Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:5022

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
C/15/287727 / HA ZA 19-294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBNHO:2021:1909. Benoeming deskundige op het gebied van elektrische aandrijfsystemen van vaartuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/287727 / HA ZA 19-294

Vonnis van 16 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRUCTAL FRIESLAND B.V.,

gevestigd te Franeker, gemeente Waadhoeke,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. van Reek te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N.Y. Bakker te Amstelveen.

Eiseres in conventie, verweerster in reconventie zal hierna Structal genoemd worden. Gedaagde in conventie, eiser in reconventie zal hierna [gedaagde] of [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 februari 2021,

  • -

    de akte inzake deskundigenonderzoek met producties van [gedaagde],

  • -

    de akte uitlaten deskundigenonderzoek met één productie van Structal,

  • -

    de akte inzake deskundigenonderzoek van [gedaagde] en

  • -

    de brief van 10 juni 2021 van Structal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis is overwogen dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het aantal deskundigen, de persoon van de deskundige(n) en de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling.

Wenselijkheid deskundigenonderzoek en persoon van de deskundige

2.2.

Partijen zijn het erover eens dat een deskundigenonderzoek wenselijk is en dat volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige.

2.3.

[gedaagde] heeft voorgesteld om een maritiem ingenieur te benoemen met ervaring in conversie en ombouw/verbouw van diverse schepen, waarbij hij verantwoordelijk was voor alle technische systemen inclusief het in de vaart brengen. [gedaagde] heeft de heer P.W. van Loenen (hierna: Van Loenen) aangedragen.

[gedaagde] heeft bezwaar tegen de door Structal voorgestelde deskundige, P. Kendjian (hierna: Kendjian), werkzaam bij Kenco, omdat hij – kort gezegd – niet de vereiste ervaring heeft met betrekking tot passagiersvaartuigen voor zone 2. Ook moet Kendjian niet samen met Van Loenen benoemd worden vanwege een bezwaar uit kostenoogpunt.

2.4.

Structal heeft aangevoerd dat de deskundige deskundig moet zijn op het gebied van het installeren van elektrische aandrijfsystemen in vaartuigen. Dit is volgens Structal van belang, omdat voor een amfibievoertuig als in deze zaak een keur door de Scheepvaartinspectie vereist is. Ook moet de deskundige bekend zijn met de regelgeving, eisen en werkwijze van de Scheepvaartinspectie.

Structal heeft bezwaar tegen Van Loenen, omdat hij niet specifiek deskundig is op het gebied van elektrische aandrijfsystemen en niet duidelijk is of hij bekend is met de regelgeving, eisen en werkwijze van de Scheepvaartinspectie.

Structal heeft voorgesteld om Kendjian te benoemen als deskundige. Kendjian is expert op het gebied van maritieme elektra en elektronica en treedt vaker op als rechtbankdeskundige. Volgens Structal heeft Kendjian aangegeven dat een voorschot van € 2.500,- (ex btw) toereikend is.

2.5.

De rechtbank volgt Structal in haar standpunt dat de deskundige deskundig moet zijn op het gebied van elektrische aandrijfsystemen van vaartuigen. Zonder deze deskundigheid zal het voor een deskundige namelijk lastig of zelfs niet mogelijk zijn om de werkzaamheden op de facturen en werklijst te doorgronden. Hetzelfde geldt voor het standpunt van Structal over de regelgeving, eisen en werkwijze van de Scheepvaartinspectie. De deskundige zal hiervan kennis moeten hebben, omdat vaststaat dat het amfibievoertuig hieraan zou moeten voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Structal voldoende onderbouwd dat Kendjian deze ervaring en kennis heeft.

De rechtbank heeft Kendjian gevraagd als deskundige op te treden. Kendjian heeft hierop meegedeeld hiertoe bereid te zijn en vrij te staan. Kendjian heeft voorgesteld om Kenco BV, de onderneming van hem en zijn compagnon Frank de Jong, als deskundige te benoemen. Kendjian heeft aangegeven de werkzaamheden als deskundige te zullen uitvoeren, waar mogelijk onder zijn leiding eventueel ondersteund door werkzaamheden van zijn compagnon. De rechtbank zal Kendjian benoemen als deskundige en niet Kenco BV, omdat Kendjian persoonlijk is aangezocht vanwege het vertrouwen dat bestaat in zijn deskundigheid. Als Kendjian derden wil inschakelen bij zijn onderzoek is dit onder voorwaarden mogelijk (hoofdstuk 10 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken). De rechtbank zal Kendjian dan ook benoemen als deskundige.

2.6.

[gedaagde] heeft nog voorgesteld dat een boekhouder of accountant de administratie van Structal moet bekijken en beoordelen, als na het onderzoek door voornoemde deskundige nog onduidelijkheid bestaat. Deze deskundige zou moeten beoordelen of de administratie aansluit bij de afspraken zoals neergelegd in de overeenkomst en werklijst.

Volgens Structal is niet in te zien waarom een boekhoudkundig- of accountantsonderzoek vereist zou zijn.

De rechtbank volgt Structal in dit standpunt. [gedaagde] heeft niet onderbouwd wat de reden is dat een dergelijk onderzoek geïndiceerd is en wat de juridische grondslag van dit verzoek is. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit verzoek van [gedaagde].

Vraagstelling

2.7.

[gedaagde] heeft 26 aanvullende vragen voorgesteld om voor te leggen aan de deskundige.

2.8.

Structal heeft bezwaar tegen deze aanvullende vragen, omdat deze niet bijdragen aan de vaststelling welke werkzaamheden uit de facturen zijn overeengekomen in de werklijst en of daarvoor een redelijk bedrag in rekening is gebracht. Structal kan zich vinden in de door de rechtbank voorgestelde vragen en heeft daaraan toegevoegd dat de deskundige er bij de beantwoording van de vragen vanuit moet gaan dat [gedaagde] verantwoordelijk was voor het verkrijgen van de benodigde keur van de Scheepvaartinspectie (en dat [gedaagde] dit erkend heeft waardoor dit punt dus niet in geschil is).

2.9.

De rechtbank is ook van oordeel dat de door [gedaagde] voorgestelde aanvullende vragen niet bijdragen aan de vaststelling welke werkzaamheden uit de facturen zijn overeengekomen in de werklijst en of daarvoor een redelijk bedrag in rekening is gebracht. De voorgestelde vragen gaan aan de ene kant namelijk over de facturen van Structal en de werklijst en daarop zien de door de rechtbank voorgestelde vragen 1 en 2 al. Aan de andere kant hebben de vragen geen betrekking op de vergelijking tussen de facturen en werklijst en zijn voor de beoordeling van het geschil in deze zaak niet relevant. [gedaagde] heeft in ieder geval onvoldoende onderbouwd met welk standpunt dan wel grondslag deze vragen verband houden. De rechtbank zal dan ook geen aanvullende vragen toevoegen aan de eerder voorgestelde vraagstelling.

Wat betreft de verantwoordelijkheid voor de benodigde keur geldt dat [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze door Structal voorgestelde toevoeging. Ook blijkt uit punt 3 van de raamovereenkomst dat partijen zijn overeengekomen: “[gedaagde] heeft de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van een werkbaar (uitvoerbaar) pakket van eisen waar het voertuig aan dient te voldoen voor het verkrijgen van de benodigde keur (Scheepvaartinspectie, SOLAS etc.).” De rechtbank zal dan ook aan de vraagstelling aan de deskundige een opmerking toevoegen, die aansluit bij de bewoordingen uit de raamovereenkomst.

Onderzoek ter plaatse

2.10.

Volgens [gedaagde] moet de deskundige het vaartuig ter plaatse onderzoeken. Structal heeft zich over dit punt niet specifiek uitgelaten, maar heeft wel in het algemeen aangevoerd dat het deskundigenonderzoek bedoeld is om vast te stellen welke werkzaamheden uit de facturen zijn overeengekomen in de werklijst en of daarvoor een redelijk bedrag in rekening is gebracht door Structal.

2.11.

De rechtbank laat het aan de deskundige over of hij het nodig vindt om ter plaatse onderzoek te verrichten.

Voorschot

2.12.

Kendjian heeft aangegeven zijn kosten te begroten op € 7.500,- exclusief btw op basis van 60 werkuren en exclusief eventuele (reis)kostenvergoedingen. [gedaagde] is het eens met het begrote aantal uren en heeft geen opmerkingen over het voorgestelde uurtarief. Structal heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de kostenbegroting.

2.13.

De rechtbank heeft in het vorige tussenvonnis al beslist dat het voorschot door Structal moeten worden betaald.

2.14.

De rechtbank zal de onder de beslissing vermelde deskundige benoemen en de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vaststellen op het in de beslissing vermelde bedrag.

Algemene voorwaarden

2.15.

Kendjian heeft te kennen gegeven zijn onderzoek te willen uitvoeren met inachtneming van zijn algemene voorwaarden.

2.16.

De publiekrechtelijke aard van de rechtsverhouding tussen de rechtbank en een deskundige, zoals geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), verzet zich tegen integrale toepassing van algemene voorwaarden. Deze aansprakelijkheidsbeperking is van toepassing in de verhouding tussen de deskundige en partijen. Daarom heeft de rechtbank partijen op voorhand verzocht met deze beperking in te stemmen. Structal heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft een aantal opmerkingen gemaakt over deze algemene voorwaarden. De rechtbank overweegt dat het deskundigenonderzoek uitgevoerd dient te worden conform de Leidraad deskundigen in civiele zaken en de instructies in dit vonnis. De door [gedaagde] genoemde punten zijn daarin allemaal al verwerkt. De daarin niet genoemde punten acht de rechtbank niet van belang voor de beslissing over het deskundigenonderzoek.

Stukken

2.17.

Volgens [gedaagde] moet een tiental stukken (zoals opgesomd in de laatste akte) aan de deskundige overhandigd worden, zodat de deskundige gedegen onderzoek kan doen. Structal heeft zich over dit punt niet uitgelaten.

2.18.

De rechtbank overweegt dat Structal het procesdossier aan de deskundige moet toesturen. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt dat het procesdossier niet aan de deskundige mag worden toegestuurd, omdat de processtukken een juridische inhoud hebben en de deskundige geen juridisch oordeel mag vellen. Uit de vraagstelling aan de deskundige blijkt namelijk al dat van hem geen juridisch oordeel wordt gevraagd. Als de deskundige overigens van oordeel is dat hij meer stukken nodig heeft om zijn onderzoek goed te kunnen uitvoeren, dan is het aan de deskundige om deze op te vragen bij partijen.

Ten slotte

2.19.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.20.

Als een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige stuurt, moet zij daarvan direct afschrift aan de wederpartij verstrekken.

2.21.

Gelet op het voorgaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Kunt u per factuur en specificatie van werkzaamheden behorend bij die factuur beoordelen of de in rekening gebrachte kosten betrekking hebben op het elektrisch systeem? U wordt verzocht daarbij de door Structal als productie 62 en de door [gedaagde] als productie B (bij de laatste antwoordakte) overgelegde overzichten te betrekken.

  2. Kunt u van die werkzaamheden aangeven onder welke kostenpost van de werklijst deze vallen en of de in rekening gebrachte kosten reëel zijn?

  3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

U moet er bij de beantwoording van de vragen vanuit gaan dat [gedaagde] de verantwoordelijkheid heeft voor het vaststellen van een werkbaar (uitvoerbaar) pakket van eisen waar het voertuig aan dient te voldoen voor het verkrijgen van de benodigde keur (Scheepvaartinspectie, SOLAS etc.).

3.2.

benoemt tot deskundige:

Peter KENDJIAN,

werkzaam bij Kenco BV,

adres: Nieuwendammerdijk 340 H, 1023 BV, Amsterdam,

telefoon: 06 – 11 004 777

emailadres: kenco@kenco.nl

het voorschot

3.3.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 7.500,00 exclusief btw,

3.4.

bepaalt dat Structal het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.5.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

3.6.

bepaalt dat Structal het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,

3.7.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

3.8.

wijst de deskundige erop dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

3.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

3.10.

draagt de deskundige op om uiterlijk twee maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

3.11.

wijst de deskundige erop dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

  • -

    de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

3.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

overige bepalingen

3.13.

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 6 oktober 2021,

3.14.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

  • -

    indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of

  • -

    na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van Structal op een termijn van vier weken,

3.15.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

3.16.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2021.1

1 type: IEV coll: LJS