Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4570

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
20/007529
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking (art. 533 en 530 Sv.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummers: 20/007529

Parketnummer: 05/006191-19 (VI)

Uitspraakdatum: 31 mei 2021

Beschikking (art. 533 en 530 Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 2 september 2020 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. M. Hoevers, advocaat, ingediend verzoekschrift van

[verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboorteplaats- en datum]

wonende te [adres]

domicilie kiezende te (3581 BA) Utrecht, Maliesingel 2, ten kantore van mr. M. Hoevers, voornoemd.

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van:

  • -

    € 2.895,05, wegens de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;

  • -

    € 280,-, wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.

Op 22 februari 2021 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Voor verzoeker is verschenen mr. M. Hoevers, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. C.M. Brugman.

In raadkamer heeft de raadsman het verzoek om schadevergoeding uitgebreid in die zin dat verzoeker tevens een vergoeding verzoekt voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de ten onrechte ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de periode 30 juli 2020 tot en met 9 december 2020.

De behandeling van het klaagschrift is voor onbepaalde tijd aangehouden teneinde de officier van justitie de gelegenheid te geven om het detentieoverzicht aan het dossier toe te voegen en nadien de raadsman en de officier van justitie de gelegenheid te geven nader te reageren op het toegevoegde stuk. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Op 29 maart 2021 heeft de raadsman een nadere schriftelijke reactie gegeven en is het verzoek om schadevergoeding uitgebreid in die zin dat verzoeker nu een vergoeding verzoekt van

€ 3.587,89 voor de kosten van rechtsbijstand en een vergoeding van € 10.640,- voor de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van 133 dagen ten onrechte ondergaan voorarrest.

De officier van justitie heeft d.d. 28 april 2021 schriftelijk geconcludeerd primair dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoeken, althans dat deze dienen te worden afgewezen, nu deze bij de verkeerde rechtbank zijn gedaan, in het kader van de verkeerde zaak. Subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd dat beide verzoeken dienen te worden afgewezen, nu in de onderhavige zaak omtrent de voorlopige invrijheidsstelling (hierna: v.i.) niet kan worden gesteld dat sprake is van een zaak die is geëindigd zonder oplegging van enige straf of maatregel. Meer subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd dat hooguit ruimte is voor vergoeding van de schade voor de plaatsing van verzoeker in het strenge(re) detentieregime voor de periode die is gelegen tussen het indienen van de vordering uitstel v.i. op 24 juli 2020 tot de beslissing daarop door de rechtbank op 20 augustus 2020, waarbij bovendien een matiging van het standaardbedrag gerechtvaardigd is.

2 Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de arrondissementsrechtbank te Malmö van 21 mei 2018 is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren wegens

– kort gezegd – het medeplegen van de invoer van cocaïne en cannabis.

Met toepassing van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) is de tenuitvoerlegging van dat vonnis overgenomen door het parket Oost-Nederland onder het hierboven vermelde parketnummer. De v.i. datum is daarbij op 7 september 2021 gesteld.

Op 13 april 2020 is door de zus van verzoeker aangifte gedaan tegen verzoeker ter zake van eenvoudige mishandeling. Verzoeker is hierop op 22 mei 2020 als verdachte gehoord. Deze nieuwe zaak is geregistreerd onder parketnummer 05/170360-20.

Op 24 juli 2020 heeft de officier van justitie bij deze rechtbank een vordering tot uitstel v.i. ingediend op grond van de verdenking van mishandeling.

Blijkens het detentieoverzicht van verzoeker verbleef verzoeker tot 30 juli 2020 in de ZBBI te Heerhugowaard en is hij per die datum overgeplaatst naar het Justitieel Complex Zaanstad.

Bij beslissing van 20 augustus 2020 heeft de rechtbank de vordering tot uitstel van de v.i. afgewezen.

Bij beslissing van de politierechter van de rechtbank Gelderland van 1 december 2020 is verzoeker vrijgesproken in de mishandelingszaak (parketnummer 05/170360-20).

De rechtbank overweegt als volgt:

Ten aanzien van het verzoek ex. art. 533 Sv.

Ingevolge artikel 533 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding toekennen voor de schade die hij tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden.

Blijkens de schriftelijk reactie van de raadsman is het standpunt van verzoeker dat de geleden schade het gevolg is van de verdenking van een nieuw strafbaar feit, waarvoor verzoeker op 1 december 2020 door de politierechter te Gelderland is vrijgesproken. De raadsman heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de terugplaatsing van verzoeker in het reguliere detentieregime het gevolg is geweest van het indienen van de vordering tot uitstel v.i.

De strafzaak wegens de verdenking van een nieuw strafbaar feit (parketnummer 05/170360-20) is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Ingevolge artikel 533 lid 5 Sv is het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor die zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd bevoegd tot kennisneming van het verzoekschrift.

Nu verzoeker is vrijgesproken door de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, had verzoeker het verzoek tot vergoeding van de schade die hij tengevolge van ten onrechte ondergane detentie in deze zaak niet moeten indienen bij de rechtbank Noord-Holland, maar bij de rechtbank Gelderland als het gerecht waarvoor verzoeker het laatst werd vervolgd.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren ten aanzien van dit onderdeel van het verzoekschrift en dat het verzoekschrift op dit onderdeel ter verdere beoordeling zal worden verwezen naar de rechtbank Gelderland.

Ten aanzien van het verzoek ex art. 530 Sv.

Artikel 530 Sv voorziet in de daar genoemde gevallen in de mogelijkheid tot toekenning van een vergoeding voor de door de gewezen verdachte gemaakte kosten van een raadsman. Die bepaling ziet op de kosten van de raadsman die in de strafzaak als gekozen raadsman is opgetreden.

De rechtbank overweegt dat voor zover de verzochte kosten zien op rechtsbijstand die aan verzoeker is verleend in het kader van de nieuwe verdenking, daarvoor het vorenstaande geldt. Gelet hierop acht de rechtbank zich niet bevoegd kennis te nemen van dit onderdeel van het verzoekschrift en zal zij het verzoekschrift op dit onderdeel ter verdere beoordeling doorverwijzen naar de rechtbank Gelderland.

Voor zover de gevraagde vergoeding ziet op kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de behandeling van het verzoek tot uitstel v.i. – de enige zaak die bij de rechtbank Noord-Holland aanhangig is geweest – geldt dat niet gezegd kan worden dat deze zaak is geëindigd zonder oplegging van enige straf of maatregel als bedoeld in artikel 530 Sv. Verzoeker is immers in de onderliggende strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Derhalve is het verzoek tot uitstel v.i. niet te beschouwen als een zelfstandige zaak waarvoor artikel 530 Sv in een schadevergoeding voorziet. De rechtbank zal daarom de verzochte vergoeding afwijzen.

Al het voorgaande in aanmerking nemend wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 533 Sv:

  • -

    verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot vergoeding van de schade van de door verzoeker ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in het kader van de verdenking van een nieuw strafbaar feit geregistreerd onder parketnummer 05/170360-20;

  • -

    draagt de griffier op het verzoekschrift op dit onderdeel ter verdere afhandeling door te zenden aan de rechtbank Gelderland.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 530 Sv:

  • -

    verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoekschrift voor zover dit ziet op de vergoeding van de kosten als gevolg van de verdenking van een nieuw strafbaar feit geregistreerd onder parketnummer 05/170360-20;

  • -

    draagt de griffier op het verzoekschrift op dit onderdeel ter verdere afhandeling door te zenden aan de rechtbank Gelderland;

  • -

    wijst het verzoek af voor zover het verzoek betrekking heeft op de gemaakte kosten ten behoeve van de behandeling van het verzoek tot uitstel v.i. (parketnummer 05/006191-19).

Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door mr. H.E. van Harten, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Demiroz, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Informatie bij deze beschikking

Voor zover er in deze uitspraak een bedrag is toegewezen kan de opdracht tot uitbetaling van dit bedrag pas worden gegeven nadat de beslissing onherroepelijk is geworden. Bijgaande beschikking is op dit moment nog niet onherroepelijk; de officier van justitie heeft 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen en voor de verzoekende partij is binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze uitspraak hoger beroep mogelijk. Genoemde termijnen kunnen worden bekort wanneer ter griffie afstand wordt gedaan van het recht op het instellen van hoger beroep.