Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4600

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
HAA 19/3446, 19/3522, 19/3523, 19/3593, 19/3594, 19/3595, 19/3596, 19/3688, 19/3712, 19/3851, 19/3895 en 19/3896
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Òmgevingsvergunning uitbreiden speeltuin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3446, 19/3522, 19/3523, 19/3593, 19/3594, 19/3595, 19/3596, 19/3688, 19/3712, 19/3851, 19/3895 en 19/3896


uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser 1,

[eiser 2] (mede namens [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] ), eiser 2,

[eiser 3] , eiser 3,

[eiser 4] (mede namens mede namens bewoners appartementengebouw “ [appartementengebouw] ”), eiser 4,

[eiser 5] , eiser 5,

[eiser 6] , eiser 6,

[eiser 7] (mede namens meerdere bewoners [straat] ), eiser 7,

[eiser 8] , eiser 8,

[eiser 9] (mede namens [naam 4] ), eiser 9

[eiser 10] (mede namens [naam 5] ) met gemachtigde mr. N. Lubach, eiser 10,

[eiser 11] (mede namens [naam 6] ) met gemachtigde W.J.P. Raaijmakers, eiser 11,

[eiser 12] met gemachtigde W.J.P. Raaijmakers, eiser 12

allen te [woonplaats] , hierna ook: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigden mr. S. Haak en S. Ramsoekh).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: de Stichting Speeltuin 't Span (hierna: de Stichting), te Alkmaar

(gemachtigde: J.C. den Ouden, voorzitter van de Stichting).

Procesverloop

Eisers hebben beroepen ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 juli 2019 (het bestreden besluit) tot verlening van een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van speeltuin ’t Span (hierna: de speeltuin).

De Stichting heeft op 2 november 2019 een reactie ingebracht.

Verweerder heeft op 4 maart 2021 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. Eisers 1, 3, 4, 5 6, 7, 8, 10, 11 en 12 zijn verschenen. Eiser 10 is bijgestaan door zijn gemachtigde. Eisers 11 en 12 zijn bijgestaan door mr. M. Santokhi, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen bij zijn gemachtigde en [naam 7] , penningmeester van de Stichting. Na de zitting is het onderzoek gesloten.

Op 15 maart 2021, de middag na de zitting, heeft verweerder de griffier bericht dat hij tijdens de zitting een verouderde versie heeft overgelegd van het besluit met daarin een lijst van categorieën van gevallen waarin de gemeenteraad niet een verklaring van geen bedenkingen hoeft af te geven voor afwijking van het bestemmingsplan. Daarom heeft verweerder alsnog de actuele versie gemaild aan zowel de rechtbank als eisers. De rechtbank heeft het onderzoek niet heropend, omdat categorie 2 van de lijst (zaken waarvoor géén verklaring van geen bedenkingen zijn vereist) ongewijzigd is.

Op 30 maart 2021 heeft verweerder de rechtbank een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestuurd. De Stichting en eisers hebben van verweerder een afschrift ontvangen. In het bestreden besluit is bepaald dat de omgevingsvergunning voor de activiteit kappen vervalt wanneer binnen 2 jaar na publicatie (17 juli 2019) van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning. Verweerder heeft met het wijzigingsbesluit de vervalregeling gewijzigd in 2 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning. Gelet op de uitkomst van deze zaken ziet de rechtbank geen aanleiding het gewijzigde besluit alsnog ter beoordeling mee te nemen. Het onderzoek is daarom niet heropend.

Op 15 april 2021 heeft eiser 3 de rechtbank mede namens een aantal andere buurtbewoners bericht alsnog in te willen gaan op het tijdens de zitting gedane aanbod een mediator te vragen om te bemiddelen in het conflict tussen de gemeente en buurtbewoners. De rechtbank heeft eiser 3 bij brief van 22 april 2021 bericht daartoe geen mogelijkheid te zien nu het verzoek niet door alle partijen is gedaan. Het onderzoek is derhalve niet heropend.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 11 juli 2019, gepubliceerd in de Staatscourant op 17 juli 2019, een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de speeltuin. Verweerder heeft de vergunning verleend voor de deelactiviteiten:

a. bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, (Wabo).

b. planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1 eerste lid, onder c, van de Wabo).

c. vellen van een houtopstand (artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo).

Zienswijzen en ontvankelijkheid

2. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat een aantal eisers geen zienswijze heeft ingediend en daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk is. Gelet op de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 april 20211 behoeft dit standpunt van verweerder, wat daar ook van zij, geen bespreking meer. Uit deze uitspraak volgt dat in geval van een besluit op grond van onder meer de Wabo het recht van een belanghebbende om beroep in te stellen niet afhankelijk mag worden gesteld van deelname aan de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (uov) van afdeling 3.4 van de Awb. Artikel 6:13 van de Awb mag aan belanghebbenden bij onder meer een omgevingsvergunning die tot stand komt met de uov niet worden tegengeworpen. Alle eisers worden door de rechtbank als belanghebbenden aangemerkt bij het bestreden besluit en zijn daarom ontvankelijk in hun beroepen.

Verklaring van geen bedenkingen

3.1

Bij besluit van 2 januari 2015 heeft de gemeenteraad van Alkmaar de categorieën aangewezen waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist (artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor)). In dit besluit staat onder categorie 2 “Projecten die een herontwikkeling van een bestaande locatie inhouden en waarbij geen aanpassing in de ruimtelijke dan wel stedenbouwkundige structuur plaatsvindt”.

In de toelichting staat: “een stedenbouwkundige structuur betreft de grote lijnen van de bebouwingsstructuur, tot uiting komend in het patroon van straten, stegen, grachten, de vormgeving van de openbare ruimte, de verhouding tussen bebouwingswanden en die ruimte, de structuur bepalende groenvoorzieningen etc. Een ingrijpende wijziging van het stratenpatroon wordt altijd beschouwd als een wijziging van de stedenbouwkundige structuur. Incidentele verschuivingen in de bouwhoogte hoeven niet als zodanig

te worden aangemerkt. Wijziging in het gebruik van gronden valt niet onder wijziging van de stedenbouwkundige structuur.”

3.2

Eisers 11 en 12 voeren aan dat ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen aan de raad is gevraagd, nu het plan is aan te merken als een aanpassing in de ruimtelijke structuur omdat sprake is van wijziging van de vormgeving van de openbare ruimte en wijziging van de groenstructuur.

3.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van de speeltuin onder categorie 2 valt, omdat het een (her)ontwikkeling van een bestaande locatie betreft. Speeltuin is een functie binnen de bestemming Groen. Deze functie past binnen de bestemming, zij het dat het aanduidingsvlak wordt vergroot met 16,7%. De uitbreiding beslaat een zeer beperkt deel van het park. Verweerder ziet hierin geen wijziging van de ruimtelijke- of groenstructuur.

3.4

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op deze toelichting op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Het project dat ziet op een beperkte uitbreiding van de speeltuin met 500 m2 kan gelet op de totale oppervlakte van het park, niet als ingrijpende wijziging van een structuur bepalende groenvoorziening worden aangemerkt.

Aard en omvang omgevingsvergunning onduidelijk / activiteit bouwen

4.1

Eisers 11 en 12 voeren aan dat uit de aanvraag noch uit de verleende omgevingsvergunning blijkt welk(e) bouwwerk(en) zijn aangevraagd en wat is vergund. De bouwwerken zijn niet omschreven en bij de gepubliceerde aanvraag zit geen tekening. Het ontbreken van de functie ‘Speeltuin’ in het bestemmingsplan had moeten leiden tot een duidelijke omschrijving van de aard en omvang van de vergunde functie. Het gevraagde is niet passend en niet verenigbaar met de primaire bestemming Groen. Niet duidelijk is welke afwijking van het bestemminsplan is vergund. Door dit gemis zijn de ruimtelijke effecten niet onderzocht en afgewogen. Zodoende is ook een speeltuin als toeristische attractie mogelijk. Andere eisers noemen en vrezen de komst van een rodelbaan.

