Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4686

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
8551842 \ CV EXPL 20-4716
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding gevorderd wegens kwijtraken gipsen beeld. Bruikleenovereenkomst? Verkrijgende verjaring (artikel 3:99 BW). Vermoeden bezit te goeder trouw (artikel 3:118 lid 3 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8551842 \ CV EXPL 20-4716

Uitspraakdatum: 20 januari 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1. [eiser sub 1]

2. [eiseres sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

eisers

verder te noemen: [eisers]

gemachtigde: mr. O.J. Boeder (AGIN Boeder Gerechtsdeurwaarders)

tegen

Stichting KennemerHart

gevestigd te Haarlem

gedaagde

verder te noemen: Kennemerhart

gemachtigde: mr. T. van Opzeeland

1 Het procesverloop

1.1.

[eisers] hebben bij dagvaarding van 28 mei 2020 een vordering tegen Kennemerhart ingesteld. Kennemerhart heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 18 december 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Kennemerhart heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben [eisers] bij akte van 20 augustus 2020 nog nadere producties in het geding gebracht.

2 De feiten

2.1.

In 1963 heeft [kunstenaar] (hierna: [kunstenaar] ) in opdracht van Stichting Zorgcontract het bronzen beeld “Zeemeermin met kind” vervaardigd (hierna: het bronzen beeld). Dit bronzen beeld is later door Stichting Zorgcontact geschonken aan Huis in de Duinen te Zandvoort (hierna: Huis in de Duinen), een vestiging van Kennemerhart.

2.2.

Op enig moment heeft Huis in de Duinen het bronzen beeld in haar tuin geplaatst.

2.3.

In 1992 is het gipsenontwerp van het bronzen beeld (hierna: het gipsenbeeld / gipsenontwerp) ter beschikking gesteld aan Huis in de Duinen. Het gipsenbeeld is toen in de centrale hal van Huis in de Duinen geplaatst en heeft daar een aantal jaren gestaan.

2.4.

Bij brief van 5 september 2019 hebben [eisers] in hun hoedanigheid van erfgenamen van [kunstenaar] , Kennemerhart aangeschreven en teruggave van het gipsenbeeld gevorderd. In de brief staat, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “Het ontwerp in gips hebben wij in 1992 in bruikleen afgestaan aan het Huis in de Duinen. Het heeft altijd in de hal gestaan. (…) Er is indertijd geen contractje opgemaakt; noch wij, noch de toenmalige directeur hebben eraan gedacht, het ging met wederzijds vertrouwen. (…) We zien graag dat u op de een of andere manier kans ziet het ontwerp weer boven tafel te krijgen zodat we het weer terugkrijgen, dan wel dat u ons schadeloos stelt als blijkt dat het beeld verdwenen is. (…)”

2.5.

In reactie hierop heeft Kennemerhart bij brief van 12 september 2019 (samengevat) geschreven te zullen onderzoeken wat er met het gipsenbeeld is gebeurd.

2.6.

In navolging van voorgaande brief heeft Kennemerhart bij brief van 13 november 2019, voor zover hier van belang, het volgende geschreven: “Tot op heden is de informatie die wij boven tafel krijgen de informatie dat het gipsen ontwerp ruim 10 jaar geleden is opgehaald door familie van de kunstenaar. Hier is geen getekende overeenkomst voor te vinden. (…) Wij moeten u helaas melden dat onze zoektocht niet het door u gewenste resultaat heeft opgeleverd.”

2.7.

Bij brief van 14 november 2019 hebben [eisers] Kennemerhart aansprakelijk gesteld voor de verdwijning van het gipsenbeeld en een schadevergoeding van € 5.000,- gevorderd.

2.8.

Bij brief van 7 april 2020 heeft Kennemerhart (samengevat) betwist dat sprake is van een bruikleenovereenkomst en een verplichting tot teruggave van het gipsenbeeld. Kennemerhart heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de eigendom van het gipsenbeeld door verjaring heeft verkregen.

2.9.

