Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4679

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
8379121 \ CV FORM 20-2475
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Beroep op buitengewone omstandigheden verworpen. Staking Franse luchtverkeersleiding. Niet is komen vast te staan dat de annulering van de vlucht noodzakelijk was als gevolg van de staking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8379121 \ CV FORM 20-2475

Uitspraakdatum: 19 mei 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

wonende te [woonplaats]

2. [passagier sub 2]

wonende te [woonplaats]

3. [passagier sub 3]

4. [passagier sub 4]

5. [passagier sub 5]

6. [passagier sub 6]

allen wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: Webcasso B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Ryanair DAC

gevestigd te Dublin (Ierland)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. A.C.J. Houwers

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 5 maart 2020;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 24 augustus 2020.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Malaga (Spanje) naar Amsterdam op 9 juni 2018, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht is geannuleerd.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 2.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 766,63 aan extra kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening
- € 544,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 juni 2018;
- de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat de vervoerder gehouden is de vordering te betalen aangezien de vlucht met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen (de kantonrechter begrijpt; vanwege de annulering van de vlucht) conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 2.400,00. Voorts dient de vervoerder een bedrag van € 766,63 aan extra kosten te betalen en maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van der buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht van de passagiers is geannuleerd, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.3.

De vervoerder heeft aangevoerd dat vanaf 9 juni 2018 te 04:30 uur tot en met 11 juni te 04:30 uur door de Franse luchtverkeersleiding werd gestaakt. Als gevolg hiervan hebben meerdere luchtvaartmaatschappijen diverse vluchten moeten annuleren. De onderhavige vlucht diende door het getroffen Franse luchtruim te vliegen. Het was niet mogelijk om het getroffen gebied te vermijden waardoor de vervoerder de vlucht heeft moeten annuleren. Dit is volgens de vervoerder een gebeurtenis waarover hij geen controle heeft bij de normale uitoefening van zijn activiteit en die buiten de verplichtingen valt welke voortvloeien uit de na te leven veiligheidsregels. Verder voert de vervoerder aan dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te vermijden. Hij is daarom niet gehouden om compensatie aan de passagiers te betalen.

4.4.

De vervoerder heeft ter onderbouwing van zijn verweer een NOTAM overgelegd. In de NOTAM staat dat vanwege de staking sprake kan zijn van verstoringen en de vliegtuigmaatschappijen worden uitgenodigd om een gewijzigde vliegroute aan te leveren, om het gebied rond Marseille te vermijden. Hieruit volgt niet dat vliegverkeer niet mogelijk is geweest vanwege stakingen van de Franse luchtverkeersleiding. Voorts heeft de vervoerder een verklaring van zijn Flight Operations overgelegd. Daarin wordt door de vervoerder verklaard dat de vlucht te maken kreeg met slot-restricties van Eurocontrol. De vervoerder heeft echter nagelaten deze slotberichten over te leggen. De door de vervoerder overgelegde stukken bevatten immers geen specifiek besluit van Eurocontrol. Derhalve is niet, althans onvoldoende, komen vast te staan dat de annulering van de vlucht noodzakelijk is geworden als gevolg van de staking. Het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening kan dan ook niet slagen. De vordering van de passagiers tot betaling van de compensatie van € 2.400,00 ( € 400,00 per passagier) zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over deze hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.5.

De passagiers vorderen tevens vergoeding van de gemaakte kosten. Deze kosten bestaan uit vergoeding van ticketprijzen voor een vervangende vlucht en maaltijen. De vervoerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat de passagiers op grond van artikel 8 lid 1 sub a van de Verordening gekozen hebben voor terugbetaling van de tickets en dat de vervoerder daardoor niet gehouden kan zijn voor de vergoeding van de alternatieve vervoerskosten. Gesteld noch gebleken is dat de passagiers hun ticketprijs niet vergoed hebben gekregen. Voorts heeft de vervoerder met betrekking tot de overige kosten aangevoerd dat niet is vast te stellen of de gemaakte kosten redelijk en noodzakelijk zijn, omdat de bij het vorderingsformulier gevoegde producties slecht leesbaar zijn. De kantonrechter volgt de vervoerder in zijn verweer. Daar komt bij dat de passagiers de gevorderde additionele kosten niet nader hebben toegelicht of onderbouwd. Het had op de weg van de passagiers gelegen om een nadere toelichting te verstrekken, teneinde de kantonrechter in staat te stellen te beoordelen of de gevorderde kosten betrekking hebben op de verplichting tot verzorging, en zo ja, of deze kosten noodzakelijk, passend en redelijk zijn geweest. Nu de passagiers dit niet hebben gedaan, komt dit voor hun risico. Geoordeeld wordt daarom dat het onduidelijk is gebleven waarop de gevorderde additionele vergoeding precies ziet en hoe de hoogte van deze vordering tot stand is gekomen. Het gevorderde bedrag van € 766,63 wordt daarom afgewezen.

4.6.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 435,60 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

4.7.

Voorts heeft de vervoerder nog aangevoerd dat indien de compensatie wordt toegewezen, de vervoerder niet gehouden is proceskosten te voldoen. De vervoerder beroept zich daarbij op artikel 15.2 van haar algemene voorwaarden. De kantonrechter overweegt dat eerder bij beschikkingen van 22 januari 2020 ( 7573474/ CV FORM 19-2569 en 7526665 CV FORM 19-1756) is geoordeeld dat artikel 15.2 van de algemene voorwaarden van de vervoerder als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt. Artikel 15.2 van de algemene voorwaarden van de vervoerder is door de kantonrechter vernietigd en dient dan ook buiten toepassing te blijven. De proceskosten komen dan ook voor rekening van de vervoerder. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

4.8.

Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

4.9.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.835,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.400,00 vanaf 9 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 236,00 aan griffierecht en € 218,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 118,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open