Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4808

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3346
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlening van een omgevingsvergunning voor een erfafscheiding aan de voorzijde van de woning, een zogenoemd privacyscherm. Interne werkinstructie, die een toekomstige beleidsregel is, staat deze erfafscheding toe. Burenruzie is een bijzondere omstandigheid. verweerder heeft de omgevingsvergunning kunnen verlenen en daarbij in redelijkheid kunnen afwijken van het welstandsadvies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3346

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. G. Visser),

en

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam, verweerder

(gemachtigden: A.S.M. Hoekstra en D.W.B. Poelkamp).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] .

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde partij] een omgevingsvergunning verleend voor een erfafscheiding aan de voorzijde van [adres 1] .

Bij besluit van 2 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Derde-partij heeft stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2021. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Derde partij is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder met toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, onder a en c, en 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan [derde partij] een omgevingsvergunning verleend voor een erfafscheiding aan de voorzijde van [adres 1] . Het gaat om een composiet schutting aan de voorzijde van de woningen van vergunninghouder en eisers. Het eerste deel, met een lengte van 1,80 meter vanaf de voorgevel is 1,80 meter hoog en de twee volgende delen met ieder een lengte van 1,80 meter zijn 0,90 meter hoog. Eisers wonen op [adres 2] en zijn de buren van vergunninghouder en zijn echtgenote. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de erfafscheiding in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Het afwijkingenbeleid gemeente Edam-Volendam (het afwijkingenbeleid) voorziet niet in een afwijkingsmogelijkheid.

3. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte is afgeweken van de beleidsregels. Verweerder maakt daarmee volgens eisers het algemene belang ondergeschikt aan één individueel belang. Omdat verweerder partij kiest voor vergunninghouder is er sprake van willekeur. De gemeenteraad heeft immers expliciet gekozen voor een 1 meter hoge erfafscheiding op het voorerf en ook wordt afgeweken van het welstandsbeleid. Eisers stellen dat een burenruzie geen onderbouwing kan zijn van een bijzondere omstandigheid. Ook vinden zij de erfafscheiding lelijk. Verder is voor het plaatsen van de schutting zonder toestemming een natuurstenen plaatbord verwijderd, bestrating weggehaald en voegwerk vernield. Bovendien leidt het toestaan van de erfafscheiding tot een ongewenst precedent. Daarbij leent artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) zich niet voor een beleidswijziging, omdat zo’n wijziging met toepassing van artikel 3:42 van de Awb bekend gemaakt dient te worden. Gedogen is iets heel anders dan consistent en consequent beleid voeren. Verweerder wil volgens eisers eigenlijk structureel afwijken van vastgesteld beleid zonder daartoe de raad te raadplegen en een nieuw gewijzigd standpunt in te nemen.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hoewel de erfafscheiding in strijd is met het bestemmingsplan en het afwijkingsbeleid, er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden om af te wijken van de beleidsregel. Verweerder heeft het belang van vergunninghouder zwaarder laten wegen dan dat van eisers omdat de impact van de erfafscheiding op de ruimtelijke ordening niet heel groot is. Voorts is er een bijzondere omstandigheid omdat sprake is van een burenruzie. De schutting geeft een gevoel van veiligheid en maakt afgrenzing mogelijk. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in de gemeente Edam-Volendam veel zogenoemde privacyschermen zijn geplaatst. Verweerder wil de plaatsing daarvan ook planologisch toestaan. In dat kader is een interne werkinstructie opgesteld, die verweerder ter zitting heeft overlegd. Verweerder heeft verklaard dat deze werkinstructie nog niet is gepubliceerd omdat hij bezig is met de implementatie van de Omgevingswet. Verweerder wil de werkinstructie in de toekomst opnemen in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.

3.2

De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bevoegd is in dit geval toch een vergunning te verlenen. De toepassing van die bevoegdheid kan de rechtbank slechts terughoudend toetsen. Ook als het gaat om de vraag of aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening is voldaan, komt aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.

3.3

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt verweerder overeenkomstig zijn beleidsregel behoudens in bijzondere omstandigheden. Niet in geschil is dat verweerders afwijkingenbeleid een beleidsregel is en zijn gedoogbeleid met betrekking tot erfafscheidingen aan de voorzijde - de privacyschermen - niet. Ter zitting heeft verweerder een interne werkinstructie overgelegd. Deze werkinstructie is, zo begrijpt de rechtbank, de toekomstige beleidsregel waarmee hij de privacyschermen toestaat. Met het bestreden besluit anticipeert verweerder hierop. De rechtbank ziet geen reden om eraan te twijfelen dat verweerder de werkinstructie te zijner tijd om zal zetten in een beleidsregel zoals verweerder voorstelt. Voor verweerder is doorslaggevend geweest dat hij het plaatsen van privacyschermen planologisch aanvaardbaar vindt en dat het woon- en leefklimaat van eisers niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Verweerder heeft ook in aanmerking genomen dat sprake is van een forse burenruzie tussen eisers en vergunninghouder en dat het plaatsen van de schutting ook in dat kader wenselijk is. De rechtbank acht deze afweging van belangen redelijk en onderschrijft ook nadrukkelijk dat verweerder in dit geval de burenruzie, die zelfs is ontaard in een vechtpartij tussen de buurvrouwen, als een bijzondere omstandigheid om af te wijken van het geldende afwijkingenbeleid heeft kunnen aanmerken. Uit de stukken en de toelichting van partijen ter zitting is de rechtbank gebleken dat de buren elkaar de schuld blijven geven van hun onenigheid en niet in staat zijn tot een redelijke opstelling jegens elkaar. De rechtbank kan slechts constateren dat een erfafscheiding tussen de buren in deze situatie nog het meest wenselijk overkomt. De rechtbank ziet in deze beroepsgrond dan ook geen reden om te concluderen dat verweerder in dit geval geen omgevingsvergunning kon verlenen.

4. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte is afgeweken van het welstandsadvies.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat afwijken van het welstandsadvies op grond van individuele belangen is toegestaan en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:780. Op 15 oktober 2019 heeft verweerder besloten erfafscheidingen als deze in voortuinen te gedogen. De welstandscommissie heeft ten onrechte negatief geadviseerd, omdat verweerder al had besloten dergelijke erfafscheidingen van die hoogte toe te staan en de kleuren van de erfafscheiding overeenkomen met het hoofdgebouw. Verder oogt het materiaal natuurlijk.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afwijken van welstandsadvies. De welstandscommissie dient het bouwplan immers aan de hand van de criteria in de welstandsnota te toetsen aan redelijke eisen van welstand en heeft zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan verweerder planologische medewerking wenst te verlenen. Gelet op de bereidheid van verweerder om in afwijking van het bestemmingsplan deze omgevingsvergunning te verlenen, dient de welstandscommissie dit bij haar welstandstoets te respecteren en kan zij in die afwijking geen grond zien voor een negatief welstandsoordeel. De welstandscommissie heeft zich dus ten onrechte uitgelaten over de hoogte, terwijl verweerder dit planologisch aanvaardbaar vond. Verder is niet betwist dat de kleur aansluit bij de accenten in de woning. Naar het oordeel van de rechtbank is verder de eigen mening van eisers dat de schutting heel lelijk is, onvoldoende om te concluderen dat verweerder niet kan afwijken van het welstandadvies. Verder mag verweerder, zoals hij stelt, ook individuele omstandigheden die de aanvrager betreffen bij zijn beoordeling betrekken. Verweerder heeft dus ook enig gewicht mogen toekennen aan de burenruzie. Anders dan eisers stellen, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat verweerder op enige wijze partij heeft gekozen voor vergunninghouder of anderszins stelling neemt tegen eisers. De conclusie is dan ook dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afwijken van het welstandsadvies en dat deze beroepsgrond niet slaagt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021.

Griffier Rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;

c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;

d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.

2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.