Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4602

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
15/315495-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van 46 maanden gevangenisstraf voor de opzettelijke invoer van bijna 10 kilo heroïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/315495-20

Uitspraakdatum: 6 april 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 maart 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Boheur en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.C. van Hoogmoed, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 13 december 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de invoer van heroïne.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 13 december 2020 per vliegtuig vanuit Doha (Qatar) op Schiphol is aangekomen met heroïne in zijn twee koffers. De verdachte heeft verklaard dat hij wel wist dat het om illegale drugs ging, maar dat hij niet wist dat het om heroïne ging en hoeveel het was. De organisatie had de spullen in de koffers gestopt en de verdachte heeft daarover naar eigen zeggen geen verdere vragen gesteld. Door de koffers met smokkelwaar niet te controleren, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een hoeveelheid heroïne zou invoeren, hetgeen ook het geval bleek te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van heroïne in Nederland. Het ten laste gelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 13 december 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding ziet om van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie af te wijken.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gewezen op de armoedige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn verlies van inkomen en woning als gevolg van de heersende pandemie, waardoor hij zijn familie niet meer kon onderhouden. Tevens acht de raadsvrouw de omstandigheid van belang dat de verdachte op de luchthaven van Johannesburg, vlak voor vertrek, geconfronteerd werd met twee koffers in plaats van één.

Ondanks dat de verdachte de tweede koffer met smokkelwaar niet wilde meenemen op zijn vliegreis naar Nederland, zag hij geen mogelijkheid om te weigeren. De raadsvrouw heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte zwaarder treft, nu hij de Nederlandse taal niet spreekt en geen bezoek zal krijgen. Zij heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met voornoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist. Daarbij heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het aangetroffen gehalte van de heroïne onbekend is en de oriëntatiepunten van het Landelijke Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) uitgaat van zuivere heroïne.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van bijna tien kilogram heroïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in heroïne gaan gepaard met vele andere vormen van (zeer zware) criminaliteit, waaronder levensdelicten en de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op de aard en de ernst van het feit en gelet op de straffen die voor dit soort feiten doorgaans worden opgelegd, komt slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als passende straf in aanmerking. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt genomen, waarin een duur van 46 tot 48 maanden wordt vermeld bij een hoeveelheid tussen de 9 en 10 kilo harddrugs. Gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, zal de rechtbank in het voordeel van de verdachte aansluiting zoeken bij de ondergrens van de genoemde marge en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 46 maanden.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zegge: zesenveertig) maanden;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Maas, voorzitter,

mrs. M. Visser en M. Ramondt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Bähler,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2021.

mr. C. Maas is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.