Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4761

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 75
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Eiseres heeft recht op vrijstelling voor goederen met te verwaarlozen waarde in groepagezending.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-6-2021
NLF 2021/1290
FutD 2021-1973 met annotatie van Fiscaal up to Date
DouaneUpdate 2021-0320
Douanerechtspraak 2021/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

.Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/75

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 4 juni 2021 in de zaak tussen

[X] VOF, gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigden: mr. R.R. Ramautarsing en G.J. Slooten),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Breda, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft een verzoek om terugbetaling van eiseres afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het tegen deze afwijzing gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Eiseres heeft bij separaat schrijven de gronden van het beroep aangevoerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021 te Haarlem.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigden, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres drijft een onderneming in handelsbemiddeling in textiel, kleding, schoeisel en lederwaren en het ontwerpen en verkopen van maatoverhemden.

2. De werkwijze bij eiseres bij de verkoop van maatoverhemden is als volgt. De maatoverhemden kosten maximaal € 149 per stuk. Nadat een klant een maatoverhemd heeft besteld wordt de klant opgemeten. De maatvoering en de diverse keuzes inzake de styling van het overhemd worden geregistreerd in het systeem van eiseres onder het profiel van de specifieke klant, waarna de bestelling wordt doorgegeven aan de producent in Thailand. De producent maakt ieder overhemd apart. Het overhemd wordt door de producent gevouwen, individueel verpakt en gelabeld met de naam en het kenmerk van de klant. Het overhemd wordt daarna klaargemaakt voor verzending naar de klant. Het overhemd wordt verpakt in een doos die door de brievenbus past en is voorzien van een individuele adressticker van de klant. De individueel verpakte en geadresseerde overhemden worden gezamenlijk als groepagezending naar eiseres in Nederland verzonden. Bij deze zending wordt een lijst gevoegd met de namen van de klanten, waarop de in de zending opgenomen dozen betrekking hebben. Eiseres geleidt de losse dozen door naar PostNL, die de individuele pakketjes bij de klanten bezorgt.

3. Eiseres heeft in 2015 en 2016 diverse aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van groepagezendingen van op maat gemaakte overhemden. Zij heeft daarvoor uitnodigingen tot betaling (hierna: utb’s) ontvangen en voldaan.

4. Bij brief van 24 oktober 2016 heeft eiseres verzocht om terugbetaling van de bij de utb’s in 2015 en 2016 opgelegde douanerechten. Ter zitting is komen vast te staan dat het gaat om een bedrag ter hoogte van € 20.752,44.

5. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

Geschil
6. In geschil is of verweerder het verzoek om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres recht heeft op toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 (hierna: de Verordening).

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord is van belang de vraag of het vertrouwensbeginsel ertoe leidt dat eiseres recht heeft op terugbetaling.

7. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 23 van de Verordening én aan het beleid dat verweerder ter zake voert zoals neergelegd in het Douanehandboek (zowel onder het Communautair Douanewetboek, als onder het Douanewetboek van de Unie). Eiseres onderbouwt haar standpunt met een verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 2 juli 2009, nr. C-7/08, ECLI:EU:C:2009:417 (hierna: arrest Har Vaessen). Eiseres voelt zich in haar zienswijze gesterkt door drie eerdere verzoeken die verweerder wel heeft gehonoreerd. De feiten waren in die drie verzoeken identiek aan het thans voorliggende verzoek, aldus eiseres.
Eiseres verzoekt om haar beroep gegrond te verklaren, de uitspraak op bezwaar van verweerder te vernietigen en verweerder te gelasten om een nieuwe beschikking te nemen waarin wordt overgegaan tot terugbetaling van de betaalde invoerrechten, met veroordeling van verweerder in de kosten van bezwaar en beroep.

8. Verweerder stelt dat niet aan de voorwaarden van artikel 23 van de Verordening is voldaan. De zendingen maatoverhemden zijn immers aan eiseres geadresseerd. Voorts is volgens verweerder de situatie zoals beoordeeld door het HvJ in het arrest Har Vaessen een andere dan de thans voorliggende situatie.

In het geval van het arrest Har Vaessen was de belanghebbende eigenaar van de goederen die zich in het derde land bevonden en werd na aflevering van de goederen het geld door de klant overgemaakt aan de belanghebbende. In de thans voorliggende situatie betaalt de klant voorafgaand aan de verzending van het maatoverhemd aan eiseres. Vervolgens zet eiseres de bestelling door naar een producent in een derde land. De wijze waarop de bestellingen worden afgedaan is volgens verweerder in beide gevallen feitelijk en financieel niet vergelijkbaar. Voorts voelt verweerder zich niet gehouden tot in lengte van dagen een vergissing voort te zetten. Voortschrijdend inzicht kan ertoe leiden dat zaken met identieke feiten anders worden beoordeeld.
Verweerder verzoekt de rechtbank het beroep ongegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te bevestigen.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Regelgeving

10. Verordening (EG) Nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen luidt voor zover hier van belang:

HOOFDSTUK V Zendingen met een te verwaarlozen waarde

Artikel 23

1. Behoudens artikel 24, zijn van rechten bij invoer vrijgesteld zendingen bestaande uit goederen met een te verwaarlozen waarde die uit een derde land rechtstreeks aan een geadresseerde in de Gemeenschap worden gezonden.

2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „goederen met een te verwaarlozen waarde” verstaan goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan 150 EUR per zending bedraagt.

Artikel 24

Van de vrijstelling zijn uitgesloten:

a) alcoholische producten;

b) parfum en toiletwater;

c) tabak en tabaksproducten.

11. Handboek Douane (geldig tot en met 30 april 2016) luidt voor zover hier van belang:

24.00.00

Douanevrijstellingen

3 Goederen met te verwaarlozen waarde

In dit hoofdstuk vindt u aanwijzingen voor het gebruik van de vrijstelling bij het brengen in het vrije verkeer van goederen met een te verwaarlozen waarde.

3.1

Wettelijke basis

De vrijstelling van rechten bij invoer is voorzien in Verordening (EG) nr. 1186/2009 (Titel II, Hoofdstuk V, artikelen 23 en 24).

De vrijstellingen van omzetbelasting, accijns en verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten zijn voorzien in artikel 7:27 van de Algemene douaneregeling

(Titel IV artikelen 23 en 24).

3.2

Reikwijdte vrijstelling rechten bij invoer

De vrijstelling van rechten bij invoer heeft betrekking op zendingen die bestaan uit goederen met een te verwaarlozen waarde die rechtstreeks uit een derde land aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon in de Gemeenschap worden gezonden.

(artikel 23, lid 1, Verordening (EG) nr. 1186/2009)

3.3

Te verwaarlozen waarde

Een zending heeft een te verwaarlozen waarde als de intrinsieke waarde van de daarin opgenomen goederen totaal niet meer bedraagt dan € 150 per zending voor wat betreft de rechten bij invoer en € 22 per zending voor wat betreft de omzetbelasting.

(artikel 23, lid 2, Verordening (EG) nr. 1186/2009 en artikel 7:27, lid 3, Algemene douaneregeling)

(…)

3.4

Groepagezending

Bij een groepagezending waarvan de totaal intrinsieke waarde de limieten (zie paragraaf 3.3) overschrijdt, maar waarvan de afzonderlijke pakketten een te verwaarlozen waarde hebben, zijn deze pakketten vrijgesteld van rechten bij invoer en/of omzetbelasting, mits elk afzonderlijk pakket van de groepagezending is gericht aan een zich in de Europese Gemeenschap bevindende geadresseerde.

Het doet niet ter zake dat de wederpartij van de geadresseerde zelf in de Gemeenschap is gevestigd, als elk afzonderlijk pakket maar vanuit een derde land rechtstreeks aan deze geadresseerden in de Europese Gemeenschap is gezonden (HvJ C7/08).

Het doet ook niet ter zake als de groepagezending met deze afzonderlijke pakketten wordt gebracht onder de regeling douanevervoer, douane-entrepot, bestemming vrij entrepot of vrije zone of procedure ruimte voor tijdelijke opslag voordat deze pakketten in het vrije verkeer worden gebracht. Zie ook HR 42.196bis.

Het is echter niet toegestaan dat de goederen als groepagezending onder deze formaliteiten worden gebracht en nog nadere bewerkingen moeten ondergaan zoals samenstelling van afzonderlijke pakketten, voordat de pakketten verder worden gedistribueerd. Deze pakketten worden immers niet van een derde land rechtstreeks gezonden aan geadresseerden in de Gemeenschap.

12. Handboek douane (met ingang van 1 mei 2016) luidt, voor zover hier van belang:

24.00.00

Douanevrijstellingen

3 Goederen met te verwaarlozen waarde

In dit hoofdstuk vindt u aanwijzingen voor het gebruik van de vrijstelling bij het brengen in het vrije verkeer van goederen met een te verwaarlozen waarde.

3.1

Wettelijke basis

De vrijstelling van rechten bij invoer is voorzien in Verordening (EG) nr. 1186/2009 (Titel II, Hoofdstuk V, artikelen 23 en 24).

De vrijstellingen van omzetbelasting, accijns en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn voorzien in artikel 7:27 van de Algemene douaneregeling

3.2

Reikwijdte vrijstelling rechten bij invoer

De vrijstelling van rechten bij invoer heeft betrekking op zendingen die bestaan uit goederen met een te verwaarlozen waarde die rechtstreeks uit een derde land aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon in de Unie worden gezonden.

(artikel 23, lid 1, Verordening (EG) nr. 1186/2009)

3.3

Te verwaarlozen waarde

Een zending heeft een te verwaarlozen waarde als de intrinsieke waarde van de daarin opgenomen goederen totaal niet meer bedraagt dan € 150 per zending voor wat betreft de rechten bij invoer en € 22 per zending voor wat betreft de omzetbelasting.

(artikel 23, lid 2, Verordening (EG) nr. 1186/2009 en artikel 7:27, lid 3, Algemene douaneregeling)

(…)

3.4

Groepagezending

Bij een groepagezending waarvan de totale intrinsieke waarde de limieten (zie paragraaf 3.3) overschrijdt, maar waarvan de afzonderlijke pakketten een te verwaarlozen waarde hebben, zijn deze pakketten vrijgesteld van invoerrecht en/of omzetbelasting, mits elk afzonderlijk pakket van de groepagezending is gericht aan een zich in de Unie bevindende geadresseerde.

Bij een groepagezending maakt het niet uit of de wederpartij van de geadresseerde zelf in de Unie is gevestigd, als elk afzonderlijk pakket maar vanuit een derde land rechtstreeks aan deze geadresseerde in de Unie is gezonden (arrest HvJ EU van 2 juli 2009, Har Vaessen Douane Service BV, zaak C-7/08).

Niet van belang is dat de groepagezending met deze afzonderlijke pakketten in tijdelijke opslag of onder de regeling douanevervoer, douane-entrepot of vrije zone worden geplaatst voordat deze pakketten in het vrije verkeer worden gebracht. Het is niet toegestaan dat de goederen als groepagezending in tijdelijke opslag of onder de regeling douanevervoer, douane-entrepot of vrije zone worden geplaatst en nog nadere bewerkingen ondergaan, zoals samenstelling van de afzonderlijke pakketten, voordat deze pakketten verder worden gedistribueerd. Voor deze pakketten geldt dat zij niet van een derde land rechtstreeks worden gezonden aan geadresseerden in de Unie.

