Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4589

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft Wob-verzoeken deels toegewezen. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten aanzien van één document niet een juiste weigeringsgrond heeft gebruikt, zodat verweerder ten aanzien daarvan opnieuw dient te besluiten. Met betrekking tot de overige documenten oordeelt de rechtbank dat verweerder op goede gronden (gehele) openbaarmaking heeft geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2575


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

De korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Mol).

Procesverloop

In het besluit van 15 november 2019 (primair besluit 1) heeft verweerder een verzoek van eiser om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

In het besluit van 8 april 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven.

In het besluit van 17 juni 2020 (primair besluit 2) heeft verweerder een verzoek van eiser om openbaarmaking op grond van de Wob gedeeltelijk afgewezen.

In het besluit van 11 november 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld.

Eiser heeft ter zitting toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Eiser heeft na de zitting aanvullende stukken aan de rechtbank doen toekomen. De rechtbank heeft in de inhoud daarvan geen aanleiding gezien het (voor)onderzoek te heropenen. Deze stukken zullen verder buiten beschouwing worden gelaten.

Overwegingen

Bestreden besluit 1

1. Eiser heeft op 19 augustus 2019 verweerder verzocht om alle documenten met betrekking tot de aangiftes met de nummers [# 1] en [# 2] , daarop volgende klachten en de weigering om van nieuwe strafbare feiten aangifte op te nemen.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser 26 documenten gevonden en beoordeeld. Een deel van de documenten heeft verweerder geheel geweigerd, een ander deel heeft verweerder deels geweigerd openbaar te maken.

Standpunten eiser

3. In zijn beroepschrift heeft eiser aangegeven dat het gaat om de documenten 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13 en 20. Eiser voert ten aanzien van de weigering de documenten nummers 6 en 7 te verstrekken aan dat de Wet politiegegevens (Wpg) door verweerder ten onrechte gebruikt wordt om openbaarmaking categorisch te weigeren.

Ten aanzien van document 8 voert eiser aan dat verweerder onvoldoende motiveert waarom de inhoud van een e-mail van 6 februari 2019 is weggelakt. Eiser vermoedt dat het gaat om een logistieke aanwijzing of een mededeling over de operationele afhandeling en niet zo zeer om een persoonlijke beleidsopvatting.

Met betrekking tot document 10 voert eiser aan dat dit abusievelijk niet is beoordeeld, al zou het zo kunnen zijn dat in stuk 20 delen worden gedekt, maar dat is voor eiser ondoorzichtig.

Ten aanzien van document 12 voert eiser aan dat geen sprake is van intern beraad, omdat verweerder en de gemeente Haarlem niet tot dezelfde bestuurlijke kring behoren en tegengestelde belangen hebben.

Met betrekking tot document 13 voert eiser aan dat verweerder niet motiveert waarom sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen; eiser vraagt zich af welk beleid is toegepast. Daarnaast vindt eiser het hanteren van de weigeringsgrond in artikel 10, tweede lid, van de Wob ongepast; hij vraagt zich af welke derden worden beschermd.

Standpunten verweerder

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Wpg een uitputtende regeling bevat voor het verstrekken van politiegegevens (als bedoeld in art 1, aanhef onder a, van de Wpg). De omstandigheid dat een document politiegegevens bevat betekent niet dat dat het document als zodanig onder de werking van de Wpg valt, ook voor zover dit document andere dan politiegegevens bevat. Eiser heeft zijn verzoek zo geformuleerd dat toekenning daarvan in de vorm van openbaarmaking van de gevraagde gegevens per definitie betekent dat dit te herleiden is tot één persoon, namelijk eiser. Daar waar in de stukken gegevens over eiser zijn verwerkt (de opname en afhandeling van zijn aangifte) heeft zijn Wob-verzoek dus betrekking op politiegegevens. Daarnaast bevatten deze documenten enkele standaardgegevens (standaard kop- en voetteksten) die op zichzelf geen enkele informatie verschaffen. Openbaarmaking zou daarom zinledig zijn.

Met betrekking tot de weigeringsgrond ‘persoonlijke beleidsopvattingen’ wijst verweerder erop dat het daarbij niet gaat om verwijzingen naar beleid, maar om opvattingen, voorstellen, aanbevelingen, of conclusies van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid. Het interne karakter wordt bepaald door het oogmerk waarmee het stuk is opgesteld. Dat geldt ook voor correspondentie tussen overheidsorganen. Ten aanzien van de door eiser aangehaalde zinsnede uit document 8 licht verweerder toe dat het gaat om een medewerker van de politie die een advies geeft aan een medewerker van het Openbaar Ministerie (OM). Gelet op de inhoud van het advies kan dit worden aangemerkt als een persoonlijke beleidsopvatting voor intern beraad.