Bij e-mail van 31 maart 2020 heeft [betrokkene] , namens het bestuurssecretariaat van Kennemerhart, het volgende geschreven aan het Zandvoorts Museum: “We zijn op zoek naar het gipsen beeld ‘de zeemeermin’ dat een tijd in de tuin van Huis in de Duinen heeft gestaan. Het beeld is helaas op de een of andere manier verdwenen. We weten wel dat het in een boekje van jullie heeft gestaan dat heet ‘buitenbeeldroute’. (…) We vragen ons af of jullie het beeld in bezit hadden en het destijds aan het Huis in de Duinen in bruikleen hebben gegeven. Misschien is daar toen nog een overeenkomst voor opgesteld? Kortom, we vragen ons af, van wie is het eigenlijk en heel misschien kom je er ook nog achter waar het nu is, want wij hebben geen idee.”

2.10.

In reactie hierop heeft [betrokkene 2] , namens het Zandvoorts Museum, bij e-mail van 1 april 2020 het volgende geantwoord: “Het staat idd in het buitenbeeld boekje en de info kwam van wikipedia. Ik heb dit maanden geleden al uitgezocht op verzoek van [eiseres sub 2] . Daarnaast hebben wij voor de zekerheid ook nog even in ons collectiebeheer gekeken en ook daarvan de terugkoppeling gekregen dat niets rondom beeld de zeemeermin is geregistreerd.”

3 De vordering

3.1.

[eisers] vorderen dat de kantonrechter Kennemerhart veroordeelt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 5.998,22 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten van € 907,50 en de wettelijke rente van € 90,72) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening. Dit alles met veroordeling van Kennemerhart in de kosten van de procedure.

3.2.

[eisers] leggen aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij het gipsenbeeld – dat behoort tot de nalatenschap van [kunstenaar] waarvan zij enig erfgenamen zijn – in 1992 in bruikleen aan Kennemerhart hebben gegeven. [eisers] stellen (1) op grond van de niet-nakoming van de (mondelinge) bruikleenovereenkomst of (2) op grond van onrechtmatige daad een vordering te hebben op Kennemerhart. Het gipsenbeeld is er door toedoen van Kennemerhart niet meer. Door [conservator] , conservator rijkscollectie, is het schadebedrag begroot op € 5.000,- . [eisers] betwisten dat Kennemerhart de eigendom van het gipsenbeeld heeft gekregen door verjaring.

4 Het verweer

4.1.

Kennemerhart betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat sprake is van verkrijgende danwel bevrijdende verjaring en dat het gipsenbeeld daardoor haar eigendom is geworden. Kennemerhart is vanaf 1992 bezitter te goeder trouw geweest van het gipsenbeeld. Niet is gebleken dat het gipsenbeeld tot de nalatenschap van [kunstenaar] behoorde. Voorts is er geen sprake van een bruikleenovereenkomst, er zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit valt op te maken dat partijen hebben beoogd een (mondelinge) bruikleenconstructie overeen te komen. Ook van een onrechtmatige daad is geen sprake. Uit niets volgt de verplichting van Kennemerhart tot teruggave van het gipsenbeeld.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is in geschil of Kennemerhart is gehouden tot betaling van een schadevergoeding van € 5.000,- wegens de verdwijning van het gipsenbeeld van de “zeemeermin met kind”.

5.2.

Vast staat dat [eisers] de erfgenamen van [kunstenaar] zijn. Op nadere vragen van de kantonrechter ter zitting hebben [eisers] toegelicht dat zij de gehele nalatenschap onder algemene titel hebben geërfd van [kunstenaar] . Dat het gipsenbeeld onderdeel uitmaakt van de nalatenschap blijkt volgens hen uit het feit dat zij onder meer de originele schetsen, dagboeken, gipsontwerpen, het gipsenbeeld van de zeemeerminnenstaart en beelden van [kunstenaar] in hun bezit hebben.

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op alle ingebrachte foto’s van [eisers] en de getoonde schetsen en beelden ter zitting zij voldoende gemotiveerd hebben aangevoerd en onderbouwd dat het gipsenbeeld onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van [kunstenaar] .

5.4.

In beginsel betekent dit dat [eisers] in hun hoedanigheid van erfgenamen van [kunstenaar] als eigenaren van het gipsenbeeld kunnen worden aangemerkt.

Verkrijgende verjaring

5.5.

Het meest verstrekkende verweer van Kennemerhart is dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van het gipsenbeeld.

5.6.

Niet in geschil is dat het gipsenbeeld een roerende zaak, niet-registergoed is zoals bedoeld in artikel 3:99 BW. Op grond van voornoemd artikel verkrijgt een bezitter te goeder trouw het recht van eigendom op een dergelijke zaak door een onafgebroken bezit van drie jaren.

Bezit

5.7.

Voor de vraag of iemand bezitter is, zijn de artikelen 3:107 BW e .v. van belang. Uiteindelijk bepaalt de verkeersopvatting of iemand bezitter is, met inachtneming van de wettelijke regels en op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). Uitgangspunt is dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en dus bezitter daarvan is (art. 3:109 BW) en voorts dat de bezitter van een goed vermoed wordt de rechthebbende te zijn (art. 3:119 lid 1 BW). Oftewel; de bezitter zal zich zo moeten gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Zo is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn indien de werkelijke rechthebbende gedurende lange tijd nalaat maatregelen te nemen teneinde de inbreuk op zijn recht te beëindigen.

5.8.

[eisers] betwisten dat Kennemerhart de eigendom van het gipsenbeeld pretendeerde te hebben. Dit blijkt volgens hen uit (1) de brief van 13 november 2019, (2) haar zoektocht naar het gipsenbeeld, (3) uit haar eigen stelling dat het beeld zou zijn meegegeven aan een (vermeend) familielid van [kunstenaar] en (4) de e-mailcorrespondentie tussen Kennemerhart en het Zandvoorts Museum. [eisers] hebben het gipsenbeeld op grond van een (mondelinge) bruikleenovereenkomst aan Kennemerhart ter beschikking gesteld, aldus [eisers] . Dit blijkt ook uit de ingebrachte documentatie, waaronder een brochure van het Zandvoorts Museum en een krantenartikel van [betrokkene 3] . Daarbij dient volgens [eisers] een doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de e-mailwisseling zoals weergegeven onder 2.9 – 2.10, waaruit ook duidelijk volgt dat Kennemerhart het beeld niet voor zichzelf is gaan houden en zich zelfs afvraagt van wie het beeld eigenlijk is.

5.9.

In reactie hierop heeft Kennemerhart betoogd dat het gipsenbeeld haar eigendom is (geweest). Kennemerhart betwist dat – zoals zij in haar brief van 13 november 2019 heeft geschreven – het gipsenbeeld is opgehaald door een (vermeend) familielid van [kunstenaar] . Het gaat om een gerucht en het is goed mogelijk dat het gipsenbeeld nog veel langer – dus ook na 2009 – in de centrale hal van Huis in de Duinen heeft gestaan. Er zijn in het archief ook geen stukken (bijvoorbeeld een briefje van afgifte) gevonden die er op wijzen dat het gipsenbeeld is afgehaald of dat er sprake is geweest van een (mondelinge) bruikleenovereenkomst, hoewel dit wel gebruikelijk is binnen haar organisatie. Verder hebben [eisers] ook geen correspondentie ingebracht waaruit het bestaan van een (eventueel mondeling aangegane) bruikleenovereenkomst blijkt. De e-mailcorrespondentie van Kennemerhart met het Zandvoorts Museum is daarbij irrelevant. De informatie zou afkomstig zijn van Wikipedia, maar uit de ingebrachte bewerkingspagina’s van Wikipedia (productie 2 bij conclusie van antwoord) volgt dat geen melding wordt gemaakt van bruikleen. Bovendien ziet door de onjuiste vraagstelling het antwoord van het Zandvoorts Museum op het bronzen beeld en niet op de het gipsenontwerp. Omdat Kennemerhart een fusieorganisatie is, is het voor haar niet mogelijk geweest om te achterhalen wie destijds de directeur was om zodoende meer concrete informatie te achterhalen. Tot het moment van de ontvangst van de brief van 5 september 2019 waren [eisers] ook niet bekend bij Kennemerhart.

5.10.

