Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4832

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
8809846
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering betaling achterstand huur woonruimte; afwijzing omdat vordering is voldaan, gedaagde wordt wel veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8809846 \ CV EXPL 20-8398

Uitspraakdatum: 16 juni 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de stichting Stichting Ymere

gevestigd te Amsterdam

eiseres

verder te noemen: Ymere

gemachtigde: M.O. de Boer

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

Samenvatting

De verhuurder vordert betaling van de huurachterstand. De huurder betwist dat er nog een achterstand is. Gedurende de procedure is de achterstand voldaan en daarom wordt de vordering afgewezen. De huurder moet de proceskosten betalen omdat er eerst wel een huurachterstand was en de verhuurder daarvoor een procedure heeft moeten beginnen.

1 Het procesverloop

1.1.

Ymere heeft bij dagvaarding van 2 oktober 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Ymere heeft hierop schriftelijk gereageerd en heeft een akte vermeerdering en vermindering van eis genomen, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. Vervolgens heeft Ymere nog gereageerd en wederom een akte vermeerdering en vermindering van eis genomen waarop [gedaagde] nog een laatste keer heeft gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Ymere is eigenaar van een woning met aan- en toebehoren gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] , hierna ‘het gehuurde’.

2.2.

Ymere heeft het gehuurde aan [gedaagde] verhuurd voor een huurprijs die op dit moment € 871,39 bedraagt, hierna ‘de huurovereenkomst’.

2.3.

Volgens de huurovereenkomst dient [gedaagde] de huurtermijnen maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand.

2.4.

In verband met een huurachterstand zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, hierna ‘de betalingsregeling’.

2.5.

In verband met het niet correct nakomen van de betalingsregeling en het niet tijdig betalen van de huur voor de maand juni 2020, heeft de gemachtigde van Ymere op 14 augustus 2020 aan [gedaagde] geschreven:

De met u getroffen betalingsregeling ter zake van uw schuld aan bovengenoemde opdrachtgever wordt door u niet nagekomen, zodat genoemde regeling is komen te vervallen.

Om deze reden hebben wij inmiddels een dagvaarding opgesteld (..). Indien u een en ander wilt voorkomen dient uiterlijk 21 augustus 2020 het verschuldigde tot en met augustus 2020 ad € 799,02 door ons kantoor ontvangen te zijn.

2.6.

Per datum van uitbrengen van de dagvaarding (2 oktober 2020) had [gedaagde] een achterstand in de betalingsregeling van € 370,41 en was de huur voor de maand oktober 2020 nog niet voldaan.

2.7.

[gedaagde] heeft de huur voor oktober 2020 per 7 oktober 2020 voldaan.

2.8.

Op 8 oktober 2020 heeft [gedaagde] € 200,00 van de achterstand in de betalingsregeling voldaan, zodat per die datum de achterstand in de betalingsregeling nog € 170,41 bedroeg.

2.9.

Doordat [gedaagde] voor de maand december 2020 € 0,07 te weinig huur heeft betaald, bedroeg de achterstand in de betalingsregeling én huur eind december 2020 samen € 170,48.

2.10.

Op 25 januari 2021 is een bedrag van € 171,00 afgeschreven van een rekening ten name van [gedaagde] en ten gunste van de gemachtigde van Ymere.

2.11.

De huur voor april 2021 is op 7 april 2021 door Ymere geïncasseerd.

3 De vordering

3.1.

Ymere vordert - na vermeerdering en vermindering van eis - dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 834,85 en in de kosten van deze procedure.

3.2.

Ymere legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met stipte betaling van de huurtermijnen en met het voldoen aan de betalingsregeling, waardoor voormeld bedrag opeisbaar is.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij de achterstallige huurtermijnen heeft voldaan en dat hij de achterstand in de betalingsregeling heeft voldaan door de betaling van € 200,00 op 8 oktober 2020 en € 171,00 op 25 januari 2021, in welk laatste bedrag ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn begrepen.

5 De beoordeling

5.1.

Vast staat dat Ymere ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een vordering op [gedaagde] had op grond van het niet correct nakomen van de betalingsregeling en het niet (tijdig) voldoen van de huur voor de maand oktober 2020.

5.2.

Vast staat ook dat [gedaagde] na het uitbrengen van de dagvaarding is ingelopen op de achterstand in de betalingsregeling zodat per eind december 2020 nog een bedrag van € 170,48 open stond, welk bedrag [gedaagde] op 25 januari 2021 heeft voldaan door de betaling van € 171,00 aan (de gemachtigde van) Ymere.

5.3.

De vordering van Ymere ziet - na vermeerdering en vermindering van eis - op (een deel van) de huur voor de maand april 2021 en veroordeling in de proceskosten. Echter, uit een print screen van een bankafschrift van [gedaagde] blijkt dat deze huurtermijn op 7 april 2021 door Ymere is geïncasseerd via automatische incasso, zodat slechts de vordering tot veroordeling in de proceskosten overblijft.

5.4.

Hoewel vast staat dat [gedaagde] de huur in de afgelopen maanden - met uitzondering van november en december 2020 - niet stipt voor of uiterlijk op de eerste van de maand heeft voldaan en hij de betalingsregeling niet tijdig is nagekomen, staat ook vast dat Ymere op dit moment geen vordering meer op [gedaagde] heeft ter zake van de betalingsregeling of huurachterstand. De kantonrechter zal de vordering van Ymere dan ook afwijzen.

5.5.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat er bij het uitbrengen van de dagvaarding een huurachterstand en een achterstand in de betalingsregeling was en Ymere deze procedure heeft moeten beginnen om haar vordering voldaan te krijgen. De kantonrechter ziet in het verloop van de procedure aanleiding voor toepassing van het liquidatietarief van € 75,00 per punt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Ymere tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 102,96;

griffierecht € 499,00;

salaris gemachtigde € 187,50 (2,5 x € 75,00);

6.3.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter