Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4678

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
6606434 \ CV EXPL 18-574
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Beroep op buitengewone omstandigheid slaagt. Toestel moest tijdens de uitvoering van de voorafgaande vlucht uitwijken naar andere luchthaven. Beslissing gezagvoerder marginaal toetsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6606434 \ CV EXPL 18-574

Uitspraakdatum: 19 mei 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1. [passagier sub 1] ,pro se en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger voor haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

2. [passagier sub 2]

3. [passagier sub 3]

allen wonende te [woonplaats]

4. [passagier sub 4]

5. [passagier sub 5]

beiden wonende te [woonplaats]

6. [passagier sub 6]

wonende te [woonplaats]

7. [passagier sub 7]

wonende te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers

gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.)

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

British Airways PLC

gevestigd te Cardiff, Wales (Verenigd Koninkrijk)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. J.W.A. Lameijer

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 13 oktober 2017 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers hebben vervolgens nog een akte genomen.

2 De feiten

2.1.

De passagiers sub 1 tot en met sub 3 hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van New York (Verenigde Staten) naar Amsterdam via Londen (Verenigd Koninkrijk) op 5 en 6 mei 2017.

2.2.

De passagiers sub 4 tot en met sub 7 hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van New York (Verenigde Staten) naar Düsseldorf (Duitsland) via Londen op 5 en 6 mei 2017.

2.3.

Het eerste deel van de vlucht, New York – Londen (hierna: de vlucht), is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vluchten naar Amsterdam respectievelijk Düsseldorf gemist. De passagiers zijn met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemmingen aangekomen.

2.4.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.5.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.6.

Passagier sub 1 is door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens haar minderjarige kinderen te voeren.

3 De vordering

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 5.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 847,00, dan wel € 780,45 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Daartoe heeft hij, onder meer, het volgende aangevoerd.

4.2.

Voorafgaand aan de vlucht in kwestie heeft het toestel de vlucht Londen – New York uitgevoerd. Wegens zeer slechte weersomstandigheden, namelijk zware wind en hevige onweersbuiten, kreeg het toestel geen toestemming van de luchtverkeersleiding te New York om te landen. Aangezien de luchtverkeersleiding niet kon aangeven hoe lang het zou duren voordat er weer geland mocht worden en het toestel nog een beperkte brandstofvoorraad had, heeft de gezagvoerder besloten om uit te wijken naar het dichtstbijzijnde veilig te bereiken vliegveld, te weten het vliegveld van Bosten. Na een korte stop om het toestel bij te tanken bleken de weersomstandigheden dusdanig te zijn verbeterd dat het weer was toegestaan om in New York te landen. De voorgaande vlucht arriveerde met een vertraging van 272 minuten te New York. Door het snelle handelen van het personeel in New York is de vertraging van de vlucht in kwestie beperkt gebleven tot 130 minuten. Gedurende de vlucht naar Londen heeft de vlucht in kwestie echter nog 22 minuten extra vertraging opgelopen vanwege ongunstige wind. Uiteindelijk arriveerde de vlucht met een vertraging van 152 minuten in Londen, waardoor de passagiers hun aansluitende vluchten hebben gemist. De gedeeltelijke sluiting van de luchthaven van New York door weersomstandigheden is een buitengewone omstandigheid die doorwerkte op de vlucht van de passagiers.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de verschillende eindbestemming zijn aangekomen, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is compensatie te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient de vervoerder in het voorkomende geval aan te tonen dat hij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden

5.3.

De vraag die voorligt is of de vervoerder met zijn overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.

5.4.

De passagiers betwisten dat sprake was van slechte weersomstandigheden tijdens de uitvoering van de vlucht in kwestie en stellen dat de daadwerkelijke reden voor het uitwijken is gelegen in dat er niet voldoende brandstof in het toestel was om klaring af te wachten en dat dit een beslissing was van de gezagvoerder en niet van de luchtverkeersleiding.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder met zijn overgelegde producties en zijn toelichting daarop dat het toestel tijdens de uitvoering van de voorafgaande vlucht niet kon landen wegens zware regenval en hevige onweer. Voorts staat in het Incident Report van de vervoerder dat het toestel is uitgeweken “due severe weather at JFK” en “After remote parking and refuel fight able to continue to JFK, with use of commandors discretion, due significant improvement in weather. De kantonrechter maakt, net zoals de passagiers, hieruit op dat de gezagvoerder de beslissing heeft genomen om uit te wijken naar een andere luchthaven om daar brandstof bij te tanken. Anders dan de passagiers is de kantonrechter echter van oordeel dat dit een buitengewone omstandigheid oplevert die doorwerkt op de vlucht van de passagiers. De gezagvoerder is immers bevoegd die maatregelen te treffen die hij nodig acht om de vliegveiligheid te waarborgen of ter verzekering van de orde en discipline aan boord van het vliegtuig. Het besluit van de gezagvoerder om uit te wijken dient de kantonrechter daarom terughoudend en marginaal te toetsen. Het mag niet zo zijn dat luchtvaartmaatschappijen ertoe worden gebracht om voorrang te geven aan de handhaving en punctualiteit van hun vluchten boven de nagestreefde veiligheid van hun passagiers. De kantonrechter ziet dan ook onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de gezagvoerder niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, noch dat de beslissing van de gezagvoerder is genomen die door omstandigheden in de invloed- en risicosfeer van de vervoerder lagen. De vertraging op de voorgaande vlucht voor de duur van 127 minuten is dan ook te wijten aan een buitengewone omstandigheid die doorwerkt op de vlucht in kwestie. De vlucht is immers met hetzelfde toestel uitgevoerd en niet is gebleken dat de vervoerder invloed kon uitoefenen op de omstandigheid dat het toestel niet tijdig kon vertrekken doordat de vertraging van de voorgaande vlucht 127 minuten heeft geduurd .

5.6.

De vervoerder heeft verder aangevoerd dat de vlucht in kwestie nog een extra vertraging van 22 minuten heeft opgelopen wegens een ongunstige wind. Met de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat dit geen buitengewone omstandigheid oplevert. Deze omstandigheden vinden immers veelvuldig plaats nu de toestellen in de lucht met luchtstromen worden gevlogen. Deze omstandigheden zijn dan ook inherent aan het vliegverkeer.

5.7.

Het toestel is uiteindelijk om 08:57 uur lokale tijd in Londen aangekomen. De passagiers hebben de aansluitende vluchten naar Amsterdam en Düsseldorf met een schemavertrektijd van 08:20 uur respectievelijk 07:35 uur lokale tijd gemist. De stelling van de passagiers dat de vervoerder geen rekening heeft gehouden met een minimale reservetijd in zijn planning kan hun niet baten, omdat de passagiers zelfs met een redelijke reservetijd de overstap zouden hebben gemist, nu de vertraging ontstaan door de buitengewone omstandigheid 127 minuten heeft geduurd. Voorts hebben de passagiers gesteld dat de vervoerder ze op alternatieve vluchten, te weten AB7481, KL644 en DL48, heeft kunnen omboeken zodat de passagiers hun eindbestemming sneller konden bereiken. De vervoerder heeft aangevoerd dat hij niet gehouden was om de passagiers om te boeken naar andere vluchten. De kantonrechter merkt op dat – anders dan in eerdere vonnissen van deze rechtbank is geoordeeld – de luchtvaartmaatschappij niet onder alle omstandigheden kan volstaan met het aanbieden van de eerstvolgende vlucht die door de vervoerder zelf of een dochtermaatschappij wordt uitgevoerd. Volgens het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) is dit in beginsel geen redelijke maatregel, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen. In het onderhavige geval zijn de passagiers echter dezelfde dag op de eindbestemming aangekomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de vervoerder door de passagiers om te boeken naar de eerstvolgende door hemzelf uitgevoerde vlucht, geen redelijk alternatief heeft geboden.

5.8.

Gelet op het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. De overige verweren van de vervoerder behoeven derhalve geen bespreking. De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 622,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter