Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5088

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
C/15/275934 / HA ZA 18-450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eindvonnis na ECLI:NL:RBNHO:2019:8034 - verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/275934 / HA ZA 18-450

Vonnis van 26 mei 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.M. Vessies te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 augustus 2019 (hierna: het tweede tussenvonnis),

  • -

    de akte uitlating tevens akte overlegging producties van [gedaagde] met producties 60 t/m 62,

  • -

    de antwoordakte van [eiseres] ,

  • -

    het deskundigenbericht van 18 januari 2021 met bijlagen,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres] met productie 25,

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] met productie 62 t/m 64.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 1 mei 2019 (hierna: het eerste tussenvonnis) geoordeeld over hoe de verschillende bestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen verdeeld moeten worden. Ook zijn in het eerste en tweede tussenvonnis oordelen gegeven over ieders draagplicht voor de schulden en daarmee samenhangende regresvorderingen van partijen.

2.2.

Het gaat in deze zaak nog om de vraag of de waarde van de bij Avéro Achmea afgesloten lijfrenteverzekering [polisnummer 1], net als die van lijfrenteverzekering [polisnummer 2], is overgezet naar de Novapolis met nummer [polisnummer 3] (in de tussenvonnissen aangeduid als de beleggingsverzekering bij Legal & General, hierna ook te noemen: Novapolis). Daarnaast moet nog een oordeel worden gegeven over kort gezegd de waarde van de vof op 1 september 2016.

Polis [polisnummer 1]

2.3.

[gedaagde] is in het eerste tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om bij akte bewijsstukken te overleggen van de door hem gestelde overzetting van polis [polisnummer 1]. Ter onderbouwing van de overzetting van deze polis heeft [gedaagde] productie 56 overgelegd. Volgens [gedaagde] bevat productie 56 een afschrift van correspondentie van Avéro Achmea van 14 juni 2016 waarin wordt bevestigd dat de afkoopwaarde van polis [polisnummer 1] per 1 juni 2016 van netto € 1.430,76 (afkoopwaarde van € 2.254,94 minus inhoudingen van

€ 824,18) zal worden overgemaakt naar een rekening van Novapolis. In het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] met productie 56 niet heeft aangetoond dat de polis is overgezet omdat getwijfeld werd aan de echtheid van productie 56. De rechtbank heeft [gedaagde] vervolgens bevolen om stukken in het geding te brengen waaruit de status van polis [polisnummer 1] blijkt (wel of niet afgekocht, per welke datum en voor welke waarde dan wel opgave van de actuele waarde). De zaak is daartoe naar de rol verwezen voor een door [gedaagde] te nemen akte.

2.4.

In zijn akte na het tweede tussenvonnis is [gedaagde] bij zijn standpunt gebleven dat uit het bericht van Avéro Achmea van 14 juni 2016 (productie 56) blijkt dat de nettowaarde van polis [polisnummer 1] zou worden overgeschreven naar een rekeningnummer ten name van Novapolis. Daarbij heeft [gedaagde] nog productie 61 en 62 overgelegd. Volgens [gedaagde] zijn dit twee aanvullende clausulebladen van de Novapolis die zijn assurantietussenpersoon hem naar aanleiding van het tweede tussenvonnis heeft toegestuurd. De extra stortingen op de Novapolis als gevolg van de overzetting van beide Avéro Achmea polissen zijn volgens [gedaagde] daarop te zien. Productie 61 ziet op de extra storting afkomstig van polis [polisnummer 2]

(€ 18.245,36) en productie 62 op die van polis [polisnummer 1] (€ 2.254,94).

2.5.

In haar antwoordakte trekt [eiseres] de overzetting van polis [polisnummer 1] wederom in twijfel onder meer omdat beide stortingen staan genoemd op “pagina 1 Aanvullend clausuleblad 3”. Als de overgelegde clausulebladen betrekking hebben op twee verschillende stortingen, dan had het volgens [eiseres] voor de hand gelegen dat aanvullend clausuleblad 3 bestond uit pagina 1 en 2 of dat er een aanvullend clausuleblad 4 was afgegeven waarop de storting afkomstig van polis [polisnummer 1] is vermeld.

2.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens productie 62 is op 6 mei 2016 een bedrag van € 2.254,94 extra op de Novapolis gestort. Op het clausuleblad staat dat deze extra storting afkomstig is van de beëindigde polis [polisnummer 1]. Dat op 6 mei 2016 met betrekking tot polis [polisnummer 1] € 2.254,94 gestort is, valt niet te rijmen met het bericht van Avéro Achmea van 14 juni 2016 waarop [gedaagde] zich ook heeft beroepen. Volgens dat bericht ging het namelijk om een bedrag van € 1.430,76 (de nettowaarde) en moest dat bedrag op 14 juni 2016 nog op de Novapolis worden gestort. Daar komt bij dat volgens de digitale polisgegevens van de Novapolis van 8 september 2016 (productie 28 van [gedaagde] ), die op de zitting van 5 maart 2019 zijn besproken, de laatste premiebetaling heeft plaatsgevonden op 6 mei 2016. Volgens deze polisgegevens is toen € 22.782,36 aan premie betaald en bedraagt de jaarlijks te betalen premie € 4.537. Het bedrag van de premiebetaling van € 22.782,36 verminderd met de jaarlijks te betalen premie van € 4.537 komt neer op een bedrag van € 18.245,36. Precies dat bedrag is de waarde geweest van de andere Avéro Achmea polis ([polisnummer 2]) die volgens productie 61 extra op de Novapolis is gestort. Daarin kan bevestiging worden gezien dat tot 8 september 2016, naast de jaarlijkse premie en de extra storting afkomstig van polis [polisnummer 2], geen extra storting meer op de Novapolis is gedaan.

2.7.

[gedaagde] kan daarmee niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de waarde van polis [polisnummer 1] is overgezet. Na twee keer in de gelegenheid te zijn gesteld om over de overzetting bij akte duidelijkheid te verschaffen, zal [gedaagde] geen gelegenheid meer krijgen om de overzetting aan te tonen. Dit betekent dat ervan uit wordt gegaan dat polis [polisnummer 1] op 1 augustus 2016 niet is overgezet en dus onderdeel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank zal polis [polisnummer 1] aan [gedaagde] toebedelen, onder de verplichting van [gedaagde] om de helft van de brutowaarde daarvan per datum van dit vonnis aan [eiseres] te betalen.

Deskundigenbericht

2.8.

Ook de waarde van het aandeel (de economische gerechtigdheid) van ieder van partijen in de vof is onderdeel van de per 1 augustus 2016 ontbonden huwelijksgemeenschap. In het eerste tussenvonnis is geoordeeld dat de onderneming aan [gedaagde] wordt toegedeeld onder verrekening van de waarde van het aandeel van [eiseres] per

1 september 2016 (de helft van de waarde van de vof in het economische verkeer). Om te kunnen beoordelen wat die waarde was, heeft de rechtbank in het tweede tussenvonnis drs. P. Hoiting RA RV van Sman Business Value benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 18 januari 2021 zijn rapport met bijlagen uitgebracht.

2.9.

De aan de deskundige voorgelegde vragen en de antwoorden die hij daarop samenvattend onder hoofdstuk 6 van zijn deskundigenbericht heeft gegeven, zijn hieronder weergegeven.

1. Wat is de onderhandse vrije verkoopwaarde van het bedrijfspand per 1 september 2016? Voor de beantwoording van deze vraag dient u een makelaar in te schakelen.

Antwoord:

Het taxatierapport stelt een onderhandse vrije verkoopwaarde vast van € 140.000.

2. Wat is de waarde van de vof in het economische verkeer per 1 september 2016 met inachtneming van wat onder 4.20.5 tot en met 4.20.7 van het eerste tussenvonnis en onder 2.15 van het tweede tussenvonnis is overwogen? Met andere woorden: wat zou een derde op 1 september 2016 voor de onderneming hebben willen betalen? Welke waarderingsmethode(n) en maatsta(f)(ven) ligt/liggen voor de beantwoording van deze vraag voor de hand en waarom? Als meerdere waarderingsmethoden en maatstaven voor de hand liggen, tot welke verschillende uitkomsten leiden deze dan? Is er één methode die u de meest juiste vindt? Zo ja/nee, waarom?

Antwoorden:

De waarde is nihil (negatief). Verkoop is niet mogelijk uitgaande van een rationeel handelende koper. We onderscheiden toekomstgerichte waarderingsmethoden en methoden op basis van intrinsieke waarde.

De meest gangbare waarderingsmethoden zijn toekomstgericht. De discounted cashflow methode, waarvan de APV methode een variant is, gaat uit van de vrije geldstromen, dus de gelden die de eigenaar (koper) aan de onderneming kan onttrekken zonder de prognose die basis is voor de waardering, in gevaar te brengen. Deze methoden gaan uit van voortzetting van de onderneming.

De intrinsieke waarde-methode gaat uit van het eigen vermogen van de onderneming, waarbij activa en passiva op ‘fair value’ zijn gewaardeerd. Dit is een indicatie van de liquidatiewaarde in een ordentelijk proces (dus niet gedwongen of in geval van faillissement).

a. Deze methode is minder goed toepasbaar in een situatie waarbij de activiteiten worden voortgezet. In die gevallen is de toekomstgerichte methode aan te bevelen (superieur).

b. Als sprake is van staking, kunnen de verschillende activa en passiva toch een marktwaarde hebben die hoger is dan de boekwaarde. Door te waarderen op marktwaarde (fair value) komt deze meerwaarde tot uiting op de slotbalans. In die gevallen kan ook waarde toegekend worden aan immateriële activa, zoals een merk, website of klantenbestand (deze activa worden bij toekomstgerichte methoden impliciet in de waardering betrokken). De naar verwachting te behalen omzet wordt immers verkregen door inzet van deze activa. Bij staking van de activiteiten kunnen deze activa voor een derde nog waarde hebben. Ook in geval van een faillissement kan deze waarde nog bestaan. Het komt bijvoorbeeld regelmatig voor dat curatoren uit de failliete boedel klantenbestanden verkopen.

In deze casus is geen sprake van continuïteit. De vof heeft een negatief eigen vermogen, en de ontwikkeling van omzet en resultaat is negatief. De heer [gedaagde] geeft aan geen herstel te verwachten.

De toekomstgerichte waarderingsmethode is niet van toepassing.

Op de slotbalans zijn de activa gewaardeerd op fair value. De slotbalans toont alsnog een negatief eigen vermogen. Zelfs als immateriële activa worden meegewogen (klantenbestand, merk, website) zou geen positief eigen vermogen ontstaan. Overigens geeft de heer [gedaagde] aan dat van dergelijke immateriële activa geen sprake is.

Wij verwijzen naar de voorgaande antwoorden. Er is sprake van discontinuïteit. De intrinsieke waarde-methode sluit daarbij het best aan. Toepassing daarvan leidt niet tot een positief eigen vermogen.

2.10.

[eiseres] heeft er in haar conclusie na deskundigenbericht bezwaar tegen gemaakt dat [gedaagde] de jaarcijfers 2012 niet aan de deskundige heeft verstrekt. Wat dit voor het deskundigenbericht en de waardering van de vof betekent, heeft [eiseres] niet duidelijk gemaakt. Voor zover [eiseres] daarmee heeft willen zeggen dat het deskundigenrapport niet tot stand is gekomen volgens de daaraan te stellen eisen, wordt zij daarin niet gevolgd. Uit het deskundigenbericht volgt welke bescheiden door de deskundige zijn gebruikt en dat de deskundige op basis daarvan in staat is geweest de waarde van de vof per 1 september 2016 te bepalen. In het deskundigenbericht is vermeld dat de kolommenbalans 2012 niet is aangeleverd. Bij de duiding van de historische resultaten vanaf 2010 ontbreken zichtbaar de gegevens over 2012. [eiseres] wist dit, maar heeft daar in haar aan de deskundige geleverde commentaar geen punt van gemaakt. Zij kan dit achteraf niet alsnog (op onduidelijke gronden) doen.

2.11.

In haar conclusie na deskundigenbericht heeft [eiseres] nog naar voren gebracht dat de deskundige niet alle vragen heeft beantwoord die zij hem naar aanleiding van het concept deskundigenbericht bij brief van haar advocaat van 30 november 2020 (bijlage 6 van het deskundigenbericht) heeft gesteld. Dat is niet juist. Uit de reactie van de deskundige (bijlage 7 van het deskundigenbericht) volgt dat haar vragen wel zijn beantwoord. Op een aantal vragen is de deskundige weliswaar niet inhoudelijk ingegaan, maar hij heeft in zijn reactie aangegeven waarom hij dat niet heeft gedaan. Volgens de deskundige vielen de betreffende vragen buiten zijn opdracht. Omdat [eiseres] bovendien in haar conclusie na deskundigenbericht niet heeft onderbouwd wat de relevantie is van deze vragen voor de waardering van de vof per 1 september 2016, zal dit bezwaar van [eiseres] worden verworpen.

2.12.

Het deskundigenbericht is naar het oordeel van de rechtbank op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De rechtbank zal het deskundigenbericht daarom als uitgangspunt voor haar beslissing nemen.

2.13.

[gedaagde] kan zich met de inhoud van het deskundigenbericht verenigen. [eiseres] kan dat niet. Zij stelt zich op het standpunt dat de deskundige de waarde van de vof ten onrechte heeft vastgesteld op nihil. Het eigen vermogen van de vof is volgens [eiseres] niet € 70.000 negatief zoals door de deskundige is vastgesteld. Volgens [eiseres] is sprake van een positief eigen vermogen van € 116.700 omdat geen rekening dient te worden gehouden met de exorbitante afschrijving die in 2016 op het bedrijfspand heeft plaatsgevonden. Deze afschrijving is het gevolg geweest van een versnelde afschrijving gebaseerd op een afschrijvingstermijn van 20 jaar. Dit terwijl de vof in de jaren daarvoor een afschrijvings-termijn hanteerde die past bij de uitgangspunten van de fiscus. Met verwijzing naar informatie die zij op de website van de fiscus heeft gevonden, wijst [eiseres] erop dat de afschrijvingstermijn gerelateerd is aan de gebruiksduur van het bedrijfspand en dat deze volgens de fiscus meestal 30 tot 50 jaar is. [eiseres] is het niet eens met de door de deskundige gehanteerde afschrijvingsmethodiek. Dit omdat deze, naar de rechtbank begrijpt, eveneens gebaseerd is op een afschrijvingstermijn van 20 jaar en daarmee ongebruikelijk zou zijn.

2.14.

De rechtbank stelt voorop dat de deskundige op basis van de Adjusted Present Value-methode, waarbij de verwachte geldstromen een rol spelen, heeft vastgesteld dat de onderneming geen waarde heeft. Vervolgens heeft de deskundige ook beoordeeld of de onderneming op basis van de balanswaarde per 31 augustus 2016 enige waarde heeft.

2.15.

In het deskundigenrapport is aandacht besteed aan de willekeurige afschrijvingen van de vaste activa in 2016, waaronder die van het bedrijfspand. Vermeld is dat op het bedrijfspand boven de reguliere afschrijvingen een bedrag van € 142.008 is afgeschreven, waarmee het bedrijfspand werd afgewaardeerd naar € 140.000. Uit het deskundigenbericht volgt dat partijen hebben afgesproken dat de deskundige geen makelaar hoefde in te schakelen voor de waardering van het bedrijfspand en dat het taxatierapport dat eerder op verzoek van de SNS Bank is uitgebracht door de deskundige kon worden gebruikt. Omdat de onderhandse vrije verkoopwaarde van het bedrijfspand door de taxateur gewaardeerd is op € 140.000, kon de deskundige bij de waardering van de vof van deze waarde uitgaan. Daarbij heeft de deskundige een afschrijvingstermijn gehanteerd van 20 jaar. [eiseres] heeft in haar commentaar op het concept deskundigenbericht (bijlage 6 van het deskundigenbericht) opgemerkt dat de fiscus de periode van afschrijving van een bedrijfspand relateert aan de gebruiksduur ervan. Zij heeft aan de deskundige gevraagd waarom hij vindt dat de gebruiksduur van het bedrijfspand slechts 20 jaar is. De deskundige heeft in zijn reactie daarop aangegeven dat boekhoudkundig en bedrijfseconomisch een levensduur van 20 jaar met de gehanteerde restwaarde van het pand gebruikelijk is (bijlage 7 van het deskundigenbericht).

2.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] onvoldoende aangetoond dat het hanteren van een afschrijvingstermijn van 20 jaar in dit geval onjuist is. Dat volgens de fiscus in de meeste gevallen de gebruiksduur van een bedrijfspand zal liggen tussen de 30 tot 50 jaar betekent niet dat een termijn van 20 jaar hier door de deskundige niet kon worden gehanteerd. [eiseres] heeft ook niet weersproken dat de fiscus de versnelde afschrijving van het bedrijfspand heeft geaccepteerd. Om in dit geval uit te gaan van een gebruiksduur van het pand van tussen de 30 tot 50 jaar ligt ook niet voor de hand vanwege de door de deskundige gerapporteerde discontinuïteit van de onderneming.

2.17.

De bezwaren van [eiseres] tegen de inhoud van het deskundigenbericht worden dus ook verworpen. De deskundige is in het deskundigenbericht gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat het eigen vermogen van de vof negatief is. De rechtbank acht het deskundigenbericht begrijpelijk en voldoende gemotiveerd en neemt de conclusies van het deskundigenbericht over. Daarmee volgt de rechtbank de conclusie van de deskundige dat het eigen vermogen van de vof negatief is en de vof per 1 september 2016 geen waarde had in het economische verkeer. Daaruit volgt dat het aandeel van [eiseres] in de vof per

1 september 2016 geen (positieve) waarde vertegenwoordigt. De rechtbank zal de onderneming daarom zonder nadere verrekening toedelen aan [gedaagde] .

2.18.

In zijn laatste conclusie heeft [gedaagde] gesteld dat “in het kader van de grote optel- en aftreksom van de diverse posten tussen partijen van de diverse verrekenposten” met de negatieve waarde van de vof van € 70.000,- rekening moet worden gehouden. Voor zover hij daarmee bedoelt dat dit in deze procedure moet gebeuren, is dat onjuist. Zoals de rechtbank in 4.20.3. van het eerste tussenvonnis heeft overwogen, is de financiële afwikkeling (vereffening) van de vof in deze procedure niet aan de orde.

Rekening [rekeningnummer]

2.19.

Deze rekening is in de stukken abusievelijk verkeerd weergeven, namelijk als [rekeningnummer]. Dat het om een verschrijving gaat blijkt uit de eisvermeerdering van [eiseres] (onder f), productie 21 van [eiseres] en productie 39 van [gedaagde] .

2.20.

In het tweede tussenvonnis was nog onduidelijk of deze rekening een zakelijke of privérekening is (zie 4.8.11 en 4.20.6 van het eerste tussenvonnis). De rechtbank maakt uit bijlage 3 van het deskundigenbericht op dat het een zakelijke rekening betreft. Over deze rekening hoeft daarom geen beslissing meer te worden genomen.

Conclusie verdeling en verrekenposten

2.21.

In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank beschreven op welke punten partijen overeenstemming hebben bereikt over de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Door die overeenstemming, kan de rechtbank daarover geen beslissing meer geven. Behoudens de goederen die in dit vonnis zijn besproken, heeft de rechtbank ook al beslissingen gegeven over de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. In verband met de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zoals is overwogen in 4.7.7, 4.8.6, 4.8.7, 4.8.8, 4.8.9, 4.8.10, 4.11.3, 4.11.4, 4.12.3, 4.13.2 van het eerste tussenvonnis en in 2.7 en 2.17 van dit vonnis, wordt [gedaagde] overbedeeld voor een bedrag van € 5.045,02. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [eiseres] . Bij de berekening van de overbedeling heeft de rechtbank geen rekening gehouden met het depot bij de notaris dat aan [eiseres] toekomt. De beslissing hierover is in 3.4 van dit vonnis opgenomen. Verder kon geen rekening worden gehouden met de brutowaarde van polis [polisnummer 1] omdat deze nog niet bekend is (zie 2.7).

2.22.

[eiseres] heeft een regresvordering op [gedaagde] van € 345 (zie 4.16.1 en 4.17.1 van het eerste tussenvonnis). [gedaagde] heeft een regresvordering op [eiseres] van € 3.776,07. Na verrekening resteert een door [eiseres] aan [gedaagde] te betalen bedrag van € 3.431,07. [eiseres] zal tot betaling daarvan worden veroordeeld.

Kosten

2.23.

Omdat partijen met elkaar getrouwd zijn geweest en deze procedure wordt gevoerd in het kader van de afwikkeling daarvan, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.24.

De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundige worden overeenkomstig zijn gespecificeerde eindnota van 21 januari 2021 vastgesteld op € 7.078,53 inclusief btw. Deze kosten dienen bij helfte door ieder van partijen te worden gedragen.

De rechtbank zal beslissen dat [eiseres] de in debet gestelde kosten van de deskundige, te weten een bedrag van € 3.539,26, aan de griffier van de rechtbank dient te voldoen.

[gedaagde] heeft in voorschot voldaan een bedrag van € 4.300, waarvan € 3.539,26 dus voor zijn rekening dient te blijven.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

verstaat dat partijen ten aanzien van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap overeenstemming hebben bereikt zoals vermeld in 4.8.3, 4.8.4, 4.9.1, 4.10.1 van het tussenvonnis van 1 mei 2019,

3.2.

stelt de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast als overwogen in 4.7.7, 4.8.6, 4.8.7, 4.8.8, 4.8.9, 4.8.10, 4.11.3, 4.11.4, 4.12.3, 4.13.2 van het tussenvonnis van 1 mei 2019 en in 2.7 en 2.17 van dit vonnis,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] wegens overbedeling tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van

€ 5.045,02,

3.4.

gelast partijen tot verdeling van het depot bij de notaris over te gaan, waarbij [eiseres] recht heeft op het depotbedrag (€ 17.409,48 vermeerderd met eventuele rente en verminderd met eventueel aan het depot verbonden kosten) en gelast partijen de notaris opdracht te geven het betreffende bedrag aan [eiseres] uit te keren,

3.5.

bepaalt dat partijen, ieder voor de helft, draagplichtig zijn voor de in 4.13.5, 4.14.1, 4.15.1, 4.16.1, 4.17.1, 4.18.3 van het tussenvonnis van 1 mei 2019 en in 2.8 van het tussenvonnis van 28 augustus 2019 genoemde schulden,

3.6.

veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 3.431,07,

3.7.

stelt de kosten van de deskundige vast op € 7.078,53 inclusief btw,

3.8.

bepaalt dat de in debet gestelde kosten van de deskundige bij helfte door ieder van partijen dient te worden gedragen,

3.9.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van € 3.539,26 aan de griffier van deze rechtbank ter zake van de kosten van de deskundige,

3.10.

bepaalt dat [eiseres] het bedrag van € 3.539,26 dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.11.

bepaalt dat van deze kosten van de deskundige een bedrag van € 3.539,27 inclusief btw voor rekening van [gedaagde] dient te blijven en veroordeelt [eiseres] ter zake deze kosten tot betaling van € 3.539,26,

3.12.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.13.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.1

1 type: NMB coll: