Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:4566

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2027
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening (Wmo-)opvang - afgewezen - betrokkene behoort niet tot de doelgroep van de Wmo, omdat hij zelfredzaam is - voldoende rekenschap gegeven van belangen minderjarige kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 21/2027


uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 mei 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] , te [plaats] , verzoekers,

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: mr. R.H. Vossebeld).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers voor een spoedvoorziening opvang WMO voor de periode van 8 maart 2021 tot 18 maart 2021 toegewezen op grond van de WMO 2015. Bij dat besluit heeft verweerder voorts de reguliere aanvraag voor een maatwerkvoorziening in combinatie met begeleiding in het kader van de WMO 2015 afgewezen, omdat verzoekers niet behoren tot de doelgroep voor de maatschappelijke opvang.

Bij besluit van 24 maart 2021 heeft verweerder opvang op grond van de “Richtlijn opvang dak- en thuisloze mensen” (hierna: de Richtlijn) in de vorm van verblijf in Hotel [naam 1] te [plaats] tegen een gereduceerd tarief van € 15,- per dag verleend voor de periode van 17 maart 2021 tot en met 1 april 2021.

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening bij mondelinge uitspraak van 6 april 2021 toegewezen en bepaald dat verweerder de verleende opvang op grond van de Richtlijn voortzet tot het einde van de lockdown dan wel – indien eerder wordt beslist op het bezwaar – tot twee weken na het besluit op bezwaar en bepaald dat verweerder verzoekers een bedrag aan leefgeld betaalt van in totaal € 20,- per dag totdat is beslist op het bezwaar, dan wel totdat eerder (een voorschot op) de aangevraagde bijstandsuitkering is betaald.

Bij besluit van 7 april 2021 is de opvang op grond van de Richtlijn verlengd tot 1 mei 2021.

In het besluit van 29 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 april 2021 heeft verweerder de opvang op grond van de Richtlijn verlengd tot 15 mei 2021.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluiten van respectievelijk 12 mei 2021 en 19 mei 2021 heeft verweerder de opvang van verzoekers op grond van de Richtlijn (versies 10 en 11) verlengd tot 25 mei 2021 en uiteindelijk tot 2 juni 2021, 12.00 uur. De noodzaak te beslissen op een eerder gedaan verzoek om een ordemaatregel te treffen is daarmee komen te vervallen.

Het onderzoek ter zitting heeft met behulp van beeldbellen plaatsgevonden op 20 mei 2021. Verzoeker [verzoeker 1] (hierna: verzoeker) heeft deelgenomen, bijgestaan door verzoekers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. Verzoeker heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter met het door hem overgelegde formulier aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt daarom en verzoeker wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

2. De voorzieningenrechter beschikt nog niet over alle relevante stukken in de hoofdzaak, zodat geen gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1

Verzoeker is in 1999 als asielzoeker vanuit Afghanistan naar Nederland gekomen. Vanuit het asielzoekerscentrum heeft hij een woning toegewezen gekregen in Haarlemmermeer. Verzoeker heeft in de loop van de tijd de Nederlandse nationaliteit gekregen. In 2005 of 2006 is verzoeker teruggekeerd naar Afghanistan.

De echtgenote van verzoeker is overleden in 2018. Verzoeker is met zijn drie minderjarige kinderen [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] (respectievelijk [..] , [..] en [..] jaar oud) vanuit Afghanistan op 7 maart 2021 in Nederland aangekomen.

Verzoekers hebben zich op 8 maart 2021 gemeld bij verweerder en een spoedvoorziening aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015).

3.2

Verweerder heeft bij besluit van 16 maart 2021 aan verzoekers een spoedvoorziening opvang toegekend voor de periode van 8 maart 2021 tot en met 17 maart 2021, inhoudende verblijf in hotel [naam 2] te [plaats] . Verweerder heeft daarbij aangegeven dat verzoeker en zijn kinderen niet behoren tot de doelgroep die in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de WMO 2015. Verweerder acht verzoekers voldoende zelfredzaam en in staat zich op eigen kracht met gebruikelijke hulp van hun netwerk in Nederland of in het buitenland te handhaven en te participeren in de samenleving. Verweerder heeft daarom de reguliere aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de WMO 2015 afgewezen. Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

4. Verweerder heeft beslissend op het bezwaar het advies van de vaste commissie voor de bezwaarschriften integraal overgenomen. Verweerder is van mening dat onvoldoende is gebleken dat verzoeker niet zelfredzaam is. Verzoeker heeft 10 jaar in Nederland gewoond (1999-2009) en is de Nederlandse taal voldoende machtig. In de jaren 2005 tot en met 2009 heeft hij zich financieel weten te redden zonder bijstand. De reden voor vertrek vanuit Afghanistan was de onveilige situatie en een betere toekomst voor zijn kinderen. Hij woonde in Afghanistan in een woning van zijn vader; dat hij zijn huurwoning heeft moeten verlaten heeft hij niet onderbouwd. In Afghanistan werkte hij laatstelijk in een parkeergarage; niet duidelijk is waarom hij deze functie heeft moeten opgeven. Ook is niet duidelijk gemaakt waarom de situatie in Afghanistan voor hem onveilig was. Dat zijn kinderen zijn getraumatiseerd is evenmin onderbouwd. Verzoeker heeft vliegtickets voor hemzelf en zijn kinderen gekocht om via [stad] naar Neerland te reizen en hij heeft voor de reis geld kunnen lenen van een goede vriend. Hij heeft heel snel contact kunnen leggen met een advocaat voor rechtshulp teneinde de aanvragen WMO te kunnen doen en procedures te kunnen opstarten.

Verzoeker heeft keuzevrijheid gehad ten aanzien van zijn (re-)migratie en is onvoldoende voorbereid naar Nederland is gekomen waarbij hij er ten onrechte vanuit is gegaan dat het verkrijgen van onderdak voor hemzelf en zijn kinderen op korte termijn te realiseren zou zijn. Dakloosheid is naar de mening van verweerder geen grond voor niet zelfredzaamheid. Niet is gebleken waarom verzoeker niet op eigen kracht woonruimte zou kunnen zoeken en vinden. Er zijn geen omstandigheden die toekenning van een maatwerkvoorziening rechtvaardigen. De artikelen 3 en 8 van het EVRM hebben volgens verweerder als het gaat om besteding van publieke middelen geen rechtstreekse werking. Naar zijn oordeel vloeit in dit geval uit deze artikelen niet de verplichting voort om verzoekers tot de maatschappelijke opvang toe te laten.

Verder is verweerder van mening dat de door de centrale overheid geadviseerde Richtlijn opvang dak- en thuisloze mensen (versie 10 van 21 april 2021) geen dwingend recht impliceert. Verweerder heeft de bevoegdheid om daarvan af te wijken.

5. Verzoeker voert aan dat hij niet zelfredzaam is, reeds omdat hij geen inkomen heeft. Hij kan niet voor zichzelf en zijn kinderen zorgen. Verweerder is hieraan zelf schuldig, omdat hij verzoeker geen briefadres verstrekt en excessieve eisen stelt aan bewijzen uit Afghanistan. Hij heeft zelfs geen bankrekening.

Verweerder heeft geen deugdelijk onderzoek gedaan voordat is beslist op de WMO 2015 aanvraag. Er staat onder het gespreksverslag geen handtekening van verzoeker en er is met hem gesproken zonder tolk. Het rapport voldoet niet aan het stappenplan.

Verder meent verzoeker dat verweerder een zogenaamde “doenvermogentoets” moet hanteren, dan wordt verweerder snel duidelijk dat het gezin onder de WMO 2015 valt.

Verweerder heeft verder de plicht om de kinderen te beschermen. Het gezin in de uitspraak van 2018 heeft alsnog opvang gekregen van de gemeente Amsterdam.

Ook als de opvang op grond van de WMO 2015 zou moeten worden beperkt tot het OGGZ-criterium dan nog is er opvang geboden, kinderen horen op grond van beleid niet op straat.

Verder stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat artikelen 3 en 8 van het EVRM geen rechtstreekse werking hebben. Verzoeker en zijn kinderen zijn acuut dakloos, zij zijn in Nederland. De plicht om de kinderen te beschermen geldt ook voor de Nederlandse autoriteiten. Los van het criterium van de eigen kracht heeft verweerder ook een zelfstandige plicht om de kinderen te helpen. Eventuele pleegopvang is niet in het belang van de kinderen.

Voorst stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de Richtlijn niet meer behoeft te worden nageleefd. Een openingsplan stap 2 is nog niet in zicht dus mag reeds om deze reden de opvang niet worden beëindigd. Het is onbehoorlijk bestuur als verweerder deze Richtlijn niet naleeft.

Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter zelf in de zaak te voorzien en verweerder op te dragen om de noodopvang niet te beëindigen en ook het leefgeld voort te zetten totdat een voorschot op bijstand is verstrekt.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende onderzoek is verricht en dat daaruit is gebleken dat verzoeker zelfredzaam is. Verweerder verwijst daarbij naar de omstandigheden hoe verzoeker zich de afgelopen tijd heeft gered met het boeken van een vliegtuig, het vinden van rechtshulp, etc.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7.1

Ten aanzien van opvang op grond van de WMO 2015 is de voorzieningenrechter op basis van de rapportage van 6 april 2021 van [naam 3] (overgelegd ter zitting van de voorzieningenrechter van diezelfde datum) van oordeel dat voldoende onderzoek is verricht naar de zelfredzaamheid van verzoeker. De voorzieningenrechter is daarom vooralsnog van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat verzoeker zelfredzaam is. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de rapportage onder meer naar voren komt dat verzoeker in staat is geweest de remigratie met zijn drie kinderen te organiseren en te financieren, dat verzoeker geen lichamelijke of psychische klachten heeft en het Nederlands voldoende beheerst. Hetgeen daartegen van de zijde van verzoeker is ingebracht, dat het hem zou ontbreken aan “doenvermogen”, is onvoldoende om daaraan te twijfelen. Het strookt ook niet met de handelwijze van verzoeker, zoals hiervoor is weergegeven. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen, bijvoorbeeld door in overleg te treden met “Veilig Thuis”. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7.2

Met betrekking tot de opvang op grond van de Richtlijn overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gebleken is dat verweerder voor verzoeker bij separaat besluit van 29 april 2021 de opvang heeft voortgezet tot 15 mei 2021, dat heeft verlengd tot 25 mei 2021 en vervolgens (op grond van versie 11 van de Richtlijn) tot 2 juni 2021. Die datum is het einde van de afbouwperiode van de opvang op grond van de Richtlijn. Verweerder heeft de Richtlijn daarmee ten behoeve van verzoekers tot de sluitingsdatum van de noodopvang toegepast. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen ruimte tot het treffen van een voorlopige voorziening in relatie tot de opvang op grond van de Richtlijn.

8. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.