Vast staat dat het gipsenbeeld vanaf 1992 in de centrale hal van Huis in de Duinen heeft gestaan. Aldus kon Kennemerhart de feitelijke macht uitoefenen over het gipsenbeeld en zich als rechthebbende beschouwen. Dat was ook naar buiten toe zichtbaar en duidelijk voor derden. De omstandigheid dat Kennemerhart in haar brief van 13 november 2019 heeft geschreven dat zij het gipsenbeeld mogelijk – op het moment van schrijven tien jaar geleden – aan een (vermeend) familielid van [kunstenaar] heeft meegegeven, maakt dit niet anders. Dit mede gelet op de door Kennemerhart nader gegeven toelichting ter zitting dat het hier om een gerucht gaat en het goed mogelijk is dat het gipsenbeeld langer in de centrale hal van Huis in de Duinen heeft gestaan. Nu door Kennemerhart de betrouwbaarheid van de ingebrachte documentatie van [eisers] wordt betwist, kan de kantonrechter hier ook geen waarde aan hechten. Ook de zoektocht van Kennemerhart naar het gipsenbeeld is onvoldoende voor het oordeel dat Kennemerhart het gipsenbeeld niet voor zichzelf zou houden. Nu de e-mailcorrespondentie tussen Kennemerhart en het Zandvoorts Museum – gelet op de gemotiveerde betwisting van Kennemerhart – ook geen duidelijkheid verschaft, kan ook daar niet de conclusie aan worden verbonden dat Kennemerhart het beeld niet voor zichzelf is gaan houden.

5.11.

Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat Kennemerhart vanaf 1992 het bezit van het gipsenbeeld heeft verkregen.

Bezit te goeder trouw

5.12.

Voor het vereiste van goede trouw geldt een bijzondere wettelijke regeling. Op grond van artikel 3:118 lid 1 BW is een bezitter te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Goede trouw wordt op grond van artikel 3:118 lid 3 BW vermoed aanwezig te zijn. Deze wettelijke bepaling geeft een wettelijk vermoeden van goede trouw dat voor tegenbewijs vatbaar is. Daarbij gaat het niet om het ontzenuwen van dit wettelijk vermoeden, maar om het leveren van bewijs van het tegendeel. Voorts geldt het onweerlegbaar wettelijk vermoeden dat als een bezitter eenmaal te goeder trouw is, hij geacht wordt dit te blijven.

5.13.

De kantonrechter is van oordeel dat [eisers] er niet in zijn geslaagd om bewijs te leveren van haar stelling dat Kennemerhart geen bezitter te goeder trouw is geweest. Zoals hiervoor overwogen zijn door [eisers] onvoldoende indicaties gegeven die wijzen op het bestaan van een (mondeling) gesloten bruikleenovereenkomst. Ook op de overige aangevoerde gronden – waaronder de zoektocht naar het gipsenbeeld en het ter zitting opgeworpen verweer dat iedereen wist dat het gipsenbeeld tot de collectie van [kunstenaar] behoorde – is onvoldoende vast komen te staan dat Kennemerhart op het moment dat zij het gipsenbeeld in haar bezit verkreeg in 1992, niet te goeder trouw zou zijn geweest en zich niet als rechthebbende beschouwde en ook niet kon beschouwen.

5.14.

Concluderend is voldoende komen vast te staan dat Kennemerhart in 1992 te goeder trouw was toen zij het gipsenbeeld in haar bezit kreeg. Zij heeft in ieder geval tot en met 2009 – en mogelijk langer – het onafgebroken bezit van het gipsenbeeld gehad. Nu de verjaringstermijn 3 jaren bedraagt, betekent dit dat Kennemerhart in 1995 de eigendom van het gipsenbeeld heeft gekregen en sindsdien als eigenaar daarvan kan worden aangemerkt. Dat Kennemerhart het gipsenbeeld momenteel niet meer in haar bezit heeft, doet aan vorenstaande niet af.

5.15.

Het had op de weg van [eisers] gelegen om zich – mede gelet op het feit dat Kennemerhart een fusieorganisatie is – eerder bij Kennemerhart te melden om eventueel maatregelen te treffen om de verjaring te doen eindigen.

5.16.

De kantonrechter zal de vordering van [eisers] tot betaling van € 5.000,- afwijzen. De vordering van [eisers] tot betaling van de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten treft – gelet op het voorgaande – eenzelfde doel.

5.17.

De overige ingenomen standpunten behoeven geen verdere bespreking meer, aangezien deze niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

5.18.

De proceskosten komen voor rekening van [eisers] , omdat zij ongelijk krijgen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Kennemerhart worden vastgesteld op een bedrag van € 600,- aan salaris van de gemachtigde van Kennemerhart;

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter