Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4581

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
19/5383
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsrecht

Veranderingsvergunning milieu en mer-beoordelingsbesluit. Eisende partijen hebben een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpbesluit. Beroep reeds daarom ontvankelijk gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953 inzake het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 inzake de uitleg van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus.

Relativiteitsvereiste als neergelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht staat aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep in de weg. De door eisers ingeroepen bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer strekken kennelijk niet ter bescherming van hun belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5383

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen


1. Stichting ToxicoWatchte Harlingen,

2. [eiser 2]te [woonplaats] ,

eisers

(gemachtigde: mr. H.A. Sarolea),

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. R.T. de Grunt, S.H. Martens, F. Sahin BSc en drs. M.I. de Heer).

Als derde-partij neemt deel aan het geding: de besloten vennootschap Integrated Green Energy Solutions Amsterdam B.V., te Amsterdam (gemachtigde: mr. J.C. Ozinga).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2018 (het mer-beoordelingsbesluit) heeft verweerder aan derde-partij meegedeeld dat voor de voorgenomen verandering van de inrichting aan de Petroleumhavenweg 1c te Amsterdam (het perceel) geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

Bij besluit van 16 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning eerste fase onder voorschriften verleend voor het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting op het perceel en daarbij tevens ambtshalve mede een aantal voor de gehele inrichting geldende voorschriften ingetrokken en nieuwe voorschriften gesteld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben schriftelijk vragen van de rechtbank beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eiseres sub 1 is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Eiser sub 2 is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Eiser sub 2 is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] .

Overwegingen

1. Derde-partij beschikt over een oprichtingsvergunning van
9 oktober 2015 en (eerdere) veranderingsvergunningen van 6 september 2016, 20 september 2016 en 19 maart 2018 waarmee een installatie kan worden opgericht en kan worden gedreven voor een hoeveelheid van maximaal 95 ton per dag te accepteren kunststoffen. De installaties en bijbehorende gebouwen zijn nog niet gerealiseerd.

De verandering houdt in dat het productieproces van de inrichting verandert. De verandering betreft de bouw en ingebruikname van een andere pyrolyse-installatie (IGES-technologie) met een gewijzigd proces om kunststofafval te converteren naar scheepsbrandstoffen en nafta. De processtappen en installaties worden gewijzigd en daarnaast worden na de verandering niet alleen stoffen van klasse 3 geproduceerd (scheepsbrandstoffen), maar ook van klasse 1 (nafta). Het pyrolyseproces van het kunststofafval zal gaan plaatsvinden in twee trommelovens en een stoomketel.

2. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning, een zogeheten veranderingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2 en 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft verleend. Daarnaast heeft verweerder wijzigingen in de onderliggende omgevingsvergunning, de zogeheten oprichtingsvergunning, van 9 oktober 2015 bewerkstelligd door in het bestreden besluit toepassing te geven aan zijn in de artikelen 2.30, eerste lid en 2.31, eerste lid en onder b, van de Wabo neergelegde actualiseringsplicht.

Voorts heeft verweerder het mer-beoordelingsbesluit genomen. Dit is een besluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), genomen ter voorbereiding van een besluit over verlening van de noodzakelijke omgevingsvergunning. Het mer-beoordelingsbesluit wordt meebeoordeeld bij het hoofdbesluit, het bestreden besluit.

3.1

De rechtbank is gehouden de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve te beoordelen.

3.2

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in zijn uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, heeft overwogen brengt het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 inzake de uitleg van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus met zich dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, maar die over het ontwerpbesluit op basis van de hem in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid wel een zienswijze naar voren heeft gebracht, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.

3.3

Eisers sub 1 en 2 hebben een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Omdat op grond van artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo een ieder de mogelijkheid heeft een zienswijze naar voren te brengen over een ontwerpbesluit als hier aan de orde, valt het door eisers ingestelde beroep, zo volgt uit de aangehaalde uitspraak, onder artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus. Het beroep van eisers is alleen al om deze reden ontvankelijk.

4.1

Met betrekking tot de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd tegen het bestreden besluit en het mer-beoordelingsbesluit overweegt de rechtbank als volgt.

4.2

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

4.3

Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt verder dat de Wet milieubeheer (Wm) en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo strekken tot bescherming van de leefbaarheid van de omgeving van een inrichting, in het bijzonder de belangen van de menselijke gezondheid en het milieu. Hoofdstuk 7 van de Wm, waarin de wettelijke regeling van de milieueffectrapportage is vastgelegd, strekt tot bescherming van het milieu en van het belang tot behoud van een goed woon- en leefklimaat en verblijfsklimaat.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres sub 1 ingeroepen bepalingen uit de Wabo en de Wm kennelijk niet strekken ter bescherming van het belang dat eiseres sub 1 blijkens haar doelstellingen en feitelijke werkzaamheden (in het bijzonder) behartigt. Gelet op artikel 2, eerste lid, van haar statuten alsmede haar feitelijke werkzaamheden stelt eiseres sub 1 zich namelijk ten doel het zich inzetten voor de bewustwording bij het grote publiek van de toxische risico’s in voedsel, medicijnen, milieu en life-style producten voor mens en dier, in de meest ruime zin. De ingeroepen bepalingen uit de Wabo en de Wm zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van invloed op en houden geen verband met dit bewustwordingsbelang van eiseres sub 1 en strekken daarom kennelijk niet ter bescherming daarvan.

4.5

De rechtbank stelt verder vast dat de woning van eiser sub 2 is gelegen op 2.369 meter van de inrichting. Slechts indien bij de woning en/of het perceel van eiser sub 2 gevolgen van enige betekenis van het bestreden besluit of het mer-beoordelingsbesluit worden ondervonden raakt dit naar het oordeel van de rechtbank eiser sub 2 zijn belang bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat.

In haar uitspraak van 17 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:11611, waarin de oprichtingsvergunning uit 2015 ter toetsing voorlag, heeft deze rechtbank geoordeeld dat wat betreft het meest maatgevende milieuaspect – lucht – ter plaatse van de woning en het perceel van eiser sub 2 geen gevolgen van enige betekenis door eiser kunnen worden ondervonden, ook niet wanneer wordt uitgegaan van een worst case scenario.

Verweerder heeft in de voorliggende zaak gesteld dat de milieugevolgen die de gehele inrichting na de vergunde verandering veroorzaakt vergelijkbaar zijn met de milieugevolgen die de inrichting op basis van de oprichtingsvergunning kon veroorzaken. Volgens verweerder ondervindt eiser sub 2 ter plaatse van zijn woning geen gevolgen van enige betekenis als gevolg van het bestreden besluit. Verweerder heeft dit standpunt bij brief van 31 maart 2021 desgevraagd nader onderbouwd en heeft dit voor de maatgevende milieugevolgen lucht, afval en externe veiligheid concreet gemotiveerd uiteengezet, mede onder het overleggen van verspreidingsberekeningen. Eiser sub 2 heeft het standpunt van verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet weersproken. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het bestreden besluit en het mer-beoordelingsbesluit ter plaatse van de woning en het perceel van eiser sub 2 geen gevolgen van enige betekenis hebben. Eiser sub 2 wordt als gevolg van die besluiten daardoor niet geraakt in zijn belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefklimaat.

Verder is de afstand van de woning van eiser sub 2 tot de inrichting zodanig dat naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake is van verwevenheid van het individuele belang van eiser sub 2 en het (meer) algemene belang van de bescherming van het milieu dat de Wabo en Wm beogen te beschermen.

De door eiser sub 2 ingeroepen bepalingen uit de Wabo en de Wm strekken aldus kennelijk niet ter bescherming van zijn belang.

4.6

Gelet op het voorgaande strekken de door eisers ingeroepen normen van de Wabo en Wm kennelijk niet tot bescherming van hun belangen, zodat hun beroepsgronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en het mer-beoordelingsbesluit. De rechtbank zal de beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en
mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid vanmr. W.I.K. Baart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2021.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.