Overwegingen

13. De rechtbank stelt vast dat de maatoverhemden van verwaarloosbare waarde zijn, individueel zijn verpakt en individueel zijn geadresseerd aan in de Europese Unie wonende eindgebruikers, zijnde de klanten van eiseres. De pakketjes zijn door de producent als groepagezendingen naar eiseres verstuurd. De groepagezendingen zijn voorzien van een lijst met eindgebruikers. De groepagezendingen zijn door eiseres slechts uit elkaar gehaald waarna de losse pakketjes met maatoverhemden zonder nadere bewerking door eiseres zijn afgeleverd bij PostNL voor distributie aan de klanten.

14. Dat de maatoverhemden als groepagezending bij de douane zijn aangebracht met het oog op verzending ervan in de Unie staat er gelet op het arrest Har Vaessen niet aan in de weg dat daaraan vrijstelling wordt toegekend op grond van artikel 23 van de Verordening omdat reeds bij vertrek uit het derde land van verzending bekend is wie de geadresseerde is van elk van de pakketjes. In overweging 38 van dit arrest is immers geconcludeerd:

“Dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde pakketten, met een individuele waarde van minder dan 22 EUR, als groepagezending bij de douane worden aangebracht met het oog op verzending ervan in de Gemeenschap, staat derhalve niet eraan in de weg dat daaraan vrijstelling wordt toegekend, aangezien reeds bij vertrek uit de derde staat van verzending bekend is wie de geadresseerde van elk van die pakketten is.” Ook in dit geval gaat het om een verzameling van verschillende individueel geadresseerde pakketjes met ieder een verwaarloosbare waarde. De handelwijze van eiseres, die om logistieke redenen de afzonderlijke pakketjes gezamenlijk bij de douane aanbrengt, leidt er derhalve niet toe dat ten aanzien van die maatoverhemden de vrijstelling niet van toepassing is. Eiseres en PostNL zijn slechts een schakel in de expeditieketen tussen de producent en de klanten, zijnde de eindontvangers en gebruikers van de overhemden.

15. Dat eiseres (in plaats van een expeditiebedrijf zoals genoemd in het arrest Har Vaessen) een schakel is in de expeditie en distributie doet hier niet aan af. Noch in de Verordening, noch in het Handboek Douane, noch in het arrest Har Vaessen staat als eis vermeld dat deze logistieke handeling slechts kan worden verricht door een vervoerder of expediteur.

16. Deze conclusie strookt bovendien met de doelstelling van artikel 23 van de Verordening zoals neergelegd in de considerans van de (voorganger van de) Verordening, namelijk dat de in die bepaling voorziene vrijstelling strekt tot administratieve vereenvoudiging van de douaneprocedures. Daarbij is van belang dat de Raad van de Europese Unie, bij het vaststellen van bepalingen waarin vrijstellingen van douanerechten worden verleend, rekening moet houden met onder meer de moeilijkheden waarvoor de nationale douanediensten staan.

17. Verweerders stelling dat de wijze van betaling en het tijdstip van betaling (de financiële afhandeling en het moment van overgang van de eigendom van de maatoverhemden) in het geval van eiseres afwijkt van de situatie als beschreven in het arrest Har Vaessen leidt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank overweegt en verweerder heeft ook ter zitting toegegeven dat de regelgeving noch het arrest Har Vaessen aanleiding geven tot het oordeel dat de eigendom van de pakketjes, de wijze van bestelling of de wijze van financiële afhandeling relevant zijn voor de vraag of de vrijstelling van toepassing is.

18. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres recht heeft op toepassing van de vrijstelling en verweerder dan ook ten onrechte de aanvraag om terugbetaling heeft afgewezen. Het beroep zal gegrond worden verklaard, de uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak opnieuw een beslissing te nemen.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Omdat (een medewerker van) eiseres zelf het bezwaarschrift heeft opgesteld is in die fase van de procedure geen sprake van ‘kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waardoor mogelijke kosten niet in aanmerking komen voor een vergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.086;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. C.M. van Wechem, voorzitter, en

mr. M.P.E. Oomens en mr. S. Kleij, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.