Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4676

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
8687289 \ CV FORM 20-6597
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Beroep op buitengewone omstandigheden faalt. Verweer vervoerder ziet op andere vlucht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8687289 \ CV FORM 20-6597

Uitspraakdatum: 12 mei 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Air Baltic Corporation AS

gevestigd te Riga (Letland)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: I. Puriņš

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 4 augustus 2020;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 29 september 2020.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar Baku (Azerbeidzjan) via Riga op 5 augustus 2018, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht van Riga naar Baku is vertraagd uitgevoerd.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 181,50 subsidiair € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 1.200,00. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

De vervoerder betwist de verschuldigdheid van het verzochte. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de vlucht van Baku naar Riga op 20 augustus 2018 wegens buitengewone omstandigheden vertraagd is uitgevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.3.

De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop aannemelijk heeft gemaakt dat de vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.

4.4.

De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. Het verweer van de vervoerder ziet echter op een andere vlucht dan de vlucht in kwestie. De vervoerder heeft in zijn antwoordformulier uiteengezet dat de vlucht van Baku naar Riga op 20 augustus 2018 vertraagd is uitgevoerd wegens operationele omstandigheden terwijl de passagiers gecompenseerd wensen te worden voor de vertraagde uitvoering van de vlucht van Riga naar Baku op 5 augustus 2018. Nu de vervoerder niets heeft gesteld over de gang van zaken van de vlucht in kwestie kan de kantonrechter niet vaststellen of de deze vlucht wegens buitengewone omstandigheden vertraagd is uitgevoerd, zodat de vordering van de passagiers voor toewijzing gereed ligt.

4.5.

De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.6.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Omdat het primair verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, omdat gesteld noch gebleken is dat de passagiers deze kosten hebben betaald.

4.7.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

4.8.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.381,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 5 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 236,00 aan griffierecht en € 124,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open