4.2

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat hetgeen is aangevraagd en vergund afdoende duidelijk is. Onderdeel van de vergunning is onder andere het uitbreidingsplan van 27 juli 2017 en de situatietekening in bijlage I van het inrichtingsvoorstel van 27 september 2017. Na vergelijking van tekening 7.2 van het uitbreidingsplan met tekening 7.3 wordt duidelijk wat er bij komt en wat er wordt gebouwd. Het gaat om een beperkte uitbreiding, enige herinrichting en met name het bouwen van de omheining (erfafscheiding). Verweerder vindt (de begrenzing van) het aangevraagde en het vergunde, met de vergunningvoorwaarden (door de rechtbank hierna voorschriften genoemd), voldoende om aan te nemen dat het niet om een toeristische attractie gaat en dat het ook geen toeristische attractie zal worden. Daarom heeft verweerder ook niet ingestemd met de wens van de Stichting een grotere uitbreiding of een verzwaring in de vorm van een rodelbaan te realiseren. Verweerder acht de aard en omvang van de speeltuin en de mogelijke ruimtelijke effecten afdoende duidelijk. De voorliggende aanvraag omgevingsvergunning voor een beperkte uitbreiding van de speeltuin is niet de gelegenheid om de systematiek van het bestemmingsplan aan te passen.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van 24 januari 2017 vermeldt dat een omgevingsvergunning wordt gevraagd voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Uit de aanvraag en de verleende omgevingsvergunning blijkt niet voor welk bouwwerk of welke bouwwerken de vergunning voor de activiteit bouwen is verleend. Dat blijkt ook niet na vergelijking van de tekeningen 7.2 en 7.3.

Nu niet duidelijk is voor welk bouwwerk de vergunning is aangevraagd en uit de omgevingsvergunning niet blijkt wat is vergund onder de activiteit bouwen stellen eisers naar het oordeel van de rechtbank terecht dat dan ook niet duidelijk is welke afwijking van het bestemmingsplan is vergund en welke ruimtelijke effecten zijn onderzocht en afgewogen. De door verweerder aangehaalde vergunningvoorschriften bieden evenmin duidelijkheid over hetgeen is vergund.

Verweerder heeft voorts niet onderbouwd dat geen vergunning voor bouwen is vereist voor het (gewijzigd) plaatsen van speeltoestellen op het bestaande deel van de speeltuin en het plaatsen van picknicktafels en de waterspeelplaats op het nieuwe deel van de speeltuin. Door het ontbreken van duidelijke afmetingen van en andere informatie over de speeltoestellen en het meubilair is niet duidelijk óf wel sprake is van vergunningvrij bouwen. Dit heeft ook gevolgen voor de beoordeling van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat, waarop de rechtbank hieronder zal ingaan. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is welk bouwwerk of welke bouwwerken zijn vergund. De beroepsgrond slaagt.

Geen welstandstoets

5.1

Eisers 11 en 12 voeren aan dat niet kenbaar is getoetst of wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand.

5.2

Nu niet duidelijk is wat vergund is onder de activiteit bouwen, komt de rechtbank aan bespreking van deze beroepsgrond niet toe.

Activiteit planologisch strijdig gebruik / strijd met een goede ruimtelijke ordening

6.1

Alle eisers voeren aan dat verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of voeren beroepsgronden aan die hiertoe zijn te herleiden.

Eisers zeggen al geluidsoverlast te ondervinden van de speeltuin en zij vrezen na de uitbreiding voor nog meer geluidsoverlast, maar ook voor meer afval en stank. Een grotere speeltuin betekent meer bezoekers en meer geluid. Wanneer de speeltuin in de toekomst alsnog zal worden uitgebreid met een rodelbaan leidt dat zeker tot geluidsoverlast. De aard van de speeltuin verandert door het toevoegen van nieuwe voorzieningen en omdat de speeltuin aantrekkelijk wordt voor een oudere doelgroep. De doelgroep wordt ook groter door verhoging van de leeftijdsgrens van 13 naar 16 jaar. De speeltuin presenteert zich wel degelijk als toeristische attractie, zo menen eisers. Er is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden. De geluidsmeting waar verweerder naar verwijst is onvolledig. Het is onredelijk dat in het akoestisch rapport wordt uitgegaan van gemiddelde waarden. Stemgeluid is geen onderdeel van de berekeningen omdat daar geen wettelijke norm voor bestaat. Eisers stellen dat stemgeluid het meest essentiële “object” van de speeltuin is dat overlast veroorzaakt. Verweerder had naar hun mening in ieder geval aan de omgevingsvergunning een voorwaarde van een maximaal aantal toe te laten kinderen/ bezoekers moeten verbinden. Ook had verweerder geen afwijkende openingstijden in de zomervakantie moeten stellen.

6.2

Verweerder verwijst naar artikel 7 van het bestemmingsplan Alkmaar Noord waarin regels zijn gegeven over de bestemming Groen. Binnen deze bestemming past de functie Speeltuin op de plekken waar daarvoor op de verbeelding een aanduiding is opgenomen. Ter plaatse van de vergunde uitbreiding ontbreekt deze aanduiding. Het bestemmingsplan kent geen nadere beperkingen ten aanzien van de aard van de speeltuin en de doelgroep waarop de speeltuin zich mag richten en dit kan ook niet via een omgevingsvergunning voor een uitbreiding worden afgedwongen. De systematiek van het onherroepelijke bestemmingsplan staat niet ter discussie.

De speeltuin heeft een groot aantal leden die voornamelijk afkomstig zijn uit Alkmaar Noord en de dichtstbijzijnde wijken De Mare en Daalmeer. Er is sprake van een kleinschalige uitbreiding van 500 m2 met als doel een kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod. De aard van de speelvoorziening verandert niet. De speeltuin krijgt niet het karakter van een commerciële speeltuin. De uitbreiding is onder andere gericht op het toevoegen van een speelveld, het toevoegen van een waterelement en het plaatsen van picknickbanken. Dit biedt voor de oudere doelgroep sociale ontmoetingsplekken, aanleiding om in beweging te komen, uitdaging in een spannende, afwisselende omgeving, emotie, beleving en gebruik naar eigen inzicht. Dit sluit aan bij de wens van de gemeente Alkmaar om voldoende speelvoorzieningen van goede kwaliteit (te realiseren en) in stand te houden voor jongeren van 3 t/m 16 jaar. Daarnaast biedt de uitbreiding ruimte om de overzichtelijkheid en de toegankelijkheid voor mindervaliden te verbeteren.

Het bestemmingsplan stelt geen beperkingen aan het aantal bezoekers of aan te bedienen leeftijdscategorieën. Het steeds bijhouden van het aantal bezoekers vindt verweerder belastend voor de speeltuin. De vergunningsvoorschriften acht verweerder afdoende om de aanzuigende werking en verhoging van het aantal bezoekers tegen te gaan. Het sturen op openingstijden en activiteiten acht verweerder de juiste manier van reguleren.

De uitbreiding van de speeltuin zorgt niet voor een toename van de geluidsbelasting. Deels is zelfs sprake van een afname omdat door de uitbreiding sommige bronnen verder van de woonbebouwing komen te liggen. Het wettelijk uitgezonderd zijn van stemgeluid in het Activiteitenbesluit (dat niet van toepassing is maar analoog is toegepast) kan verweerder niet wijzigen.

6.3.1

De rechtbank overweegt dat verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning kan verlenen voor afwijking van een bestemmingsplan als het beoogde gebruik niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat onder meer sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening als een goed woon- en leefklimaat als gevolg van het project niet is gewaarborgd.2 Verweerder heeft beleidsruimte bij de beslissing om met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen (al dan niet onder het stellen van voorschriften) of te weigeren.

6.3.2

Uit het samenstel van bepalingen van artikel 7.1 van de planregels en de kennelijke bedoeling van de planwetgever, door voor de onderhavige gronden een hoofdbestemming Groen en vervolgens specifieke aanduidingen voor - in de regel - ondergeschikte activiteiten in het bestemmingsplan op te nemen, en gelet op de beperkende gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die voor de onderscheidenlijke activiteiten gelden, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de gronden waarop de speeltuin en de uitbreiding zich bevinden, bedoeld zijn voor een speeltuin die kleinschalig van aard is. In het bestreden besluit vormt dit kennelijk ook het uitgangspunt. De rechtbank is echter van oordeel dat in het onderhavige geval, zoals uit overweging 4.3 blijkt en in het navolgende zal blijken en anders dan verweerder stelt, geen enkele waarborg bestaat dat het bouwplan en strijdig gebruik zal leiden tot een kleinschalige uitbreiding van de speeltuin met enkel een kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod. Hier wreekt zich dat het bestemmingsplan ten aanzien van de huidige speeltuin geen beperkingen kent en derhalve geen nadere beperkingen stelt aan het gebruik als speeltuin. Dit kan ook niet via een omgevingsvergunning voor een uitbreiding worden afgedwongen, maar de extra overlast die het gevolg kan zijn van de uitbreiding kan wel worden voorkomen door het stellen van voorschriften die bijvoorbeeld zien op een beperking van het aantal bezoekers, het voorkomen van plaatsing van een speelvoorziening zoals bijvoorbeeld een rodelbaan of het treffen van maatregelen ter voorkoming van hinder.

6.3.3

Hoewel de aanvraag om een omgevingsvergunning niet op het bestaande deel van de speeltuin ziet, kan het totaal aan activiteiten binnen een groter gebied binnen de bestemming Groen een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat tot gevolg hebben wanneer aan de omgevingsvergunning geen voorschriften worden verbonden die waarborgen dat (geluid-, parkeer- en verkeers)hinder wordt voorkomen. De ruimtelijke impact van een uitbreiding van een toegelaten activiteit, ook al is dat in oppervlakte een relatief kleine uitbreiding van 16,7% procent, kan bij gebreke van zodanige voorschriften dusdanige consequenties voor het woon- en leefklimaat hebben dat belangen van omwonenden zwaarder moeten worden gewogen dan in het bestreden besluit is gedaan. Uit de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften blijkt dat verweerder zich rekenschap geeft van het feit dat de uitbreiding van de speeltuin de aard en ruimtelijke uitstraling van de hele speeltuin zou kunnen wijzigen. Verweerder verwoordt ook in de reactie op de zienswijzen (1, 2 en 3) dat voorschriften zijn opgenomen om hinder voor omwonenden te verminderen. Verweerder erkent hiermee en met de toelichting in het verweerschrift en ter zitting, dat het huidige gebruik al aan de grens zit van wat in verband met een goede ruimtelijke ordening nog aanvaardbaar kan worden geacht. Ook uit het akoestisch onderzoek van [naam 8] van 1 mei 2019 blijkt dat de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde bij een aantal woningen in de huidige situatie al enigermate wordt overschreden. Om geluidshinder voor omwonenden te verminderen worden de openingstijden beperkt en wordt het gebruik van de kantine enkel toegestaan als ondersteunende horeca bij reguliere speeltuinactiviteiten. Ook wordt het gebruik van de geluidsinstallatie dan wel het ten gehore brengen van versterkte muziek in de speeltuin beperkt. Verweerder heeft echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht of aanvulling van deze voorschriften noodzakelijk is in verband met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van eisers nu ook de bestaande situatie, zoals niet in geschil is, al tot overlast leidt.

6.3.4

De rechtbank acht aannemelijk dat de uitbreiding een toenemend aantal bezoekers tot gevolg heeft. Dit gelet op de aard van de voorzieningen die op de uitbreidingsgronden zijn gepland, zoals een waterspeelplaats en picknicktafels, gelet op het feit dat beoogd is een oudere doelgroep aan te spreken en dat de toegankelijkheid voor mindervaliden wordt verbeterd. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat met meer en hoogwaardigere speeltoestellen uitsluitend sprake is van kwaliteitsverbetering zonder dat dit niet ook tot een uitbreiding van het aantal bezoekers zou kunnen leiden. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom verweerder uitgaat van maximaal 100 bezoekers per dag terwijl dit niet als maximum is vastgelegd in vergunningvoorschriften. Vermelding van het aantal van 100 bezoekers in aan de aanvraag ten grondslag liggende stukken is niet voldoende om van dit aantal uit te gaan. Verweerder noch de speeltuin hebben onderbouwd waarom het bijhouden van het aantal bezoekers belastend voor de speeltuin zou zijn. De aanname dat er op enig moment een natuurlijke rem op het aantal bezoekers zou zijn omdat als het te druk wordt ‘de speeltoestellen minder aantrekkelijk worden’, zoals verweerder stelt, is niet onderbouwd. Zelfs als dit zo zou zijn, ligt een voorschrift voor een maximum aantal bezoekers voor de hand omdat op dagen met mooi weer het wel of niet beschikbaar zijn van een speeltoestel niet hoeft uit te maken. Het stellen van een voorschrift voor een maximum aantal bezoekers ligt ten slotte temeer voor de hand nu ook het akoestisch onderzoek van [naam 8] van 1 mei 2019 ervan uitgaat dat de uitbreiding van de speeltuin bij gelijkblijvende aantallen van 100 kinderen niet tot een toename van geluidsbelasting leidt. Een voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning, dat verzekert dat door de uitbreiding het aantal kinderen dat de speeltuin bezoekt ook daadwerkelijk niet toeneemt, ontbreekt.

6.3.5

Dat de speeltuin is gestopt met het werven buiten de beoogde en gepast geachte doelgroep en het verzorgingsgebied is naar de mening van de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat geen nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning hoefden te worden verbonden. Verweerder heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat de uitbreiding van de speeltuin het verblijf van een oudere leeftijdsgroep (13-16 jaar), in de termen van het verweerschrift, gecontroleerder zou maken en waarom dit per saldo tot vermindering van eventuele overlast of ergernis voor omwonenden zou leiden.

Dat de speeltuin zich actief inspant om eventuele geluidhinder zoveel mogelijk te voorkomen en reeds maatregelen heeft genomen door toepassing van geluiddempende materialen en constructies in de speeltuin is onvoldoende nu een voorschrift op grond waarvan dit kan worden afgedwongen na uitbreiding van de speeltuin ontbreekt. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder de aanbevelingen van [naam 8] in hoofdstuk 4 van het rapport ter realisering van de geluidsnorm van 50 dB(A) bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank acht het sturen op de wijze waarop dat in de vergunningvoorschriften is gedaan (beperking openingstijden en activiteiten) onvoldoende met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

7.1

Eisers voeren aan dat sprake is van parkeer- en verkeersoverlast. De speeltuin beschikt niet over eigen parkeergelegenheid. Dat is in strijd met artikel 27.2 van de planregels. Een grotere uitbreiding leidt tot meer bezoekers en toename van parkeerdruk. De vergelijking met speeltuin De Batavier voor wat betreft de parkeernormen gaat niet op, omdat de situatie niet gelijkwaardig is. Betwist wordt dat structurele restcapaciteit aanwezig is. Nog meer snelheidsvertragende maatregelen zijn nauwelijks tot niet mogelijk. Voorbij is gegaan aan het feit dat een aantal woningen langs de route direct grenst aan de rijbaan.

7.2

Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding van de speeltuin. In de Parkeernormennota 2017-2027 Gemeente Alkmaar is voor een onoverdekte speeltuin als wijkvoorziening geen parkeernorm vastgesteld. Ook het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek) kent voor deze functie geen vastgestelde parkeernorm. Om een inschatting te kunnen maken van de mogelijke gevolgen voor de parkeerdruk, is een vergelijking gemaakt met de commerciële speeltuin De Batavier aan de Bergerweg. Uitgaande van het aantal daar aanwezige parkeerplaatsen en de oppervlakte van de speeltuin, is sprake van een parkeernorm van 0,32 per 100 m2. De parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding van de speeltuin met 500 m2 bedraagt afgerond 2 parkeerplaatsen.

Uit parkeertellingen in 2017 tijdens de openingstijden van de speeltuin blijkt dat de parkeerdruk op zaterdag in de Tirolstraat hoog is. Op de overige dagen is de parkeerdruk gemiddeld. Voor de Korhoenstraat geldt dat sprake is van een lage parkeerdruk. Uit de tellingen blijkt dat hier op alle meetmomenten tijdens de openingstijden van de speeltuin een capaciteit van 20 parkeerplekken of meer beschikbaar is. Er is dus voldoende ruimte beschikbaar om een eventuele toename in de parkeerdruk als gevolg van de uitbreiding op te vangen. Gebruik van de parkeerplaatsen aan de Korhoenstraat door speeltuinbezoekers leidt tot een meer evenredige verdeling van de parkeerdruk. Dat kan actief gestimuleerd worden door bebording. De speeltuin voert daarnaast een auto-ontmoedigingsbeleid.

In het bestreden besluit stelt verweerder als reactie op zienswijze 5 dat de aard van de uitbreiding niet leidt tot zodanig extra verkeersbewegingen dat sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of de verkeersveiligheid. Op die locaties waar bewoners een te hoge snelheid ervaren kan een snelheidsmeting worden uitgevoerd. Wanneer uit deze meting blijkt dat de rijsnelheid te hoog is en er draagvlak is voor een snelheidsvertragende maatregel kan deze worden uitgevoerd.

7.3.1

De rechtbank stelt vast dat artikel 27.2 van de planregels inderdaad op gebouwen ziet en daarvan is in dit geval geen sprake. Maar kennelijk heeft verweerder het noodzakelijk geacht om in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch rekening te houden met een redelijke parkeernorm voor gebruik van gronden als de onderhavige. De rechtbank acht het niet onjuist dat verweerder bij gebreke van specifieke parkeernormen aansluiting heeft gezocht bij de parkeerbehoefte van een andere - in dit geval commerciële - speeltuin. Verweerder stelt zich voorts terecht op het standpunt dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding van de speeltuin3. Een eventueel bestaand tekort dient als regel buiten beschouwing te worden gelaten. Door de uitbreiding van de speeltuin ontstaat een door verweerder vastgestelde en door eisers niet betwiste behoefte aan (maximaal) twee extra parkeerplaatsen. Nu parkeerplaatsen op het terrein van de speeltuin ontbreken, moet worden bezien hoe in deze behoefte kan worden voorzien.

7.3.2

Uit het onderzoek van verweerder in 2017 is gebleken dat op dit moment geen sprake is van een bestaand tekort aan parkeerplaatsen in de omgeving van de speeltuin en dat de uitbreiding van de speeltuin ook geen tekort zal opleveren. Verweerder heeft in het besluit uitgebreid gemotiveerd dat er voldoende ruimte beschikbaar is om een eventuele toename in de parkeerdruk als gevolg van de uitbreiding op te vangen en dat er daarnaast ruimte beschikbaar is om ook de bestaande parkeervraag van de speeltuin op te vangen. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft verweerder in 2018 nog aanvullend onderzoek gedaan waarin de uitkomsten van het onderzoek in 2017 worden bevestigd.

7.3.3

Eisers hebben niet onderbouwd dat de door verweerder genoemde oplossing van twee parkeerplaatsen in de Korhoenstraat niet toereikend is. Voorts is niet onderbouwd dat de verkeerssituatie door de (uitbreiding van de) speeltuin zodanig is dat sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.

7.3.4

De rechtbank stelt echter wel vast dat verweerder nog oplossingen aanreikt ter regulering van de parkeer- en verkeersproblematiek, te weten de plaatsing van verwijzingsbebording voor parkeren in de Korhoenstraat en een onderzoek naar de noodzaak en draagvlak voor een snelheidsvertragende maatregel. Omdat verweerder het hiermee kennelijk toch noodzakelijk acht in verband met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dat deze maatregelen worden getroffen, maar deze oplossingen niet daadwerkelijk biedt, is in zoverre het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Het is immers niet verzekerd dat parkeer- en verkeersproblematiek in voldoende mate wordt tegengegaan. Derhalve slaagt ook deze beroepsgrond.

Samenvatting en conclusie voor wat betreft de beroepsgrond strijd met een goede ruimtelijke ordening

8.1

Naar het oordeel van de rechtbank stellen eisers terecht dat niet duidelijk is welke afwijking van het bestemmingsplan is vergund - mede omdat ook niet duidelijk is welke bouwwerken zijn vergund - en dat door dit gemis de ruimtelijke effecten niet voldoende zijn onderzocht en afgewogen. Aan de vergunning zijn geen voorschriften verbonden die voorkomen dat de aard en omvang van de inrichting verandert.

8.2

Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of aanvullende voorschriften noodzakelijk zijn in verband met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van eisers nu ook de bestaande situatie al tot overlast leidt. Een voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning dat verzekert dat door de uitbreiding het aantal kinderen dat de speeltuin bezoekt ook daadwerkelijk niet toeneemt ontbreekt.

8.3

Verweerder heeft onvoldoende voorschriften gesteld ter voorkoming van geluidhinder ter waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

8.4

Verweerder biedt niet daadwerkelijk oplossingen ter regulering van de verkeers- en parkeerproblematiek, hoewel hij deze wel aanreikt. Nu deze maatregelen kennelijk noodzakelijk worden geacht in verband met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat had ten minste aannemelijk gemaakt moeten worden dat deze maatregelen ook daadwerkelijk getroffen zouden worden.

8.5

Gelet op de overwegingen 6.3.1 t/m 6.3.5 en overweging 7.3.4 kan verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Een goed woon- en leefklimaat als gevolg van het project is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gewaarborgd. De beroepsgrond slaagt derhalve.

Eindconclusie

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd nu het is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb). Omdat het bestreden besluit wordt vernietigd behoeven de beroepsgronden die de activiteit vellen van een houtopstand betreffen geen bespreking meer. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:51a van de Awb de gelegenheid te geven de gebreken te herstellen, nu de tijd die gemoeid is met het nemen van een nieuw besluit niet goed is te voorspellen en ook de uitkomst van een nieuw te nemen besluit ongewis is.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan alle eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

11. Omdat het beroep gegrond is, kunnen eisers ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een vergoeding krijgen voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In onderhavige zaak hebben alleen eisers 10, 11 en 12 bijstand gekregen van een gemachtigde, waardoor alleen deze eisers recht hebben op een vergoeding van de proceskosten. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend.

Voor de proceskosten die eiser 10 heeft gemaakt krijgt hij een vergoeding van € 1.068,-. Voor de proceskosten die eisers 11 en 12 hebben gemaakt krijgen zij eveneens een vergoeding van € 1.068,-. In het geval van eisers 11 en 12 is, ingevolge artikel 3 van het Bpb, sprake van samenhangende zaken die worden beschouwd als één zaak. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1.

12. Eiser 3 heeft aangegeven dat hij in verband met het onderhavige beroep reis- en verletkosten heeft moeten maken. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser 3, ingevolge artikel 1, aanhef en onder d en e, van het Bpb, een vergoeding van de opgegeven reiskosten en verletkosten. Verweerder moet die vergoeding betalen. De reiskosten bedraagt € 22,96 en de verletkosten € 216,20.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op aan alle eisers het door hen betaalde griffierecht van € 174,- te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 10 tot een bedrag van € 1.068,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 11 en 12 tot een bedrag van € 1.068,-;

- veroordeelt verweerder in de reis- en verletkosten van eiser 3 tot een bedrag van € 22,96 voor de reiskosten en een bedrag van € 216,20 voor de verletkosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. M.P. de Valk en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van drs. A.F Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 ECLI:NL:RVS:2021:786

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:969.

3 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2755.