Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4770

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
15/292851-20, 15/200788-19 (tul), 15/079430-20 (tul), 15/131428-20 (ttz gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen. Niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Bewezenverklaring van twee diefstallen en twee mishandelingen. Geen sprake van noodweer, aangezien de rechtbank van oordeel is dat de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden. Ook ten aanzien van de tweede mishandeling geen sprake van noodweer, aangezien de rechtbank van oordeel is dat de verdediging niet gericht was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/292851-20, 15/200788-19 (tul), 15/079430-20 (tul), 15/131428-20 (ttz gev.)

Uitspraakdatum: 26 mei 2021

Tegenspraak (artikel 279 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 mei 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1],

thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. Sarian en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 15/292851-20

Feit 1

hij op of omstreeks 16 november 2020 te Haarlem in/uit een vestiging van de winkelketen [benadeelde 1] gevestigd aan de [adres 2] één fles wijn, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan voormelde winkelketen [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen twee, althans één of meer (beveiligings)medewerker(s) van voormelde winkelketen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- zich met kracht tegen (één van) voormelde medewerkers te gooien, en/of

- met kracht tegen (één van) voormelde medewerkers te duwen waardoor dan wel waarbij deze medewerker(s) ten val kwam, en/of

- te dreigen jegens (één van) voormelde medewerkers deze de ogen uit te zullen steken, en/of

- te pogen (één van) voormelde medewerkers te bijten, en/of

- één van voormelde medewerkers tweemaal althans eenmaal met zijn hand in/tegen het gezicht te slaan;

Feit 2

hij op of omstreeks 24 oktober 2020 te Haarlem in/uit een vestiging van de winkelketen [benadeelde 2] aan de [adres 3]

- één pastasalade, en/of

- één verpakking houdende sap, en/of

- één saucijzenbroodje,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan voormelde winkelketen, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- deze [benadeelde 3] aan te vallen en/of met hem een gevecht dan wel worsteling aan te gaan, en/of

- met een mes deze [benadeelde 3] te bedreigen, althans een mes zichtbaar voor deze [benadeelde 3] vast te houden in zijn - verdachtes - hand;

Feit 3

hij op één of meer momenten in of omstreeks de periode van 23 juli 2020, dan wel 26 september 2020, tot en met 16 november 2020, te Haarlem en/of Hippolytushoef gemeente Hollandse Kroon, althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten

- één geldbedrag van 2.341,95 (zegge; twee duizend en éénenveertig, vijfennegentig) euro, en/of

- één geldbedrag van 1.891,95 (zegge; één duizend en éénennegentig, vijfennegentig) euro, en/of

- één geldbedrag van 5.000 (zegge; vijf duizend) euro, en/of

- één geldbedrag van 5.000,25 (zegge; vijf duizend en vijfentwintig) euro,

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of (telkens) van een voorwerp, te weten voormelde geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Ten aanzien van parketnummer 15/131428-20

Feit 1

hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Haarlem, [benadeelde 4] heeft mishandeld door die [benadeelde 4] meermalen (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, te slaan/stompen en/of met zijn vingers in de ogen van die [benadeelde 4] te prikken/duwen;

Feit 2

hij op of omstreeks 21 juli 2019 te Haarlem, [benadeelde 5] heeft mishandeld door die [benadeelde 5] meermalen (met gebalde vuist) te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen in/tegen het gezicht en/of die [benadeelde 5] meermalen tegen de borstkas althans op/tegen het lichaam te slaan/stompen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de laste gelegde feiten onder parketnummer 15/292851-20 feiten 1, 2 en 3 en onder parketnummer 15/131428-20 feiten 1 en 2.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 15/292851-20

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde geweldshandelingen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van een aangifte van diefstal met geweld en dat de aangevers dus niet willen dat de verdachte daarvoor wordt vervolgd en dat er bovendien sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het gebruik van geweld door de verdachte vanwege het ontbreken van een dubbele bevestiging van het gebruik van geweld.

Ten aanzien van feit 2 dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken van het dreigen met een mes dan wel het vasthouden van een mes, nu alleen aangever daarover heeft verklaard en er geen sprake is van ondersteunende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet op de hoogte was dat er op zijn naam een KNAB-rekening was geopend en dat hij dus ook niet wist dat er op deze rekening bedragen uit mogelijke oplichtingspraktijken waren gestort. Ten aanzien van de ING-rekening op naam van de verdachte stelt de raadsman dat de verdachte zijn pasje met pincode was verloren en derhalve niet wist dat geld, afkomstig van mogelijke oplichting, op zijn rekening was gestort. De verdachte heeft ook voor afstand van dit geld getekend. Derhalve kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde bedragen voorhanden heeft gehad noch dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze bedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

De raadsman heeft daarom bepleit dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 15/131428-20

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de mishandeling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] een geheel andere lezing van het gebeurde volgt, dan uit de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 3] en de processen-verbaal van bevindingen in het dossier.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat zijn handelen daarom niet wederrechtelijk was, waardoor de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde mishandeling. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en de rechtbank verzocht de verdachte ook voor dit feit vrij te spreken.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 3 onder parketnummer 15/292851-20

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 3 van parketnummer 15/292851-20 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Uit het dossier kan afgeleid worden dat op een tweetal bankrekeningen op naam van de verdachte, bedragen zijn gestort die uit misdrijf (oplichting) afkomstig zijn. Uit het dossier kan eveneens worden afgeleid dat de verdachte op enig moment wetenschap heeft gekregen van de storting van deze bedragen op deze bankrekeningen.

In het dossier zijn echter geen bewijsmiddelen voorhanden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte (alvorens hij hiervan op de hoogte werd gesteld) wist op welke manier deze geldbedragen waren verkregen en dat de geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf. Ook voor de onderbouwing van de stelling dat de verdachte redelijkerwijs diende te vermoeden dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, bestaan onvoldoende concrete aanknopingspunten. Het dossier bevat immers slechts gegevens met betrekking tot (de bij- en afschrijvingen van) de beide bankrekeningen. Hieruit kan de rechtbank dit niet afleiden, te meer daar de verdachte met die gegevens slechts in zeer beperkte mate is geconfronteerd tijdens het politieverhoor.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 15/292851-20 feit 1 en 2 en onder parketnummer 15/131428-20 feit 1 en 2 op grond van de volgende bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van parketnummer 15/131428-20 feit 1

De raadsman van de verdachte heeft namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer en heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde mishandeling. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat aangever de verdachte wilde beroven van zijn rugtas en dat de verdediging van de verdachte dus noodzakelijk was ter verdediging van zichzelf en zijn spullen.

De rechtbank acht de feitelijke toedracht die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat de verdachte zichzelf en zijn rugtas moest verdedigen tegen een beroving, niet aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Volgens de verklaringen van aangever en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] bevond aangever zich op 10 augustus 2020 samen met voornoemde getuigen in het centrum van Haarlem. Daar kwamen zij de verdachte tegen, een bekende van hen. De verdachte gaf aangever een duw in de rug en daagde aangever en getuigen uit. Aangever en de getuigen zijn op dat moment weggelopen van de verdachte, maar de verdachte bleef hen achtervolgen en provoceren. Vervolgens heeft de verdachte aangever aangevallen en hem gestompt in het gezicht waarna een worsteling ontstond waarbij over en weer klappen zijn gevallen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden. Zodoende is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waaraan de verdachte zich niet kon onttrekken en waartegen hij zich moest verdedigen. Het verweer wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van parketnummer 15/131428-20 feit 2

Ook ten aanzien van de mishandeling ten laste gelegd onder feit 2 heeft de raadsman namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer en de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat aangever [benadeelde 5] een mes had en dat de verdachte doodsbang was dat hij neergestoken zou worden. De verdachte wilde de aangever tegenhouden en heeft daarom geweld gebruikt. De raadsman wijst daarbij op het letsel op de rug van de verdachte, waarbij het lijkt te gaan om snijwonden. De raadsman heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat in een dergelijke noodweersituatie, waarbij de verdachte niet alleen bang was om met een mes te worden geraakt, maar daadwerkelijk ook met een mes is geraakt, terwijl hij in een woning was en daarom geen kant op kon, zichzelf mocht verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht is vereist dat de handeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van een eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan.

De vraag die moet worden beantwoord is of sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [benadeelde 5].

De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie op 22 juli 2019 verklaard dat hij een conflict had gekregen met aangever nadat hij van buiten dingen tegen het raam van de woning van aangever had gegooid, dat aangever vervolgens schreeuwde dat de verdachte de woning moest verlaten en dat aangever binnen handbereik een mes, vork en lepel had liggen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij het vanaf dan allemaal niet meer goed weet, dat hij krassen op zijn rug heeft zitten en dat hij dacht dat aangever een mes had. Aangever en diens vriendin hebben in hun aangifte verklaard dat zij de verdachte hebben verzocht om de woning te verlaten, maar dat de verdachte dit niet deed. Zij verklaren dat de verdachte vervolgens aangever op de grond heeft geduwd en hem heeft getrapt en gestompt.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft weliswaar een verklaring afgelegd over keukengerei binnen handbereik van aangever, maar uit de verklaring wordt niet duidelijk wanneer dat keukengerei zou zijn gebruikt of dat hij zich hiertegen heeft moeten verdedigen. Ook van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding was geen sprake. Dat de aangever een mes, een vork en een lepel binnen handbereik had liggen, was in redelijkheid niet dermate bedreigend dat dit aangemerkt kan worden als een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdediging niet gericht was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het verweer wordt daarom verworpen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 15/292851-20 feit 1 en 2 en onder parketnummer 15/131428-20 heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van parketnummer 15/292851-20

Feit 1

hij op 16 november 2020 te Haarlem in een vestiging van de winkelketen [benadeelde 1] gevestigd aan de [adres 2] één fles wijn, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan voormelde winkelketen [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweldtegen een (beveiligings)medewerker van voormelde winkelketen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tegen voormelde medewerker te duwen waardoor dan wel waarbij deze medewerker ten val kwam;

Feit 2

hij op 24 oktober 2020 te Haarlem in een vestiging van de winkelketen [benadeelde 2] aan de [adres 3]

- één pastasalade, en

- één verpakking houdende sap, en

- één saucijzenbroodje,

dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan voormelde winkelketen, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- deze [benadeelde 3] aan te vallen en met hem een worsteling aan te gaan, en

- mes zichtbaar voor deze [benadeelde 3] vast te houden in zijn - verdachtes - hand;

Ten aanzien van parketnummer 15/131428-20

Feit 1

hij op 10 augustus 2019 te Haarlem, [benadeelde 4] heeft mishandeld door die [benadeelde 4] meermalen met gebalde vuist tegen het gezicht stompen en met zijn vingers in de ogen van die [benadeelde 4] te duwen;

Feit 2

hij op of omstreeks 21 juli 2019 te Haarlem, [benadeelde 5] heeft mishandeld door die [benadeelde 5] te slaan en te trappen tegen het gezicht en die [benadeelde 5] meermalen tegen de borstkas te stompen.

Hetgeen aan de verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 15/292851-20

Feit 1: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Feit 2: diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Ten aanzien van parketnummer 15/131428-20 feit 1 en 2

Telkens: mishandeling

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 18 februari 2021.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht in geval van een bewezenverklaring het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk te stellen aan de dag van de einduitspraak. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de uitspraak van het vonnis reeds zes maanden in voorarrest zit en dat, volgens het advies van de reclassering, bij een langduriger detentie het risico bestaat dat de verdachte zijn motivatie verliest om mee te werken aan het geïndiceerde plan van aanpak. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 18 februari 2021.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich in een korte tijd schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Bij beide winkeldiefstallen werd de verdachte op heterdaad betrapt en heeft hij op zijn vlucht geweld uitgeoefend tegen medewerkers van de winkelketens. Bij één van de winkeldiefstallen heeft de verdachte zelfs op het moment van de vlucht en de worsteling met een medewerker zichtbaar een mes in handen gehad. Met zijn handelen heeft de verdachte overlast en schade berokkend aan de twee winkelbedrijven en heeft hij bovendien de lichamelijke integriteit van de aangevallen werknemers geschonden. Dergelijke feiten brengen, gezien het openlijke karakter daarvan, in het bijzonder bij het winkelpersoneel en het winkelend publiek gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangever [benadeelde 5]. Hij heeft aangever, terwijl de verdachte van hem onderdak kreeg, in diens woning geslagen en getrapt in het gezicht en meermalen tegen de borstkas gestompt. Nog geen drie weken later heeft de verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan een mishandeling. Hij heeft midden op straat de confrontatie opgezocht met aangever [benadeelde 4] en hem meermalen tegen het hoofd gestompt en met zijn vingers in zijn ogen geduwd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de aard en de ernst van de feiten, in beginsel – slechts – worden gereageerd met de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank slaat daarbij acht op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ( LOVS) waarin voor een winkeldiefstal gevolgd van geweld, en waarbij sprake is van recidive, reeds drie tot vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt wordt gehanteerd.

Dat in geval van beide mishandelingen de aangevers zich niet onbetuigd hebben gelaten, doet aan de strafbaarheid van verdachtes handelen niet af. De rechtbank houdt hiermee echter wel in strafmatigende zin rekening bij het bepalen van de strafmaat.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 1 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 18 februari 2021 en een aanvulling op dit rapport gedateerd 23 april 2021 van [reclasseringswerker], als reclasseringswerkster verbonden aan GGZ Fivoor Haarlem. Het reclasseringsadvies houdt onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is al lange tijd sprake van forse verslavingsproblematiek en maatschappelijke instabiliteit. Een eerder opgelegde ISD-maatregel en nadien opgelegde reclasseringstoezichten hebben tot op heden niet geleid tot gedragsverandering. Betrokkene heeft meerdere malen getracht zelfstandig een delict- en middelenvrij bestaan op te bouwen. Echter, zonder blijvend resultaat. Ook is het hem niet gelukt optimaal gebruik te maken van de geboden hulp vanuit de reclassering, om gedragsverandering te realiseren. Diagnostiek wijst uit dat er sprake is van alcoholproblematiek en ADHD. Tevens wordt geadviseerd uitgebreidere diagnostiek te doen en verder onderzoek te doen naar mogelijk PTSS.
GGZ reclassering Fivoor is van mening dat een langdurig klinisch traject op dit moment nog de enige mogelijkheid is om in te zetten op gedragsverandering en te komen tot een langer durend resultaat ten aanzien van abstinentie en maatschappelijke stabiliteit. Onzes inziens is het wenselijk de opname aan te laten sluiten op zijn huidige etentie. Betrokkene is op 18 februari 2021 aangemeld bij het IFZ ten behoeve van een klinische opname. Er is een indicatiestelling afgegeven en betrokkene is geaccepteerd door FPA Heiloo. Zij streven er naar betrokkene aansluitend op detentie op te nemen, maar kunnen dat niet garanderen. Op het moment dat betrokkene niet aansluitend kan worden opgenomen, wordt overbruggingszorg geregeld om te voorkomen dat betrokkene op straat terecht komt.

Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering;
- Opname in een zorginstelling;
- Ambulante behandeling;
- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

Met de inhoud van dit advies kan de rechtbank zich verenigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van tien maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, groot drie maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank de voorwaarden koppelen zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 18 februari 2021. Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan waartoe de officier van justitie had gerekwireerd.

7 Vermogensmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Dit voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar één van de bewezenverklaarde winkeldiefstallen met geweld. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormeld in beslag genomen voorwerp in strijd met het algemeen belang.

8 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 15/200788-19

Bij vonnis van 22 november 2019 in de zaak met parketnummer 15/200788-19

heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van het medeplegen van mishandeling en een diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 11 december 2019 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 7 december 2019 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd te verlengen met één jaar.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Parketnummer 15/079430-20

Bij vonnis van 25 augustus 2020 in de zaak met parketnummer 15/079430-20 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van medeplegen opzetheling, diefstal, mishandeling en poging zware mishandeling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 9 oktober 2020 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 9 september 2020 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Zowel de officier van justitie als de raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd dient te worden verlengd met één jaar.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman van de verdachte, van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met één jaar, aangezien het van belang is dat de verdachte zo spoedig mogelijk de geïndiceerde hulp ontvangt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 57, 63, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/292851-20 feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 15/292851-20 feit 1 en 2 en onder parketnummer 15/131428-20 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/292851-20 feit 1 en 2 en onder parketnummer 15/131428-20 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- veroordeelde zich binnen 3 dagen na ingang van het vonnis meldt bij GGZ reclassering Fivoor op het adres Zijlweg 148c te Haarlem. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Veroordeelde houdt zich aan aanwijzingen die reclassering hem geeft en werkt mee aan urine controles;

- veroordeelde laat zich opnemen in een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

- in het kader van nazorg zal veroordeelde aangemeld worden voor ambulante behandeling bij een nader te bepalen instantie (afhankelijk van de woonplaats van veroordeelde). De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

- indien tijdens de klinische opname blijkt dat begeleid wonen geïndiceerd is, wordt veroordeelde verplicht om te verblijven bij een nader te bepalen voorziening voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Hij dient zich bij een plaatsing aldaar te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Indien tijdens de opname blijkt dat veroordeelde zelfstandig kan wonen, wordt hij verplicht zijn medewerking te verlenen om ambulante woonbegeleiding op te starten.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Stelt dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking, te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Onttrekt aan het verkeer:

1 STK Mes (G1049224)

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/200788-19 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland d.d. 22 november 2019.

Verlengt de bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/079430-20 opgelegde proeftijd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met één jaar.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van (het onvoorwaardelijk deel van) de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.D. Overbeek, voorzitter,

mr. J.C. van den Bos en mr. M.M.J. de Jager-Koedooder, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.H.A. van Roessel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 mei 2021.

Mr. M.M.J. de Jager-Koedooder en mr. A.H.A. van Roessel zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.