

Partijen hebben op 5 december 2016 een aannemingsovereenkomst gesloten voor de cascobouw van een vrijstaande woning op een perceel van [gedaagden] De aanneemsom bedroeg € 350.500 inclusief btw en diende in termijnen aan Bouwbedrijf De Jong te worden betaald.

3.2.

De directievoerder van [gedaagden] heeft Bouwbedrijf De Jong op 11 juli 2017 bericht dat de cascowoning die dag opgeleverd had moeten worden. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de contractuele kortingsregeling vanaf 12 juli 2017 van toepassing was. Daarop heeft Bouwbedrijf De Jong aangegeven dat geen sprake was van een bouwtermijnoverschrijding.

3.3.

Bouwbedrijf De Jong heeft vanaf eind juli 2017 meerdere keren aan [gedaagden] laten weten dat de cascowoning gereed was om te worden opgeleverd. [gedaagden] heeft geweigerd hieraan mee te werken omdat de cascowoning niet opleveringsgereed zou zijn.

3.4.

[gedaagden] heeft de vijfde termijnfactuur van 29 augustus 2017 niet betaald.

3.5.

Op 3 november 2017 heeft [gedaagden] Bouwbedrijf De Jong een ingebrekestelling gestuurd met als bijlage een lijst met tekortkomingen.

3.6.

Op 8 december 2017 heeft een spoedplaatsopneming plaatsgevonden door de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

3.7.

Bouwbedrijf De Jong heeft op 21 september 2018 de opleveringstermijn en de eindafrekening van het meer- en minderwerk bij [gedaagden] in rekening gebracht. Ook deze facturen heeft [gedaagden] niet betaald.

4 De vorderingen in conventie en in reconventie

4.1.

Bouwbedrijf De Jong vordert samengevat dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van € 135.016,41 vermeerderd met rente en een bedrag van € 1.651 aan buitengerechtelijke kosten.

4.2.

[gedaagden] heeft een aantal tegenvorderingen ingesteld. [gedaagden] vordert samengevat dat de rechtbank:

I. voor recht verklaart dat Bouwbedrijf De Jong toerekenbaar tekort is geschoten in de aannemingsovereenkomst;

II. Bouwbedrijf De Jong veroordeelt om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van

€ 157.879,65 aan vervangende schadevergoeding, te vermeerderen met rente;

III. Bouwbedrijf De Jong veroordeelt om aan [gedaagden] een korting te betalen van € 81.000 althans een korting aflopend tot een bedrag van € 5.000, te vermeerderen met rente;

IV. Bouwbedrijf De Jong veroordeelt tot betaling van de integrale proceskosten van

€ 13.750,85.

4.3.

[gedaagden] en Bouwbedrijf De Jong voeren over en weer verweer.

4.4.

Op de relevante stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan.

5 De beoordeling

in conventie

Ontvankelijkheid Bouwbedrijf De Jong

5.1.

De rechtbank zal allereerst ingaan op het niet-ontvankelijkheidsverweer dat [gedaagden] heeft gevoerd.

5.2.

[gedaagden] is gedagvaard door Bouwbedrijf De Jong ’t Veld B.V. Volgens [gedaagden] bestaat deze vennootschap niet. [gedaagden] onderbouwt dit standpunt met een kvk-uittreksel van Gevelconcept Bouw B.V. Uit het uittreksel leidt [gedaagden] af dat Gevelconcept Bouw B.V. de rechtsopvolger is van Bouwbedrijf De Jong ’t Veld B.V. Omdat [gedaagden] door een niet-bestaande partij is gedagvaard en een niet-bestaande partij niet als procespartij kan optreden, moet Bouwbedrijf De Jong volgens [gedaagden]

niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.3.

Bouwbedrijf De Jong betwist dit. Bouwbedrijf De Jong voert aan dat van rechtsopvolging geen sprake is. Zij heeft alleen haar statutaire naam gewijzigd in Gevelconcept Bouw B.V. met daarbij nog steeds ‘Bouwbedrijf De Jong ’t Veld’ als één van haar handelsnamen. Bouwbedrijf De Jong onderbouwt dit met kvk-gegevens uit de historie van Gevelconcept Bouw B.V. Dat haar oude in plaats van haar nieuwe statutaire naam in de dagvaarding is opgenomen, berust volgens Bouwbedrijf De Jong op een duidelijke vergissing die voor [gedaagden] niet nadelig is geweest. Bouwbedrijf De Jong verzoekt de rechtbank om de partijnaam in dit vonnis te wijzigen in de huidige statutaire naam.

5.4.

De rechtbank is het niet met [gedaagden] eens dat uit het kvk-uittreksel van Gevelconcept Bouw B.V. is op te maken dat deze vennootschap de rechtsopvolger is van Bouwbedrijf De Jong ’t Veld B.V. Wel leidt de rechtbank uit dit kvk-uittreksel af dat de statuten van Gevelconcept Bouw B.V. op 10 september 2018 zijn gewijzigd. Volgens de historische kvk-gegevens van Gevelconcept Bouw B.V. had deze statutenwijziging op

10 september 2018 te maken met (in ieder geval) de wijziging van de statutaire naam van Bouwbedrijf De Jong ’t Veld B.V. in Gevelconcept Bouw B.V. Het gaat dus om dezelfde vennootschap. De rechtbank volgt Bouwbedrijf De Jong daarom in haar standpunt dat zij de dagvaarding abusievelijk heeft laten uitbrengen onder haar oude statutaire naam.

5.5.

Voor [gedaagden] was duidelijk wie met Bouwbedrijf De Jong ’t Veld B.V. is bedoeld en waarop deze procedure ziet. Gevelconcept Bouw handelt namelijk nog steeds onder de naam Bouwbedrijf De Jong ’t Veld en onder die naam is tussen partijen ook gecontracteerd. [gedaagden] heeft in deze procedure ook inhoudelijk verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. [gedaagden] wordt door de onjuiste partijbenaming en de rectificatie daarvan dan ook niet onredelijk benadeeld of in zijn verdediging geschaad.1 De rechtbank wijst het rectificatieverzoek daarom toe, in die zin dat in de kop van dit vonnis al de huidige statutaire naam van de vennootschap (Gevelconcept Bouw B.V.) als partijnaam is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagden] verwerpt.

in conventie en in reconventie

5.6.

Omdat de vorderingen van partijen met elkaar samenhangen, zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.

Facturen

5.7.

Bouwbedrijf De Jong vordert op grond van de aannemingsovereenkomst betaling van [gedaagden] van een drietal facturen. Het totaalbedrag van deze facturen is € 135.016,41 inclusief btw. Het gaat om de volgende facturen:

  • -

    de vijfde termijn van 29 augustus 2017 van € 87.625,01;

  • -

    de opleveringsfactuur van 21 september 2018 van € 35.050;

  • -

    de eindafrekening meer- en minderwerk van 21 september 2018 van € 12.341,40.

5.8.

De vijfde termijn van € 87.625,01

5.8.1.

[gedaagden] betwist op zich niet dat Bouwbedrijf De Jong deze termijn op grond van de aannemingsovereenkomst in rekening mag brengen als het dak waterdicht is gemaakt. Volgens [gedaagden] was dat op het moment van factureren echter nog niet het geval, zodat de vijfde termijn niet verschuldigd was. Dat het dak toen nog niet waterdicht was, is volgens [gedaagden] te zien op de foto’s die hij als bijlage 34 heeft overgelegd. Op deze foto’s is rechtsonder de datum “02-08-2017” afgedrukt.

5.8.2.

Bouwbedrijf De Jong heeft daartegen ingebracht dat het dak op 3 augustus 2017 is dichtgemaakt en dat deze foto’s dus niets zeggen. De foto’s zijn immers gemaakt voordat het dak werd dichtgemaakt.

5.8.3.

Op dit standpunt van Bouwbedrijf De Jong heeft [gedaagden] niet gereageerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het waterdicht maken van het dak op 3 augustus 2017 is gebeurd en dat de foto’s waarop [gedaagden] zich heeft beroepen zijn genomen voordat Bouwbedrijf De Jong het dak waterdicht heeft gemaakt. Dit betekent dat Bouwbedrijf De Jong de vijfde termijn op 29 augustus 2017 heeft mogen factureren.

5.8.4.

[gedaagden] heeft nog aangevoerd dat ook “de overige stand van het werk” de verschuldigdheid van deze factuur niet rechtvaardigde, wat Bouwbedrijf De Jong heeft betwist. Voor zover [gedaagden] daarmee heeft willen zeggen dat het in rekening brengen van de vijfde termijn (mede) afhankelijk is gesteld van de “overige stand van het werk”, volgt de rechtbank [gedaagden] daarin niet. Dat partijen dit hebben afgesproken, blijkt nergens uit. [gedaagden] onderbouwt dit ook niet.

5.9.

De opleveringsfactuur van € 35.050

5.9.1.

Niet ter discussie staat dat de laatste termijn van de aanneemsom op grond van de aannemingsovereenkomst wordt gefactureerd bij oplevering van het werk. De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagden] dat het werk nooit is opgeleverd en dat hij daarom de opleveringsfactuur niet zou hoeven te betalen. Dit om de volgende reden.

5.9.2.

Bouwbedrijf De Jong heeft uitvoerig onderbouwd dat zij de cascowoning op 21 juli 2017, 3 augustus 2017, 10 en 17 november 2017 en 9 januari 2018 wilde opleveren, maar dat [gedaagden] daaraan weigerde mee te werken omdat het werk volgens hem nog niet opleveringsgereed zou zijn. [gedaagden] heeft dit niet betwist. Bouwbedrijf De Jong stelt zich op het standpunt dat [gedaagden] aan de oplevering had moeten meewerken omdat er geen opleverpunten waren die aan de ingebruikname van het werk als cascowoning in de weg stonden. Dit blijkt volgens Bouwbedrijf De Jong uit de processen-verbaal van oplevering die zij eenzijdig heeft opgesteld en uit het proces-verbaal van spoedplaatsopneming. Naar voren gekomen oplever- en garantiepunten zijn volgens Bouwbedrijf De Jong, voor zover zij toegang kreeg tot het werk, door haar verholpen.

5.9.3.

De rechtbank overweegt dat de opdrachtgever op grond van de wet2 wordt geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard als de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd.

5.9.4.

Bouwbedrijf De Jong heeft sinds 21 juli 2017 meerdere keren te kennen gegeven dat het werk klaar was om te worden opgeleverd. Vaststaat dat [gedaagden] steeds heeft geweigerd om aan de oplevering mee te werken. Na een mislukte mediationpoging in september/oktober 2017 en twee ‘eenzijdige opleveringen’ van Bouwbedrijf De Jong in november 2017, heeft op 8 december 2017 op verzoek van [gedaagden] en in overleg met Bouwbedrijf De Jong een spoedplaatsopneming door de Raad van Arbitrage voor de Bouw plaatsgevonden. Waarom het werk gelet op het proces-verbaal dat van de spoedplaatsopneming is opgemaakt volgens [gedaagden] nog steeds niet klaar was om te worden opgeleverd, heeft hij niet duidelijk gemaakt. Dat het werk toen nog niet opleveringsgereed zou zijn geweest, valt ook moeilijk te rijmen met het onweersproken standpunt van Bouwbedrijf De Jong dat [gedaagden] in 2017 al begonnen is met de afbouw van de cascowoning. Naar het oordeel van de rechtbank moet [gedaagden] daarom worden geacht de cascowoning op 8 december 2017 stilzwijgend te hebben aanvaard. De cascowoning geldt daarom per die datum als opgeleverd. Dit betekent dat Bouwbedrijf De Jong de opleveringsfactuur van 21 september 2018 op goede gronden heeft kunnen versturen en dat [gedaagden] de opleveringstermijn verschuldigd is geworden.

5.10.

Eindafrekening meer- en minderwerk van € 12.341,40

5.10.1.

Bouwbedrijf De Jong stelt dat tot een bedrag van € 12.341,40 sprake is van meerwerk. Dit meerwerk heeft zij met de eindafrekening van 21 september 2018 in rekening gebracht. Met deze eindafrekening heeft Bouwbedrijf De Jong een overzicht van de meer- en minderwerkposten meegestuurd.

5.10.2.

Het meerwerkoverzicht bevat 19 posten (de rechtbank constateert dat post 15 ontbreekt). [gedaagden] heeft post 1 t/m 9 erkend. De overige posten heeft [gedaagden] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist. [gedaagden] heeft in zijn conclusie van antwoord namelijk alleen vermeld dat hij de eindafrekening betwist. Voor de gronden van zijn betwisting heeft [gedaagden] zonder nadere toelichting verwezen naar zijn bijlage 40. [gedaagden] had echter in het processtuk zelf concreet moeten aangeven waarom hij het niet eens is met de verschillende meerwerkposten, zo nodig onder verwijzing naar een bepaalde bijlage. Het is immers niet aan de rechtbank om het verweer van [gedaagden] tegen het meerwerk uit een bijlage te halen. Ook nadat Bouwbedrijf De Jong in haar akte in conventie in reactie op bijlage 40 had uiteengezet waarom sprake is van te vergoeden meerwerk, heeft [gedaagden] zijn verweer tegen het meerwerk niet onderbouwd. De rechtbank dient er dan ook van uit te gaan dat Bouwbedrijf De Jong terecht een bedrag van € 12.341,40 aan meerwerk in rekening heeft gebracht.

5.11.

Slotsom facturen

5.11.1.

Bouwbedrijf De Jong heeft de facturen die in 5.7 zijn genoemd, dus terecht verstuurd. Of de rechtbank [gedaagden] zal veroordelen tot betaling van die facturen tot een totaalbedrag van € 135.016,41 inclusief btw hangt af van de vraag of het beroep van [gedaagden] op verrekening met zijn vorderingen op Bouwbedrijf De Jong slaagt. Die vraag beantwoordt de rechtbank hierna.

Is Bouwbedrijf De Jong haar verplichtingen niet nagekomen?

5.12.

[gedaagden] stelt dat hij een schadevergoedingsvordering op Bouwbedrijf De Jong heeft die hij met de te betalen facturen kan verrekenen. Daaraan legt [gedaagden] ten grondslag dat Bouwbedrijf De Jong haar verplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst niet is nagekomen. Volgens [gedaagden] heeft Bouwbedrijf De Jong niet in overeenstemming met de aannemingsovereenkomst gewerkt. Er zou sprake zijn van gebreken en onderdelen van het werk zouden niet zijn uitgevoerd. Om welke tekortkomingen het concreet gaat, heeft [gedaagden] in zijn processtukken echter niet aangegeven. [gedaagden] verwijst slechts naar de lijst met tekortkomingen die hij met de ingebrekestelling van 3 november 2017 heeft meegestuurd (bijlage 10 van [gedaagden] ) en naar een lijst van 17 november 2017 (bijlage 35 van [gedaagden] ).

5.13.

Bouwbedrijf De Jong betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Volgens Bouwbedrijf De Jong kan zij zich ook onvoldoende verweren tegen de gestelde wanprestatie omdat [gedaagden] niet duidelijk heeft gemaakt wat zij niet goed heeft gedaan. [gedaagden] verwijst immers slechts naar twee lijsten, die volgens Bouwbedrijf De Jong bovendien van elkaar verschillen en achterhaald zijn.

5.14.

De rechtbank geeft Bouwbedrijf De Jong gelijk dat [gedaagden] ter onderbouwing van zijn stelling dat Bouwbedrijf De Jong tekort is geschoten niet kan volstaan met de enkele verwijzing naar een of meer bijlagen. Net als bij het meerwerk, geldt ook hier dat [gedaagden] in zijn processtuk concreet had moeten vermelden waaruit de tekortkoming van Bouwbedrijf De Jong bestaat en welke gebreken zij heeft geconstateerd. Het is niet aan de rechtbank om de standpunten van een partij uit een bijlage af te leiden. Pas op de zitting heeft [gedaagden] desgevraagd een aantal gebreken genoemd. [gedaagden] heeft naar voren gebracht dat het pannendak niet conform bestek is en dat de dakpannen niet goed aansluiten. Bouwbedrijf De Jong heeft dit op de zitting echter gemotiveerd betwist. Aan de eveneens pas op de zitting ingenomen en verder niet door [gedaagden] onderbouwde stelling dat de luifel iets had moeten aflopen, gaat de rechtbank voorbij.

5.15.

De conclusie is dan ook dat [gedaagden] onvoldoende heeft onderbouwd dat Bouwbedrijf De Jong tekort is geschoten in haar verplichtingen op grond van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat de rechtbank de door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht (4.2.I) afwijst en dat Bouwbedrijf De Jong niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schade van € 157.879,65, die volgens [gedaagden] bestaat uit herstelkosten en kosten om het werk af te maken (4.2.II).

5.16.

Ook als de conclusie was geweest dat Bouwbedrijf De Jong haar verplichtingen niet (correct) was nagekomen, zou de rechtbank hebben geoordeeld dat voor een schadevergoeding geen plaats is. Dit omdat Bouwbedrijf De Jong de schade betwist, terwijl [gedaagden] ter onderbouwing van zijn schade slechts verwijst naar de schadeopstelling die hij als bijlage 41 heeft overgelegd. De verschillende schadeposten heeft [gedaagden] daarmee niet inzichtelijk gemaakt. Deze zijn bovendien niet onderbouwd met facturen. Die facturen zouden er volgens de stellingen van [gedaagden] wel moeten zijn, omdat [gedaagden] het standpunt heeft ingenomen dat hij gebreken heeft laten herstellen en werkzaamheden door een ander heeft laten afmaken.

5.17.

[gedaagden] heeft dus geen schadevergoedingsvordering die hij met de openstaande facturen van Bouwbedrijf De Jong kan verrekenen. Het onder 4.2.II gevorderde geldbedrag is evenmin toewijsbaar.

Korting

5.18.

Dan moet de rechtbank nog beoordelen of [gedaagden] aanspraak kan maken op enige korting.

5.19.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagden] op grond van paragraaf 42 van de toepasselijke UAV 20123 recht heeft op een korting op de aanneemsom als het werk te laat wordt opgeleverd. Niet in geschil is dat oplevering diende plaats te vinden binnen 85 werkbare werkdagen na gereedkomen van de begane vloer. De korting bedraagt volgens 00.02.42 van het bestek € 500 per kalenderdag.

5.20.

[gedaagden] stelt zich op het standpunt dat het werk op 11 juli 2017 opgeleverd had moeten worden. Omdat oplevering volgens [gedaagden] nooit heeft plaatsgevonden, dient Bouwbedrijf De Jong een korting te betalen van € 81.000. De aan hem te betalen korting komt volgens [gedaagden] neer op bedragen van respectievelijk € 61.000, € 58.500, € 11.500 althans € 5.000 als uitgegaan zou worden van een oplevering op respectievelijk

17 november 2017, 10 november 2017, 3 augustus 2017 althans 21 juli 2017.

5.21.

Bouwbedrijf De Jong bestrijdt dat sprake is geweest van een bouwtermijnoverschrijding. De begane grond is volgens Bouwbedrijf De Jong op 23 maart 2017 gereedgekomen, waarmee de cascowoning op 16 september 2017 diende te worden opgeleverd. De rechtbank zal van 16 september 2017 als uiterlijke opleveringsdatum uitgaan omdat Bouwbedrijf De Jong met een onderbouwde berekening van de werkbare dagen heeft toegelicht hoe zij tot deze datum is gekomen en [gedaagden] dit onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

5.22.

Dat de cascowoning niet op 16 september 2017 is opgeleverd maar pas op

8 december 2017 als opgeleverd wordt aangemerkt (zie 5.9.4), leidt evenwel niet tot toepassing van de kortingsregeling van paragraaf 42 UAV 2012. De rechtbank is het met Bouwbedrijf De Jong eens dat een korting hier niet op zijn plaats is. Bouwbedrijf De Jong heeft namelijk meerdere keren geprobeerd het werk op te leveren. Daar komt bij dat partijen in september en oktober 2017 mediation hebben geprobeerd. Bovendien staat vast dat [gedaagden] Bouwbedrijf De Jong op 20 oktober 2017 heeft gesommeerd om de werkzaamheden te staken, waarop zij bij brief van 3 november 2017 weer is teruggekomen. Een korting op grond van een bouwtermijnoverschrijding past niet bij een dergelijke gang van zaken. De kortingsregeling is namelijk niet geschreven voor een situatie waarin de opdrachtgever zelf een zo duidelijk aandeel heeft in de ontstane vertraging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagden] geen aanspraak kan maken op een korting die hij met de openstaande facturen kan verrekenen. Een geldbedrag wijst de rechtbank daarom evenmin toe (4.2.III).

Slotsom + rente

5.23.

De rechtbank zal [gedaagden] veroordelen tot betaling van de openstaande facturen. Alle tegenvorderingen van [gedaagden] zal de rechtbank afwijzen.

5.24.

Bouwbedrijf De Jong vordert een contractuele rente van 6% over de gefactureerde bedragen, te rekenen vanaf 30 dagen na factuurdatum. Daarvan baseert Bouwbedrijf De Jong 4% op artikel 4 lid 3 van de aannemingsovereenkomst en 2% op de UAV 2012 “voor zover de UAV 2012 in deze mede van toepassing zijn”. Bouwbedrijf De Jong voldoet hiermee, wat de gevorderde 2% rente betreft, niet aan haar stelplicht.

De contractuele rente van 4% wijst de rechtbank wel toe omdat [gedaagden] deze onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Volgens [gedaagden] moet de contractuele rente worden afgewezen omdat ingeval van tegenstrijdigheden tussen bestek en aannemingsovereenkomst de tekst van het bestek prevaleert. Waar die tegenstrijdigheid uit bestaat en waarom op grond van het bestek ook de gevorderde 4% rente zou moeten worden afgewezen, heeft [gedaagden] niet duidelijk gemaakt.

Buitengerechtelijke kosten

5.25.

Bouwbedrijf De Jong maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij vordert € 1.651 gebaseerd op de factuur van 29 augustus 2017 van

€ 87.625,01. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is omdat het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Bouwbedrijf De Jong heeft aan [gedaagden] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW (de brief van 21 september 2018, bijlage 39 van Bouwbedrijf De Jong). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

Proces- en nakosten

5.26.

Omdat de vorderingen van Bouwbedrijf De Jong worden toegewezen en de tegenvorderingen van [gedaagden] worden afgewezen, zal [gedaagden] zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten in conventie aan de kant van Bouwbedrijf De Jong tot vandaag worden begroot op een bedrag van € 8.540,21. Dat bedrag bestaat uit explootkosten (dagvaarding) van

€ 85,21, griffierecht van € 4.030 en een bedrag van € 4.425 (2,5 punten × tarief V) aan salaris advocaat.

De kosten in reconventie aan de kant van Bouwbedrijf De Jong tot vandaag worden begroot op een bedrag van € 2.491 (2 punten × tarief VI × factor 0,5).

5.27.

Bouwbedrijf De Jong maakt in reconventie aanspraak op de nakosten. Nakosten zijn in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten en de over de nakosten gevorderde wettelijke rente zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

5.28.

[gedaagden] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde hoofdelijke veroordeling. De rechtbank zal [gedaagden] daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling van de facturen en de buitengerechtelijke incassokosten. Dat geldt ook voor de kosten in reconventie.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Bouwbedrijf De Jong te betalen een bedrag van € 87.625,01 inclusief btw, te vermeerderen met een rente van 4% over dit bedrag vanaf het moment dat 30 dagen zijn verstreken na de factuurdatum tot de dag van algehele voldoening,

6.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Bouwbedrijf De Jong te betalen een bedrag van € 35.050 inclusief btw, te vermeerderen met een rente van 4% over dit bedrag vanaf het moment dat 30 dagen zijn verstreken na de factuurdatum tot de dag van algehele voldoening,

6.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Bouwbedrijf De Jong te betalen een bedrag van € 12.341,40 inclusief btw, te vermeerderen met een rente van 4% over dit bedrag vanaf het moment dat 30 dagen zijn verstreken na de factuurdatum tot de dag van algehele voldoening,

6.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Bouwbedrijf De Jong te betalen een bedrag van € 1.651 aan buitengerechtelijke incassokosten,

6.5.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de kant van Bouwbedrijf De Jong tot op vandaag begroot op € 8.540,21,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.7.

wijst het gevorderde af,

6.8.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, aan de kant van Bouwbedrijf De Jong tot op vandaag begroot op € 2.491,

6.9.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 163 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in conventie en in reconventie

6.10.

verklaart dit vonnis behalve de onderdelen 6.6 en 6.7 van het dictum uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2021.4

1 De rechtbank geeft hiermee toepassing aan vaste rechtspraak, zie Hoge Raad 14 december 2007, ECLI:NL:HR:BB4765

2 Artikel 7:758 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)

3 Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012

4 type: NMB coll: