Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4859

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
15.152395.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor verkrachting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.152395.20 (P)

Uitspraakdatum: 17 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 juni 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum en -plaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Eck en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Baatenburg de Jong, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 oktober 2019 te Haarlem, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het (een of meermalen) seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten;
- het duwen/brengen van zijn vinger(s) en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het likken en/of zuigen van/aan de schaamlippen en/of de clitoris van die [slachtoffer] en/of
- het proberen te tongzoenen met die [slachtoffer]
en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, (een of meermalen) opzettelijk (en met kracht);
- de weg van die [slachtoffer] heeft geblokkeerd door op zijn knieën voor die [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- de benen en/of billen van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of
- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] omlaag heeft getrokken en/of
- het hoofd en/of de kin van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of
- voornoemde handeling(en) heeft uitgevoerd terwijl/nadat die [slachtoffer] (meermalen) verdachte te kennen had/heeft gegeven dat zij dit niet wilde en/of verdachte op/tegen zijn schouders had getikt en/of geduwd.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie zijn de drie verklaringen van aangeefster betrouwbaar, nu aangeefster weliswaar op ondergeschikte punten wisselend heeft verklaard, maar in hoofdlijnen consistente en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd. De aangifte vindt bovendien steun in de getuigenverklaringen van de moeder en toenmalige vriend van aangeefster, de WhatsApp gesprekken met de toenmalige vriend en het aantreffen van DNA van verdachte aan zowel de binnenzijde als buitenzijde van de tailleband van haar onderbroek. De verklaring van verdachte dat aangeefster haar broek liet zakken en dat hij enkel heeft geprobeerd deze omhoog te trekken, is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig. Bovendien heeft hij deze verklaring pas een paar maanden later afgelegd en pas nadat de onderzoeksresultaten van het NFI bekend waren. Volgens de officier van justitie is het onaannemelijk dat aangeefster en haar moeder de verkrachting hebben verzonnen en hun verklaringen in detail op elkaar hebben afgestemd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een

onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster praktisch moeilijk voorstelbaar zijn, inconsistent en op essentiële onderdelen innerlijk tegenstrijdig zijn. Bovendien vindt het ten laste gelegde onvoldoende steun in ander bewijsmateriaal.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken als de onderhavige vaak slechts twee personen, het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader, bij de verweten gedragingen aanwezig zijn geweest. Dit brengt mee dat, bij een ontkennende verdachte, de verklaringen van het slachtoffer van doorslaggevend belang zijn voor het bewijs. Dat is in deze zaak ook het geval.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat aangeefster en verdachte op 3 oktober 2019 samen in de woning van verdachte aanwezig waren en dat op enig moment de (onder)broek van aangeefster naar beneden is gegaan en door verdachte zowel aan de binnenzijde als buitenzijde is aangeraakt. Dit volgt zowel uit het op de binnen- en buitenzijde van de tailleband van de onderbroek van aangeefster aangetroffen DNA van verdachte als uit zijn verklaring ter terechtzitting. Verdachte heeft echter ontkend dat seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Uit het dossier volgt verder dat de politie op 4 oktober 2019 een informatief gesprek heeft gevoerd met aangeefster, waarna zij op 17 oktober 2019 aangifte heeft gedaan en op 6 november 2019 aanvullend is gehoord. De rechtbank stelt vast dat aangeefster in de verhoren op essentiële punten wisselend heeft verklaard. Zo heeft zij verschillend verklaard over de seksuele handelingen, zoals over de wijze waarop het beffen en het vingeren zou hebben plaatsgevonden (bijvoorbeeld dat uit de aangifte volgt dat ze ook de tanden van verdachte voelde en dat hij daarmee haar schaamlippen wilde vastpakken en met welke hand is gevingerd), alsmede de duur daarvan, de intensiteit en in hoeverre zij dit al dan niet heeft gezien. Ook heeft aangeefster verschillend verklaard over waar verdachte in de woning zouden hebben gestaan, over de fysieke houding die verdachte innam, de door verdachte en haar gebruikte woorden en over haar eigen handelen. Waar aangeefster in het informatieve gesprek bijvoorbeeld nog heeft verklaard over een ‘tackle’ van verdachte door aangeefster, staat in de aangifte dat zij bevroren was, stil stond en niets deed, behalve met haar hand tegen de schouder van verdachte tikken. .

Ook op minder essentiële onderdelen bevatten de verklaringen van aangeefster duidelijke tegenstrijdigheden. Zo heeft aangeefster in het informatieve gesprek verklaard dat zij na de verkrachting haar sleutels heeft gepakt en direct naar haar woning is teruggegaan, terwijl zij in haar aangifte heeft verklaard dat zij haar sleutels was vergeten en daarom nog naar de woning van verdachte is teruggegaan.

De rechtbank plaatst vraagtekens bij de verklaring van verdachte waarin hij een uitleg geeft over de specifieke handeling die ertoe heeft geleid dat zijn DNA op de onderbroek van aangeefster terecht is gekomen en wat de aanleiding daarvoor was, welke verklaring pas is afgelegd nadat de resultaten van het DNA onderzoek bekend waren. Ook kan niet worden uitgesloten dat bepaalde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Echter, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven omtrent de verklaringen die door aangeefster zijn afgelegd is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of hetgeen is ten laste gelegd ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Het vorenstaande betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

4 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat, nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd en verdachte daarvan wordt vrijgesproken, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

5 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

mr. C.A.J. van Yperen en mr. E. Broekhof, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.