Ten aanzien van de documenten 10, 11 en 20 merkt verweerder op dat dit steeds e-mailwisselingen zijn tussen eiser en diverse geadresseerden. Eiser beschikt dus over deze stukken. Eiser heeft zijn bezwaar ten aanzien van deze documenten ingetrokken, zodat het verweerder bevreemdt dat eiser deze in beroep weer aan de orde stelt. Verweerder licht nog toe dat document 11 als bijlage is gevoegd bij document 10. Document 20 betreft een e-mail van eiser, waarin hij reageert op document 10.

Met betrekking tot document 12 merkt verweerder op dat dit een e-mailwisseling betreft tussen een medewerker van de politie en een medewerker van het meldpunt integriteit over het idee van een overdracht van de aangifte van eiser ter verdere behandeling door de gemeente Haarlem als integriteitsmelding. Deze e-mailwisseling merkt verweerder aan als een interne gedachtenwisseling. In de e-mailwisseling wordt ook verwezen naar de inhoud van de aangifte. Dat valt onder de Wpg.

Ten aanzien van document 13 stelt verweerder zich op het standpunt dat het hierbij gaat om beraad tussen een medewerker van de politie en het OM, waarbij zij ontwikkelingen van de zaak afstemmen en hier voorstellen over doen. Daarnaast zou openbaarmaking inzicht geven in de strategieën van de politie. Dat is een onevenredig nadeel. Openbaarmaking kan eventueel toekomstig optreden van de politie ernstig bemoeilijken of onmogelijk maken omdat derden hun werkwijze hierop zouden kunnen afstemmen.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ter zitting heeft eiser naar aanleiding van de toelichting van verweerder op de documenten genummerd 10, 11 en 20 verklaard dat deze niet meer in geschil zijn. Dat betekent dat het geschil zich beperkt tot de documenten genummerd 6, 7, 8, 12 en 13. De rechtbank stelt daarnaast vast dat het verzoek van eiser niet ziet op documenten die van hemzelf afkomstig zijn of aan hem gezonden zijn.

6. De rechtbank heeft vastgesteld dat documenten 6 en 7 mutatierapporten betreffen. Daarin zijn politiegegevens opgenomen. Zoals verweerder terecht heeft gesteld bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet (zie onder meer ABRvS 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2004). Voor zover de mutatierapporten andere gegevens dan politiegegevens bevatten, zijn deze nietszeggend, zodat openbaarmaking geen doel dient. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de documenten 6 en 7 openbaar te maken.

7. In de documenten 8, 12 en 13 zijn op grond van artikel 10, eerste lid, onder e, van de Wob, de namen van de betrokken personen onleesbaar gemaakt. Daartegen richtten zich de bezwaren van eiser niet. Overigens betreffen deze documenten grotendeels de eigen mailwisselingen van eiser, waarop zijn verzoek zoals hiervoor vastgesteld niet ziet.

8. In de documenten 12 en 13 zijn daarnaast passages onleesbaar gemaakt op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Ingevolge dit artikel wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wob wordt verstaan onder

(b.) bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan, onder

(c.) intern beraad: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid en onder

(f.) persoonlijke beleidsopvatting: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.

9. Eiser heeft in beroep gesteld dat onduidelijk is gebleven op welk beleid van verweerder de bestuurlijke aangelegenheid betrekking heeft gehad. Een persoonlijke beleidsopvatting omvat echter gezien deze definitie – in weerwil tot de term – meer dan alleen opvattingen die met het door het bestuursorgaan te voeren of gevoerde beleid samenhangen. Voor weigering van openbaarmaking op grond van op de in artikel 11, eerste lid, opgenomen weigeringsgrond is dus niet vereist dat de opvatting betrekking heeft op het beleid dat door verweerder is opgesteld (zie bijvoorbeeld ABRvS 5-6-19 (ECLI:NL:RVS:2019:1822 en ABRvS 4-11-20 (ECLI:NL:RVS:2020:2610).

10. De rechtbank heeft geconstateerd dat de passages die onleesbaar gemaakt zijn in de documenten 12 en 13 correspondentie betreffen tussen medewerkers van politie en andere overheidsinstanties over hoe de vragen van eiser te behandelen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13) volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. De omstandigheid dat het gaat om het uitwisselen van opvattingen tussen verschillende overheidsinstanties betekent dus niet dat die opvattingen niet bestemd kunnen zijn voor intern beraad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onleesbaar gemaakte passages in de documenten 12 en 13 te kenschetsen als persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Verweerder heeft daarom openbaarmaking terecht geweigerd.

11. Nu geen van deze documenten (deels) is geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, onder g, van de Wob (onevenredige bevoordeling of benadeling) behoeft dat geen bespreking.

12. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de beroepsgronden geen doel treffen. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is daarom ongegrond.

Bestreden besluit 2

13. In zijn verzoek van 22 maart 2020 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van de e-mails op de back-upbestanden van de mailboxen van politiemedewerkers [naam 1] en [naam 2] die toezien op de aangifte [# 1] , de weigering vervolgaangifte op te nemen en de daarop volgende klachten.

14. Verweerder heeft bij de betrokken medewerkers gevraagd om hun mailboxen te doorzoeken. Dat heeft een aantal documenten opgeleverd, die (gedeeltelijk) aan eiser zijn verstrekt.

Standpunten eiser

15. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet de back-upbestanden heeft doorzocht. Eiser voert verder aan dat het feit dat verweerder wel bestanden heeft gevonden betekent dat verweerder bij zijn eerste Wob-verzoek onvolledig heeft beslist. Verder stelt eiser dat de beroepsgronden die hij ten aanzien van het bestreden besluit 1 aanvoert ook gelden met betrekking tot bestreden besluit 2.

Standpunten verweerder

16. Verweerder erkent dat de documenten 1 tot en met 4 en 9, die dateren van vóór het eerste Wob-verzoek, vallen binnen de scoop van dat verzoek. Omdat de betrokken medewerker nog aan het re-integreren was en omdat eiser had aangekondigd een nieuw verzoek in te dienen, heeft verweerder met dat nieuwe verzoek verder gewerkt.

Ten aanzien van de gevraagde documenten van na het eerste verzoek stelt verweerder zich op het standpunt dat hij geen enkele aanwijzing heeft dat de medewerkers niet alle e-mails zouden hebben overgelegd.

17. De rechtbank overweegt dat van verweerder in dit geval niet gevergd kan worden om back-upbestanden te doorzoeken, nu niet aannemelijk is dat zich daarin documenten bevinden die op het verzoek van eiser betrekking hebben en niet reeds door verweerder zijn beoordeeld. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat de e-mails geen hiaten vertonen.

18. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend kennis te nemen van de door verweerder op grond van artikel 8:29 van de Awb aan de rechtbank toegezonden documenten, voor zover deze documenten vermeld zijn op de inventarislijst. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder buiten de documenten die zijn vermeld op de inventarislijst geen andere documenten aan de rechtbank heeft doen toekomen. De rechtbank heeft daarom kennisgenomen van de documenten genummerd 1 tot en met 12.

19. Verweerder heeft (passages in) de documenten 1, 1a, 2, 3, 5, 6, 10 en 12 geweigerd openbaar te maken met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze documenten en daarbij vastgesteld dat de geweigerde (passages in de) documenten persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad bevatten. Verweerder heeft daarom terecht geweigerd deze (passages in de) documenten openbaar te maken.

20. De documenten genummerd 7 en 8 heeft verweerder geweigerd, omdat dit politiegegevens betreft als bedoeld in de Wpg. De rechtbank heeft geconstateerd dat deze documenten inderdaad politiegegevens bevatten als bedoeld in de Wpg. Zoals hiervoor met betrekking tot bestreden besluit 1 is overwogen, bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens. De weigering om deze documenten openbaar te maken is daarom terecht.

21. Passages in document 1b zijn geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, onder e, van de Wob. De rechtbank kan verweerder daar niet in volgen, nu niet alle passages in het document uit persoonlijke gegevens bestaan of daartoe te herleiden zijn. Het bestreden besluit 2 zal daarom in zoverre worden vernietigd.

22. Met betrekking tot document 4 merkt de rechtbank op dat dit buiten de reikwijdte van het verzoek valt. In documenten 11 en 11a zijn passages die betrekking hebben op andere zaken dan waarop het verzoek van eiser betrekking heeft onleesbaar gemaakt, waarmee die passages ook buiten de reikwijdte van het verzoek vallen.

23. Het beroep gericht tegen bestreden besluit 2 is gegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit 1 ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2 voor zover daarmee openbaarmaking van document 1b geweigerd is op grond van artikel 10, eerste lid, onder e, van de Wob;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, voorzitter, en mr. A.R. ten Berge en
mr. M.H. Affourtit-Kramer, leden, in aanwezigheid vanmr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.